Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5138
2026-08-04
Civiel recht
200.362.317/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHARL:2026:5138 → ECLI:NL:RBMNE:2025:5657
Inhoudsindicatie
Kort geding. Onrechtmatige daad. Verzoek aan internetplatform tot verwijdering van reviews.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2005:AU4019 Hoge Raad 25-11-2005
- ECLI:NL:RBAMS:2020:2653 Rechtbank Amsterdam 22-05-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.419 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.362.317/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad: 598601)
arrest in kort geding van 4 augustus 2026
in de zaak van
1Debtt B.V.
2. Credit Management B.V.
die gevestigd zijn in Dronten en bij de rechtbank optraden als eiseressen
hierna respectievelijk Debtt, Credit Management en gezamenlijk Debtt c.s.
advocaat: mr. J.G.J. van Groenendaal
tegen
Google Ireland Limited
die gevestigd is in Dublin, Ierland
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: Google
advocaten: mr. D. Verhulst en mr. A.I.L. Meiring
1Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:- de appeldagvaarding van 27 november 2025
de memorie van grieven met eiswijziging
de memorie van antwoord
de op 27 mei 2026 binnengekomen brief van mr. Van Groenendaal met een verzoek om spreektijdverlenging.
1.2
Op 9 juni 2026 heeft bij het hof een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad met extra speektijd. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt, dat deel uitmaakt van het procesdossier.
1.3
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Daarna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.
2De kern van de zaak en de beslissing van de voorzieningenrechter
2.1
Debtt voert een onderneming die diensten verleent op het gebied van onder meer de incasso van geldvorderingen. Credit Management is enig bestuurder en aandeelhouder van Debtt.
2.2
Google is onderdeel van het gelijknamige Amerikaanse mediaconcern, dat sinds de oprichting ervan in 1998 is uitgegroeid tot een van de grootste en meest invloedrijke tech-bedrijven ter wereld. Google biedt informatie aan door webpagina's, afbeeldingen en video's van het internet te indexeren via geautomatiseerde software (crawlers). Google ordent deze informatie op basis van relevantie en kwaliteit, en presenteert ze via directe zoekresultaten, interactieve kaarten en AI-samenvattingen.
2.3
Bij de bedrijfsvermelding van Debtt op Google Search en Google Maps is een aantal negatieve reviews geplaatst.
2.4
Debtt c.s. hebben vóór deze procedure aan Google gevraagd om tien van deze reviews te verwijderen. Google heeft toen zeven van deze reviews verwijderd in verband met haar contentmoderatiebeleid.
2.5
Bij de voorzieningenrechter hebben Debtt c.s. – kort gezegd – gevorderd dat Google wordt veroordeeld tot verwijdering en het verwijderd houden van de overgebleven drie reviews en daaraan vergelijkbare beschuldigingen gericht aan haar en haar zuster- en/of dochtervennootschappen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Google in de proceskosten.
2.6
Google heeft na in kort geding te zijn gedagvaard nog één van de drie overgebleven reviews verwijderd (die van ‘ [naam1] ’).
2.7
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Debtt c.s. afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.
3De vorderingen en grieven van Debtt c.s.
3.1
Debtt c.s. vorderen in hoger beroep na eisvermindering dat Google wordt veroordeeld tot verwijdering van de twee nog niet door Google verwijderde reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Google in de proceskosten.
3.2
Debtt c.s. hebben het vonnis waarvan beroep bestreden met een achttal grieven, die tot de door hen gewenste beslissing moeten leiden.
3.3
Het hof zal hierna de grieven zo veel mogelijk thematisch en gebundeld behandelen. De beslissing zal zijn dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter zal bekrachtigen. Die beslissing wordt hierna toegelicht.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
Het hof stelt met de voorzieningenrechter vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. De vorderingen van Debtt c.s. zijn gebaseerd op een door Debtt c.s. gestelde onrechtmatige daad, waarbij de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan in Nederland. Volgens artikel 7 aanhef en lid 2 van de herschikte EU-Verordening (EU 1215/2012) heeft de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht en is deze bevoegd om over de zaak te beslissen.
4.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Debtt c.s. beoordeeld naar Nederlands recht. Dat de vorderingen naar Nederlands recht beoordeeld dienen te worden, staat in dit hoger beroep ook niet ter discussie.
Juridisch kader
4.3
Het gaat in deze zaak om mededelingen die niet door Google zelf op internet zijn geplaatst, maar om twee recensies (de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’) van derden op het daarvoor door Google ter beschikking gestelde internetplatform.
4.4
Debtt c.s. hebben ter zitting bij het hof desgevraagd aangegeven dat hun vordering tot verwijdering van deze reviews is gebaseerd op art. 6:162 BW in samenhang met art. 3:296 BW. Grief I behoeft in zoverre geen behandeling meer.
4.5
Uitgangspunt voor de beoordeling is dat een internetplatform als Google kan worden gehouden om dergelijke door derden geplaatste informatie te verwijderen, indien de inhoud en bewoordingen daarvan kennelijk onrechtmatig is jegens degene die om verwijdering verzoekt. Van een onrechtmatige review kan sprake zijn wanneer deze niet gebaseerd is op daadwerkelijke ervaringen van de recensent met de aanbieder en/ of feitelijk onjuist dan wel onnodig grievend is.
4.6
Partijen zijn het er blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep over eens dat het onrechtmatige karakter van de content door het betreffende platform op eenvoudige wijze moet kunnen worden geconstateerd, dus zonder dat daarvoor (additionele) kennis nodig is van (of onderzoek naar) de feitelijke achtergrond van de review en/of de feitelijke relatie tussen de recensent en degene(n) die in de review op de korrel wordt (worden) genomen.
4.7
Ter zitting bij het hof hebben partijen er verder blijk van gegeven het erover eens te zijn dat Google zowel een zakelijk als een maatschappelijk belang heeft om haar internetgebruikers de mogelijkheid te bieden om kritische en betrouwbare reviews te plaatsen over instanties en bedrijven waarmee deze in aanraking zijn gekomen. Partijen zijn het er ook over eens dat dit maatschappelijke belang, dat ten nauwste verbonden is met de in art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet verankerde uitingsvrijheid, bij de beoordeling van de vraag of Google de reviews moet verwijderen en bij de in dat kader te maken belangenafweging het nodige gewicht toekomt.
4.9
Het hof zal de grieven met inachtneming van het hiervoor weergegeven juridisch kader behandelen.
Is bij de twee niet verwijderde reviews sprake van onrechtmatige content?
4.10
Volgens Debtt c.s. heeft de voorzieningenrechter blijkens haar vonnis miskend dat bij de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ moet worden gesproken van onrechtmatige content als hiervoor bedoeld. Hun betoog te dezen berust op een zestal pijlers, te weten: (i) beide reviews zijn niet ‘echt’; (ii) de reviews vormen onderdeel van een georganiseerde hetze op internet tegen Debtt; (iii) de – ‘strafrechtelijk getinte’ – (beschuldigingen in de) reviews zijn feitelijk van aard en ongefundeerd resp. onnodig grievend; (iv) de onrechtmatigheid van de reviews is een gegeven in het licht van een al eerder gewezen ‘bodemvonnis’; (v) Google heeft na sommatie de andere acht reviews al wel verwijderd en (naar het hof begrijpt) daarmee ook het onrechtmatige karakter van de resterende reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ ‘toegegeven’; (vi) de reviews zijn niet verenigbaar met het eigen contentmoderatiebeleid van Google.
4.11
Het hof volgt Debtt c.s. niet in dit betoog, dat grotendeels een herhaling vormt van wat zij in eerste aanleg al naar voren hebben gebracht. Dit licht het hof hierna per ‘pijler’ toe.
4.12
Wat het punt onder (i) en (ii) betreft, geldt dat blijkens de door hen gegeven toelichting op de derde grief ook door Debtt c.s. zelf wordt onderkend dat er aan hun kant niet meer dan een vermoeden bestaat dat er op internet een onterechte lastercampagne tegen Debtt en haar incassobeleid is of wordt gevoerd en dat beide reviews daarvan (mogelijk) deel uitmaken. Nu het hier enkel vermoedens van Debtt c.s. betreft, waarvan (naar zij ook zelf onderkennen) de gegrondheid ook in hoger beroep niet uit de stukken of anderszins is gebleken, ziet het hof net zo min als de voorzieningenrechter reden om bij de beoordeling van dit geschil tot voorlopig uitgangspunt te nemen dat de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ niet ‘echt’ zijn resp. afkomstig zijn van personen die in werkelijkheid niet als (vermeend) debiteur van een ter incasso aan Debtt gegeven vordering met de werkwijze van dit bedrijf te maken hebben gehad.
4.13
Evenmin volgt het hof Debtt c.s. in de stelling dat de beide reviews als ‘feitelijk onjuist’ zouden moeten worden aangemerkt respectievelijk dat daarin kennelijk onjuiste c.q. ernstige beschuldigingen van feitelijke aard jegens Debtt worden geuit. Met de voorzieningenrechter en Google is het hof van oordeel dat de in de reviews gebezigde termen ‘fraude’, ‘vals’, ’ik beschouw de acties als oplichting’, ‘ze proberen je op te lichten’ etc., mede gelet op de verdere bewoordingen, toonzetting en algehele sfeer van de reviews, moeten worden beschouwd als subjectieve belevingsoordelen die (ook in de ogen van de gemiddelde lezer van de reviews) niet de pretentie hebben iets gefundeerds mee te delen over strafrechtelijke verwijtbaarheid zijdens Debtt maar enkel de (in emotionele en ondiplomatieke bewoordingen gegoten) reflectie vormen van een kennelijk (sterk) negatieve ervaring met het incassowerk van Debtt. Hierop aansluitend volgt het hof Debtt c.s. evenmin in de opvatting dat de reviews onnodig grievend zouden zijn respectievelijk als smaad, laster of belediging in de ban moeten worden gedaan. Daarbij merkt het hof op dat de aard van het (naar het hof wel wil aannemen: dikwijls ‘ondankbare’) werk van incassobureaus zoals Debtt onvermijdelijk meebrengt dat degenen die de incassowerkzaamheden van zo’n bureau moeten ondergaan, in het algemeen geneigd zullen zijn die werkzaamheden veeleer (sterk) negatief dan positief te waarderen, ongeacht of het betreffende bureau volgens de regelen der kunst te werk is gegaan of niet. Ook tegen deze (ook voor de gemiddelde lezer kenbare) achtergrond, waarbij (sterk) negatieve en/of (sterk) impulsieve emoties in reactie op het werk van een incassobureau menselijkerwijs te verwachten zijn (vgl. randnummer 40 van de memorie van grieven), is het hof het met Google eens dat de onder (iii) hiervoor genoemde kwalificatie(s) van de beide reviews niet op zijn plaats is (zijn). Bij dit alles weegt het hof mee dat voor inperking van de uitingsvrijheid de lat hoog ligt en dat dit aspect niet kan worden genegeerd bij de beoordeling of een uitlating, zoals in dit geval de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’, de grenzen van het toelaatbare overschrijdt.
4.14
Het hof volgt Debtt c.s. ook niet in de stelling dat het onrechtmatige karakter van de beide reviews reeds zou volgen uit het ‘bodemvonnis’ waarop zij zich in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft beroepen. Nu het hier een verstekvonnis betreft, dat (dus) zonder enig inhoudelijk partijdebat en ook nog eens jegens een geheel andere wederpartij dan Google (en in relatie tot een andersoortig feitencomplex) is gewezen, valt – zonder deugdelijke nadere toelichting, die niet gegeven is – niet in te zien dat en waarom het in die zaak gegeven oordeel (toch) een zwaarwegende, laat staan beslissende betekenis zou moeten hebben bij de beoordeling van de vorderingen van Debtt c.s. in het onderhavige geschil met Google. Het hof verenigt zich op dit punt met het oordeel van de voorzieningenrechter en maakt dit tot het zijne. In hoger beroep zijn door Debtt c.s. geen feiten of omstandigheden aangevoerd of anderszins gebleken die tot een ander oordeel nopen.
4.15
In het feit dat Google na sommatie door Debtt c.s. de andere acht reviews (waaronder die van ‘ [naam1] ’) wel heeft verwijderd en die van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ niet, leest het hof, anders dan Debtt c.s., geen ‘erkenning’ van het onrechtmatige karakter van deze twee reviews. Debtt c.s. miskennen met hun betoog te dezen dat die andere acht reviews niet ter beoordeling voorliggen en de inhoud daarvan dus niet als richtsnoer dan wel aangrijpingspunt kan dienen voor de beoordeling van het al of niet onrechtmatige karakter van de twee reviews die in dit geding wel aan de beoordeling van het hof zijn onderworpen. Verder is gesteld noch gebleken dat Debtt c.s. het door Google verwijderd hebben van die andere reviews aldus zouden hebben mogen begrijpen dat Google daarmee haar recht heeft verspeeld of prijs gegeven om met betrekking tot de twee niet verwijderde reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ inhoudelijk verweer te voeren tegen het door Debtt c.s. gevorderde.
4.16
Over het door Google niet verwijderen van de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ hebben Debtt c,s. ook nog betoogd dat dit onverenigbaar zou zijn met het eigen contentmoderatiebeleid van Google. Google heeft deze stelling in haar memorie van antwoord gemotiveerd weersproken, daarin onderbouwd uiteengezet dat en waarom zij geen reden heeft om ervan uit te gaan dat van een herplaatsing van de review van ‘ [naam2] ’ sprake is geweest en ook duidelijk gemaakt dat en waarom zij meent en mag menen dat het niet verwijderen van de beide reviews – mede gelet op de aard en strekking ervan – met dat beleid niet onverenigbaar is. Op dit een en ander heeft zij ter zitting nog een nadere toelichting gegeven, zonder dat Debtt c.s. hier vervolgens iets steekhoudends tegen in hebben gebracht. Gelet op dit een en ander gaat het hof ook aan het op dit punt door Debtt c.s. gestelde als onvoldoende feitelijk onderbouwd voorbij.
4.17
Uit het voorgaande volgt dat het hof net zo min als de voorzieningenrechter de beide reviews onrechtmatig acht als hiervoor onder 4.5-4.6 bedoeld. Bij deze stand van zaken weegt het hiervoor onder 4.7 omschreven zakelijke en maatschappelijke belang van Google om de reviews niet te hoeven verwijderen zwaarder dan het zakelijke belang van Debtt c.s. om gevrijwaard te worden van reviews die hen vanwege de daaruit blijkende negatieve waardering van door Debtt uitgevoerde incassowerkzaamheden onwelgevallig zijn.
4.18
Het voorgaande brengt mee dat de grieven I en III tot en met VII falen.
4.19
Wat verder nog door partijen in het kader van deze grieven is aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.
Proceskosten in de eerste aanleg
4.20
Met de grieven II en VIII keren Debtt c.s. zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om hen in de proceskosten te veroordelen. Ook deze grieven treffen geen doel. Zoals hiervoor onder 4.14 al is overwogen, valt niet in te zien dat uit het voorafgaand aan de kort geding zitting door Google verwijderen van de review van ‘ [naam1] ’ de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat deze review (dus) een onrechtmatig karakter had. In het licht hiervan ziet het hof evenmin in dat resp. waarom de voorzieningenrechter, ondanks het niet toewijsbaar achten van de vorderingen van Debtt c.s., de proceskosten tussen partijen had moeten compenseren.
Ontbreken spoedeisend belang
4.21
Tot slot overweegt het hof dat Debtt c.s. het poedeisend belang in deze zaak niet aannemelijk hebben gemaakt, zodat ook daarom de gevraagde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking komen.
5De slotsom
De conclusie van het voorgaande is dat het hoger beroep van Debtt c.s. niet slaagt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Debtt c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld (tariefgroep II, 2 punten).
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Debtt c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van Google in
hoger beroep:
€ 827,- aan procedurele kosten (griffierecht)
€ 2.580,- aan salaris van de advocaten van Google (2 procespunten x appeltarief II);
verklaart dit arrest wat betreft bovengenoemde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, M. Willemse en L.A. de Vries en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.
Vgl. HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4019, rov. 5.3.7 in fine.
Vgl. Rechtbank Amsterdam 22 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2653, rov. 4.7.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.362.317/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad: 598601)
arrest in kort geding van 4 augustus 2026
in de zaak van
1Debtt B.V.
2. Credit Management B.V.
die gevestigd zijn in Dronten en bij de rechtbank optraden als eiseressen
hierna respectievelijk Debtt, Credit Management en gezamenlijk Debtt c.s.
advocaat: mr. J.G.J. van Groenendaal
tegen
Google Ireland Limited
die gevestigd is in Dublin, Ierland
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: Google
advocaten: mr. D. Verhulst en mr. A.I.L. Meiring
1Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:- de appeldagvaarding van 27 november 2025
de memorie van grieven met eiswijziging
de memorie van antwoord
de op 27 mei 2026 binnengekomen brief van mr. Van Groenendaal met een verzoek om spreektijdverlenging.
1.2
Op 9 juni 2026 heeft bij het hof een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad met extra speektijd. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt, dat deel uitmaakt van het procesdossier.
1.3
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Daarna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.
2De kern van de zaak en de beslissing van de voorzieningenrechter
2.1
Debtt voert een onderneming die diensten verleent op het gebied van onder meer de incasso van geldvorderingen. Credit Management is enig bestuurder en aandeelhouder van Debtt.
2.2
Google is onderdeel van het gelijknamige Amerikaanse mediaconcern, dat sinds de oprichting ervan in 1998 is uitgegroeid tot een van de grootste en meest invloedrijke tech-bedrijven ter wereld. Google biedt informatie aan door webpagina's, afbeeldingen en video's van het internet te indexeren via geautomatiseerde software (crawlers). Google ordent deze informatie op basis van relevantie en kwaliteit, en presenteert ze via directe zoekresultaten, interactieve kaarten en AI-samenvattingen.
2.3
Bij de bedrijfsvermelding van Debtt op Google Search en Google Maps is een aantal negatieve reviews geplaatst.
2.4
Debtt c.s. hebben vóór deze procedure aan Google gevraagd om tien van deze reviews te verwijderen. Google heeft toen zeven van deze reviews verwijderd in verband met haar contentmoderatiebeleid.
2.5
Bij de voorzieningenrechter hebben Debtt c.s. – kort gezegd – gevorderd dat Google wordt veroordeeld tot verwijdering en het verwijderd houden van de overgebleven drie reviews en daaraan vergelijkbare beschuldigingen gericht aan haar en haar zuster- en/of dochtervennootschappen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Google in de proceskosten.
2.6
Google heeft na in kort geding te zijn gedagvaard nog één van de drie overgebleven reviews verwijderd (die van ‘ [naam1] ’).
2.7
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Debtt c.s. afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.
3De vorderingen en grieven van Debtt c.s.
3.1
Debtt c.s. vorderen in hoger beroep na eisvermindering dat Google wordt veroordeeld tot verwijdering van de twee nog niet door Google verwijderde reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Google in de proceskosten.
3.2
Debtt c.s. hebben het vonnis waarvan beroep bestreden met een achttal grieven, die tot de door hen gewenste beslissing moeten leiden.
3.3
Het hof zal hierna de grieven zo veel mogelijk thematisch en gebundeld behandelen. De beslissing zal zijn dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter zal bekrachtigen. Die beslissing wordt hierna toegelicht.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
Het hof stelt met de voorzieningenrechter vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. De vorderingen van Debtt c.s. zijn gebaseerd op een door Debtt c.s. gestelde onrechtmatige daad, waarbij de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan in Nederland. Volgens artikel 7 aanhef en lid 2 van de herschikte EU-Verordening (EU 1215/2012) heeft de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht en is deze bevoegd om over de zaak te beslissen.
4.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Debtt c.s. beoordeeld naar Nederlands recht. Dat de vorderingen naar Nederlands recht beoordeeld dienen te worden, staat in dit hoger beroep ook niet ter discussie.
Juridisch kader
4.3
Het gaat in deze zaak om mededelingen die niet door Google zelf op internet zijn geplaatst, maar om twee recensies (de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’) van derden op het daarvoor door Google ter beschikking gestelde internetplatform.
4.4
Debtt c.s. hebben ter zitting bij het hof desgevraagd aangegeven dat hun vordering tot verwijdering van deze reviews is gebaseerd op art. 6:162 BW in samenhang met art. 3:296 BW. Grief I behoeft in zoverre geen behandeling meer.
4.5
Uitgangspunt voor de beoordeling is dat een internetplatform als Google kan worden gehouden om dergelijke door derden geplaatste informatie te verwijderen, indien de inhoud en bewoordingen daarvan kennelijk onrechtmatig is jegens degene die om verwijdering verzoekt. Van een onrechtmatige review kan sprake zijn wanneer deze niet gebaseerd is op daadwerkelijke ervaringen van de recensent met de aanbieder en/ of feitelijk onjuist dan wel onnodig grievend is.
4.6
Partijen zijn het er blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep over eens dat het onrechtmatige karakter van de content door het betreffende platform op eenvoudige wijze moet kunnen worden geconstateerd, dus zonder dat daarvoor (additionele) kennis nodig is van (of onderzoek naar) de feitelijke achtergrond van de review en/of de feitelijke relatie tussen de recensent en degene(n) die in de review op de korrel wordt (worden) genomen.
4.7
Ter zitting bij het hof hebben partijen er verder blijk van gegeven het erover eens te zijn dat Google zowel een zakelijk als een maatschappelijk belang heeft om haar internetgebruikers de mogelijkheid te bieden om kritische en betrouwbare reviews te plaatsen over instanties en bedrijven waarmee deze in aanraking zijn gekomen. Partijen zijn het er ook over eens dat dit maatschappelijke belang, dat ten nauwste verbonden is met de in art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet verankerde uitingsvrijheid, bij de beoordeling van de vraag of Google de reviews moet verwijderen en bij de in dat kader te maken belangenafweging het nodige gewicht toekomt.
4.9
Het hof zal de grieven met inachtneming van het hiervoor weergegeven juridisch kader behandelen.
Is bij de twee niet verwijderde reviews sprake van onrechtmatige content?
4.10
Volgens Debtt c.s. heeft de voorzieningenrechter blijkens haar vonnis miskend dat bij de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ moet worden gesproken van onrechtmatige content als hiervoor bedoeld. Hun betoog te dezen berust op een zestal pijlers, te weten: (i) beide reviews zijn niet ‘echt’; (ii) de reviews vormen onderdeel van een georganiseerde hetze op internet tegen Debtt; (iii) de – ‘strafrechtelijk getinte’ – (beschuldigingen in de) reviews zijn feitelijk van aard en ongefundeerd resp. onnodig grievend; (iv) de onrechtmatigheid van de reviews is een gegeven in het licht van een al eerder gewezen ‘bodemvonnis’; (v) Google heeft na sommatie de andere acht reviews al wel verwijderd en (naar het hof begrijpt) daarmee ook het onrechtmatige karakter van de resterende reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ ‘toegegeven’; (vi) de reviews zijn niet verenigbaar met het eigen contentmoderatiebeleid van Google.
4.11
Het hof volgt Debtt c.s. niet in dit betoog, dat grotendeels een herhaling vormt van wat zij in eerste aanleg al naar voren hebben gebracht. Dit licht het hof hierna per ‘pijler’ toe.
4.12
Wat het punt onder (i) en (ii) betreft, geldt dat blijkens de door hen gegeven toelichting op de derde grief ook door Debtt c.s. zelf wordt onderkend dat er aan hun kant niet meer dan een vermoeden bestaat dat er op internet een onterechte lastercampagne tegen Debtt en haar incassobeleid is of wordt gevoerd en dat beide reviews daarvan (mogelijk) deel uitmaken. Nu het hier enkel vermoedens van Debtt c.s. betreft, waarvan (naar zij ook zelf onderkennen) de gegrondheid ook in hoger beroep niet uit de stukken of anderszins is gebleken, ziet het hof net zo min als de voorzieningenrechter reden om bij de beoordeling van dit geschil tot voorlopig uitgangspunt te nemen dat de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ niet ‘echt’ zijn resp. afkomstig zijn van personen die in werkelijkheid niet als (vermeend) debiteur van een ter incasso aan Debtt gegeven vordering met de werkwijze van dit bedrijf te maken hebben gehad.
4.13
Evenmin volgt het hof Debtt c.s. in de stelling dat de beide reviews als ‘feitelijk onjuist’ zouden moeten worden aangemerkt respectievelijk dat daarin kennelijk onjuiste c.q. ernstige beschuldigingen van feitelijke aard jegens Debtt worden geuit. Met de voorzieningenrechter en Google is het hof van oordeel dat de in de reviews gebezigde termen ‘fraude’, ‘vals’, ’ik beschouw de acties als oplichting’, ‘ze proberen je op te lichten’ etc., mede gelet op de verdere bewoordingen, toonzetting en algehele sfeer van de reviews, moeten worden beschouwd als subjectieve belevingsoordelen die (ook in de ogen van de gemiddelde lezer van de reviews) niet de pretentie hebben iets gefundeerds mee te delen over strafrechtelijke verwijtbaarheid zijdens Debtt maar enkel de (in emotionele en ondiplomatieke bewoordingen gegoten) reflectie vormen van een kennelijk (sterk) negatieve ervaring met het incassowerk van Debtt. Hierop aansluitend volgt het hof Debtt c.s. evenmin in de opvatting dat de reviews onnodig grievend zouden zijn respectievelijk als smaad, laster of belediging in de ban moeten worden gedaan. Daarbij merkt het hof op dat de aard van het (naar het hof wel wil aannemen: dikwijls ‘ondankbare’) werk van incassobureaus zoals Debtt onvermijdelijk meebrengt dat degenen die de incassowerkzaamheden van zo’n bureau moeten ondergaan, in het algemeen geneigd zullen zijn die werkzaamheden veeleer (sterk) negatief dan positief te waarderen, ongeacht of het betreffende bureau volgens de regelen der kunst te werk is gegaan of niet. Ook tegen deze (ook voor de gemiddelde lezer kenbare) achtergrond, waarbij (sterk) negatieve en/of (sterk) impulsieve emoties in reactie op het werk van een incassobureau menselijkerwijs te verwachten zijn (vgl. randnummer 40 van de memorie van grieven), is het hof het met Google eens dat de onder (iii) hiervoor genoemde kwalificatie(s) van de beide reviews niet op zijn plaats is (zijn). Bij dit alles weegt het hof mee dat voor inperking van de uitingsvrijheid de lat hoog ligt en dat dit aspect niet kan worden genegeerd bij de beoordeling of een uitlating, zoals in dit geval de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’, de grenzen van het toelaatbare overschrijdt.
4.14
Het hof volgt Debtt c.s. ook niet in de stelling dat het onrechtmatige karakter van de beide reviews reeds zou volgen uit het ‘bodemvonnis’ waarop zij zich in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft beroepen. Nu het hier een verstekvonnis betreft, dat (dus) zonder enig inhoudelijk partijdebat en ook nog eens jegens een geheel andere wederpartij dan Google (en in relatie tot een andersoortig feitencomplex) is gewezen, valt – zonder deugdelijke nadere toelichting, die niet gegeven is – niet in te zien dat en waarom het in die zaak gegeven oordeel (toch) een zwaarwegende, laat staan beslissende betekenis zou moeten hebben bij de beoordeling van de vorderingen van Debtt c.s. in het onderhavige geschil met Google. Het hof verenigt zich op dit punt met het oordeel van de voorzieningenrechter en maakt dit tot het zijne. In hoger beroep zijn door Debtt c.s. geen feiten of omstandigheden aangevoerd of anderszins gebleken die tot een ander oordeel nopen.
4.15
In het feit dat Google na sommatie door Debtt c.s. de andere acht reviews (waaronder die van ‘ [naam1] ’) wel heeft verwijderd en die van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ niet, leest het hof, anders dan Debtt c.s., geen ‘erkenning’ van het onrechtmatige karakter van deze twee reviews. Debtt c.s. miskennen met hun betoog te dezen dat die andere acht reviews niet ter beoordeling voorliggen en de inhoud daarvan dus niet als richtsnoer dan wel aangrijpingspunt kan dienen voor de beoordeling van het al of niet onrechtmatige karakter van de twee reviews die in dit geding wel aan de beoordeling van het hof zijn onderworpen. Verder is gesteld noch gebleken dat Debtt c.s. het door Google verwijderd hebben van die andere reviews aldus zouden hebben mogen begrijpen dat Google daarmee haar recht heeft verspeeld of prijs gegeven om met betrekking tot de twee niet verwijderde reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ inhoudelijk verweer te voeren tegen het door Debtt c.s. gevorderde.
4.16
Over het door Google niet verwijderen van de reviews van ‘ [naam2] ’ en ‘ [naam3] ’ hebben Debtt c,s. ook nog betoogd dat dit onverenigbaar zou zijn met het eigen contentmoderatiebeleid van Google. Google heeft deze stelling in haar memorie van antwoord gemotiveerd weersproken, daarin onderbouwd uiteengezet dat en waarom zij geen reden heeft om ervan uit te gaan dat van een herplaatsing van de review van ‘ [naam2] ’ sprake is geweest en ook duidelijk gemaakt dat en waarom zij meent en mag menen dat het niet verwijderen van de beide reviews – mede gelet op de aard en strekking ervan – met dat beleid niet onverenigbaar is. Op dit een en ander heeft zij ter zitting nog een nadere toelichting gegeven, zonder dat Debtt c.s. hier vervolgens iets steekhoudends tegen in hebben gebracht. Gelet op dit een en ander gaat het hof ook aan het op dit punt door Debtt c.s. gestelde als onvoldoende feitelijk onderbouwd voorbij.
4.17
Uit het voorgaande volgt dat het hof net zo min als de voorzieningenrechter de beide reviews onrechtmatig acht als hiervoor onder 4.5-4.6 bedoeld. Bij deze stand van zaken weegt het hiervoor onder 4.7 omschreven zakelijke en maatschappelijke belang van Google om de reviews niet te hoeven verwijderen zwaarder dan het zakelijke belang van Debtt c.s. om gevrijwaard te worden van reviews die hen vanwege de daaruit blijkende negatieve waardering van door Debtt uitgevoerde incassowerkzaamheden onwelgevallig zijn.
4.18
Het voorgaande brengt mee dat de grieven I en III tot en met VII falen.
4.19
Wat verder nog door partijen in het kader van deze grieven is aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.
Proceskosten in de eerste aanleg
4.20
Met de grieven II en VIII keren Debtt c.s. zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om hen in de proceskosten te veroordelen. Ook deze grieven treffen geen doel. Zoals hiervoor onder 4.14 al is overwogen, valt niet in te zien dat uit het voorafgaand aan de kort geding zitting door Google verwijderen van de review van ‘ [naam1] ’ de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat deze review (dus) een onrechtmatig karakter had. In het licht hiervan ziet het hof evenmin in dat resp. waarom de voorzieningenrechter, ondanks het niet toewijsbaar achten van de vorderingen van Debtt c.s., de proceskosten tussen partijen had moeten compenseren.
Ontbreken spoedeisend belang
4.21
Tot slot overweegt het hof dat Debtt c.s. het poedeisend belang in deze zaak niet aannemelijk hebben gemaakt, zodat ook daarom de gevraagde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking komen.
5De slotsom
De conclusie van het voorgaande is dat het hoger beroep van Debtt c.s. niet slaagt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Debtt c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld (tariefgroep II, 2 punten).
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Debtt c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van Google in
hoger beroep:
€ 827,- aan procedurele kosten (griffierecht)
€ 2.580,- aan salaris van de advocaten van Google (2 procespunten x appeltarief II);
verklaart dit arrest wat betreft bovengenoemde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, M. Willemse en L.A. de Vries en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.
Vgl. HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4019, rov. 5.3.7 in fine.
Vgl. Rechtbank Amsterdam 22 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2653, rov. 4.7.