Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4996

2026-07-30 Civiel recht; Arbeidsrecht 200.364.273/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.364.273/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2026-1229; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1229

Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet van beveiliger/hondengeleider na geweldsuitbarsting, volgend op bericht dat zijn hond zal worden ingenomen. Hof acht dringende reden aanwezig en bepaalt dat de arbeidsovereenkomst alsnog eindigt. Gelet op psychische toestand is de gedraging niet ernstig verwijtbaar, daarom wel aanspraak op transitievergoeding.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.338 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel



zaaknummer gerechtshof 200.364.273/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, 11825200)




beschikking van 30 juli 2026




in de zaak van




Safety 1st B.V.

gevestigd in Drachtstercompagnie
verzoekster in hoger beroepbij de kantonrechter: verweerster (niet verschenen)
hierna: Safety 1st
advocaat: mr. H. de Jong te Burgum



tegen





[geïntimeerde]


die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep
bij de kantonrechter: verzoeker
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.M. Pasman te Haren






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


Safety 1st heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, op 24 oktober 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:



het beroepschrift van 23 januari 2026;


het verweerschrift met voorwaardelijk incidenteel appel van 30 maart 2026;


het verweerschrift in incidenteel appel van 8 april 2026;


de akte wijziging verzoeken tevens akte overlegging productie van Safety 1st van 8 april 2026;


het bezwaar van 13 april 2026 van [geïntimeerde] tegen de akte van 8 april 2026;


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 april 2026 is gehouden. Daarna is de zaak aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.


De berichten van beide partijen van 9 juni 2026 dat geen overeenstemming is bereikt en dat het hof verzocht wordt een beschikking te wijzen.






2De kern van de zaak


2.1


[geïntimeerde] , werkzaam bij Safety 1st als beveiliger/hondengeleider, is op 25 juni 2025 op staande voet ontslagen vanwege een geweldsincident op 24 juni 2025 volgend op de aankondiging dat de aan [geïntimeerde] ter beschikking gestelde hond zou worden ingenomen.

[geïntimeerde] heeft dat ontslag aangevochten. Safety 1st heeft bij de kantonrechter geen verweer gevoerd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de emotionele reactie van [geïntimeerde] , gelet op zijn labiele psychische toestand, in dit geval geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleverde. De kantonrechter heeft dat ontslag vernietigd en Safety 1st veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom, [geïntimeerde] weer toe te laten tot het werk indien de bedrijfsarts [geïntimeerde] daartoe in staat acht.




2.2
Safety 1st wil dat deze uitspraak wordt vernietigd en dat er alsnog een einde komt aan de arbeidsovereenkomst.



2.3
Het hof zal een datum bepalen waarop de arbeidsovereenkomst alsnog eindigt. Het voorwaardelijk incidenteel appel waarin [geïntimeerde] betoogd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, treft geen doel. Wel is Safety 1st de transitievergoeding verschuldigd. Het hof zal deze beslissingen hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.






3De feiten


3.1

[geïntimeerde] , geboren in 1990, is op 1 mei 2023 in dienst getreden bij Safety 1st als beveiliger/hondengeleider tegen een loon van € 2.666,91 bruto per vier weken (exclusief vakantiegeld en verdere toeslagen). Op de arbeidsovereenkomst is de cao Particuliere Beveiliging van toepassing.



3.2
Aan [geïntimeerde] was ten tijde van de indiensttreding een Wajong uitkering toegekend vanwege een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) en PDD-NOS.



3.3
Halverwege 2024 is aan [geïntimeerde] de hond [naam1] door Safety 1st ter beschikking gesteld (verder: [naam1] ). Dit was een nog jonge hond die getraind moest worden om bij beveiligingsopdrachten ingezet te kunnen worden. De trainer van de honden was mevrouw [naam2] , die voor de beoogde werkzaamheden in de hondenbrigade van Safety 1st de leidinggevende van [geïntimeerde] was.



3.4
Om daadwerkelijk ingezet te kunnen worden met hond diende [geïntimeerde] een (verplicht) SVBP-examen af te leggen. Dat examen heeft hij nooit gehaald. Als hondengeleider is hij dan ook nooit ingezet.



3.5
De trainingen met [naam1] vonden plaats op een privéterrein van mevrouw [naam2] .



3.6

[naam2] heeft op 3 februari 2025 [geïntimeerde] aangesproken op de harde manier waarop hij met [naam1] omging.



3.7
Op 27 februari 2027 heeft [geïntimeerde] zich ziek gemeld vanwege beperkingen in sociaal functioneren en problemen met nachtdiensten. In overleg met de bedrijfsarts heeft hij een deel van zijn werkzaamheden op therapeutische basis gecontinueerd. Zo bleef hij doorgaan met de hondentrainingen en deed hij ook bewakingsdiensten bij enige wedstrijden in het profvoetbal.



3.8
Op 13 mei 2025 heeft hij zich agressief tegenover [naam2] opgesteld toen hij geen toestemming kreeg voor een vrije dag om met zijn vriendin naar de sauna te gaan. Deze vrije dag werd hem geweigerd omdat deze vlak voor het examen hondengeleider zou vallen. Hij is daarop aangesproken door de heer [naam3] , de directeur van Safety 1st. [naam3] heeft hem op 15 mei 2025 een schriftelijke officiële waarschuwing gezonden vanwege het agressieve gedrag richting [naam3] en [naam2] , het uitschelden van [naam2] voor kankertrut en het roepen van ‘Val dood’. Daarin werden bij herhaling van dit gedrag zwaardere maatregelen aangekondigd.



3.9

[geïntimeerde] heeft op 24 juni 2025 een gesprek met de bedrijfsarts gehad. In dit gesprek heef de bedrijfsarts geadviseerd om de trainingen met de hond te continueren en werkzaamheden voor één evenement per week te verrichten. Dit is op 9 juli 2025 aan Safety 1st teruggekoppeld.



3.10
Later op die 24ste juni had [geïntimeerde] een hondentraining bij [naam2] . [naam2] had al gepland dat [naam1] die dag zou worden ingenomen om gedurende een periode van drie maanden door haar te worden verzorgd omdat zij vond dat het niet goed ging met [naam1] . Toen [naam2] dit vertelde reageerde [geïntimeerde] agressief naar [naam2] , is hij daarop door een andere werknemer (de heer [naam4] ) tegen de grond gewerkt, heeft hij daarna geprobeerd om met zijn auto weg te rijden waarbij hij is ingereden op andere daar geparkeerd staande auto’s en collega’s. [naam2] heeft daarop de politie ingeschakeld, die op haar beurt ook de GGZ heeft ingeschakeld. [geïntimeerde] is uiteindelijk met een speciale ambulance voor personen met verward gedrag (‘psycholance’) naar de GGZ gebracht voor verder onderzoek.



3.11
Safety 1st heeft bij brief, gedateerd 25 juni 2025, [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. In deze brief staat:


“Met deze brief bevestig ik dat u met ingang van 24 juni 2025 op staande voet ontslagen bent.
Aan dit ontslag liggen de volgende redenen ten grondslag:
• De gewelddadige uitbarsting jegens Mevrouw [naam2] en de Heer [naam4] tijdens de training welke heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. U heeft hierbij een woede
uitbarsting gehad en zich fysiek tot hen gewend en daarmee het bedrijfsbeleid voor de tweede maal overtreden, alsmede de richtlijnen als zijnde beveiliger waarbij men zich betrouwbaar en integer dient op te stellen.
• Door middel van het gebruik van bedrijfsmiddelen zijnde een auto met kenteken […] inrijden op personen en uiteindelijk schade aanrichten van privéeigendommen
van collega's en het bedrijf.
Op 24 juni heeft hierin ook het gesprek plaats gevonden met betrokkenen onder toezicht van de politie hebben we met u gesproken over deze omstandigheden. Gezien mede de reacties als het handelen is ontslag op staande voet helaas de enigste mogelijke handeling die wij hieraan konden verbinden.
Als laatste refereren we aan een eerste voorval dat heeft plaatsgevonden op 13 mei en daar heeft u met [naam3] en [naam2] ook een gesprek gehad na aanleiding van een uitbarsting. Daarnaast hebben er verschillende losse handelingen jegens verschillende medewerkers plaats gevonden welke niet toelaatbaar zijn en u bent hierop gewezen op 13 mei.”




3.12
De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft in juli 2025 tevergeefs [naam3] bewogen het ontslag op staande voet te herroepen.



3.13
De politie heeft op 11 oktober 2025 de beveiligingspas van [geïntimeerde] ingetrokken. Bij besluit van 4 december 2025 heeft de politie formeel de toestemming ingetrokken als bedoeld in artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (WBPR). Zonder die toestemming mag [geïntimeerde] geen beveiligingswerkzaamheden verrichten. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend zodat dit definitief is.



3.14

[naam2] heeft zich naar aanleiding van de gebeurtenissen op 24 juli 2025 ziekgemeld en was ten tijde van de mondelinge behandeling van het hof nog niet hersteld.






4De beoordeling door het hof



De verzoeken in hoger beroep



4.1
Nadat [geïntimeerde] in het verweerschrift terecht had aangevoerd dat het verzoek in hoger beroep van Safety 1st niet aansloot bij de wet, heeft Safety 1st haar verzoeken gewijzigd. Tegen die wijziging heeft [geïntimeerde] weer bezwaar gemaakt, welk bezwaar het hof tijdens de mondelinge behandeling grotendeels heeft gehonoreerd. Het hof heeft de wijziging wel toegestaan voor zover die overeenkomt met hoe [geïntimeerde] de verzoeken van Safety 1st in zijn verweerschrift subsidiair heeft opgevat. Het hof zal, met inachtneming van die beslissing, beslissen op de volgende verzoeken:


dat het hof op grond van artikel 7:658 lid 6 BW een toekomstig tijdstip bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt;


dat het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigt voor zover het betreft de veroordeling van Safety 1st tot betaling van een dwangsom, loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente;


dat het hof [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.





4.2

[geïntimeerde] heeft in voorwaardelijk incidenteel verzocht dat het hof bepaalt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en verzoekt eveneens om een proceskostenveroordeling in hoger beroep.



Het beoordelingskader




4.3
Het hof schetst allereerst het juridische toetsingskader voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De werkgever heeft op grond van artikel 7:677 BW de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Artikel 7:678 BW bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daarvan ook voorbeelden. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.



Onverwijldheid




4.4
Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven en de redenen voor het ontslag ook onverwijld zijn meegedeeld. [geïntimeerde] heeft al bij de kantonrechter betoogd dat het ontslag niet tijdig is gegeven. Dat verweer is door de kantonrechter verworpen. In hoger beroep handhaaft [geïntimeerde] dit verweer. Daarvoor is geen (voorwaardelijk) incidenteel appel nodig, omdat [geïntimeerde] geen andere uitspraak (dictum) wil dan de kantonrechter heeft gedaan.



4.5
Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Volgens [naam3] , die bevoegd was ontslag te verlenen, had [naam2] die bevoegdheid ook en heeft zij [geïntimeerde] op 24 juni 2025 al mondeling aangeven dat hij ontslagen werd. [naam3] – die van [naam2] van de verwikkelingen hoorde – heeft op 25 juni 2025 de ontslagbrief opgesteld en die op 26 juni 2025 aangetekend verzonden. De brief is door [geïntimeerde] op 28 juni 2025 in ontvangst genomen. Het hof is het met de kantonrechter eens dat in dit geval aan de onverwijldheidseis is voldaan.



Dringende reden




4.6

Het hof moet nagaan of de gedragingen die in de ontslagbrief aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd zich hebben voorgedaan.
Vaststaat dat [geïntimeerde] zich op 24 juni 2025 agressief jegens [naam2] heeft gedragen nadat hem was verteld dat [naam1] zou worden ingenomen. Hij heeft zijn vuist naar haar opgeheven wat door [naam2] en meerdere aanwezigen is geïnterpreteerd dat hij haar naar de keel wilde grijpen. Dat hij haar daadwerkelijk bij de keel heeft gegrepen – zoals de advocaat van Safety 1st ter zitting bij het hof heeft verklaard – blijkt echter uit niets. [naam4] heeft hem vervolgens tegen de grond gewerkt. [geïntimeerde] heeft daarvoor niet agressief gehandeld tegen [naam4] . Het onderdeel van de ontslagbrief dat betrekking heeft op [naam4] staat dus niet vast. Uit de overgelegde verklaringen van [naam4] , [naam5] en [naam6] volgt dat [geïntimeerde] na de interventie van [naam4] enige tijd leek te zijn gekalmeerd, maar dat hij daarna weer agressief werd, in zijn auto stapte, weg wilde rijden om “zich hartstikke dood te rijden” en dat hij niet reageerde op waarschuwingen dat hij niet weg kon rijden omdat er andere auto’s rondom geparkeerd stonden. [naam5] heeft verklaard dat, toen zij naar haar auto liep om die te verplaatsen, zij bijna geraakt werd doordat [geïntimeerde] vol gas achteruit reed. Zij heeft verklaard dat [geïntimeerde] dit opzettelijk deed. [naam4] heeft verklaard dat [geïntimeerde] zijn auto ramde toen hij net wilde instappen. Het hof stelt vast dat voldoende vaststaat [geïntimeerde] auto’s van collega’s heeft beschadigd en dat hij, in zijn pogingen om weg te rijden, geen oog had voor collega’s die in de buurt waren en dat die dat interpreteerden als dat hij op hen inreed.




4.7
De gedragingen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, Met uitzondering van de gewelddadige uitbarsting jegens [naam4] staan daarmee ieder zelfstandig, maar ook in onderlinge samenhang, in voldoende mate vast. Naar uiterlijke verschijningsvorm kunnen deze gedragingen gekwalificeerd worden als ernstige bedreiging van collega’s in de zin van artikel 7:678 onder e BW. Ook staat vast dat [geïntimeerde] zich eerder, op 13 mei 2025 agressief tegenover [naam2] had gedragen en dat [naam3] hem daarna – ook mondeling - had gewaarschuwd dat dit gedrag niet werd getolereerd; dat hij de daarvoor ook op schrift gestelde waarschuwing nooit heeft ontvangen, zoals hij heeft aangevoerd, is daarbij minder van belang.



4.8

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij overvallen was door de mededeling dat hij [naam1] moest inleveren, dat hij juist van de bedrijfsarts had gehoord dat hij door mocht met de trainingen met de hond en dat hij in paniek raakte bij het idee dat hij [naam1] moest inleveren. Hij heeft ontkend dat hij opzet had om iemand aan te rijden. Hij heeft ook aangevoerd dat zijn gedragingen hem niet kunnen worden verweten, gelet op zijn psychische aandoeningen.



4.9
Het hof overweegt dat verwijtbaarheid geen eis is voor een geldig ontslag op staande voet. Wel is de mate van verwijtbaarheid een element dat mee weegt in de toetsing van alle relevante omstandigheden die het hof moet maken.



4.10


[geïntimeerde] heeft er bij de kantonrechter de nadruk op gelegd dat de beslissing om [naam1] in te nemen zich niet verdraagt met het oordeel van de bedrijfsarts. De kantonrechter heeft dat, bij gebrek aan tegenspraak door Safety 1st, overgenomen in zijn oordeel. Safety 1st heeft ter zitting voldoende uitgelegd dat zij niet wist wat er die ochtend met de bedrijfsarts was besproken en dat zij, in overeenstemming met de regelgeving, ook nooit een volledig verslag van de besprekingen van de bedrijfsarts krijgt. De bedrijfsarts heeft ook geen oordeel uitgesproken over de wijze waarop [geïntimeerde] met [naam1] omging. Dit is ook niet de expertise van de bedrijfsarts.
De beslissing van Safety 1st om [naam1] terug te halen was primair ingegeven uit bezorgdheid over de situatie van [naam1] . Daarop was [geïntimeerde] in februari 2025 ook al aangesproken. Volgens Safety 1st had zij de beslissing om [naam1] terug te halen uitgesteld vanwege de ziekte van [geïntimeerde] en omdat de hond voor rust bij [geïntimeerde] zorgde. Omdat [naam1] volgens [naam2] steeds verder achteruitging werd de inname van [naam1] volgens Safety 1st onvermijdelijk. Dat [geïntimeerde] de beslissing van de bedrijfsarts dat hij tijdens zijn re-integratie door mocht gaan met werkzaamheden met zijn hond en de beslissing van Safety 1st om [naam1] in te nemen tegenstrijdig vond, acht het hof wel begrijpelijk en dat deze beslissingen beide op dezelfde dag aan hem werden meegedeeld is ongelukkig, maar dat maakt nog niet dat Safety 1st een verwijt valt te maken dat zij de inname van [naam1] op die 24ste juni had gepland. Safety 1st had dit moment van terughalen namelijk welbewust op een training gepland, omdat zij wel voorzag dat het innemen van [naam1] bij [geïntimeerde] slecht zou vallen en zij dacht dat dat het innemen op de training beter zou zijn dan het bij [geïntimeerde] thuis ophalen van [naam1] , waarbij ook de explosieve reactie van [geïntimeerde] op 13 mei 2025 een rol speelde.




4.11
Het hof acht verder van belang dat op z’n minst grote twijfels geplaatst kunnen worden bij de geschiktheid van [geïntimeerde] voor de functie van beveiliger/hondengeleider. [geïntimeerde] heeft er zelf op gewezen dat door de bedrijfsarts is vastgesteld dat het hanteren van eigen emoties in conflictsituaties voor hem beperkt mogelijk is. De politie heeft zijn beveiligingspas ook ingetrokken, waardoor [geïntimeerde] niet langer als beveiliger werkzaam kan zijn. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat terugkeer bij Safety 1st is uitgesloten, maar dat hij belang heeft bij re-integratie in het tweede spoor (dus bij een andere werkgever) waarvoor Safety 1st zorg zou moeten dragen.



4.12
Het hof acht, alles afwegende, de verminderde verwijtbaarheid van [geïntimeerde] wegens zijn psychische gesteldheid en het, uitsluitend in begeleiding in het tweede spoor gelegen belang van [geïntimeerde] bij voorzetting van zijn arbeidsovereenkomst niet van dien aard dat zijn gedragingen op 24 juni 2024 niet als dringende reden kunnen gekwalificeerd en dat die dringende reden het ontslag op staande voet niet kan dragen. [geïntimeerde] kan na het einde van zijn dienstverband bij Safety 1st terugvallen op zijn Wajong uitkering en op de begeleiding vanuit het UWV om een andere passende betrekking te vinden.



4.13
In zoverre zijn de bezwaren van Safety 1st tegen het oordeel van de kantonrechter terecht.



De verdere beoordeling van de verzoeken




4.14

Omdat het hof, anders dan de kantonrechter, wel een dringende reden aanwezig acht, zal het hof het verzoek om alsnog een datum voor het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen toewijzen en bepalen dat de arbeidsovereenkomst eindigt één dag na de datum van deze beschikking.
Tot die datum is dus sprake van een geldige arbeidsovereenkomst en is Safety 1st gehouden tot doorbetaling van het loon, waarbij het hof nog opmerkt dat Safety 1st heeft aangevoerd dat zij een verzuimverzekering had afgesloten, waardoor deze doorbetaling niet in volle omvang op haar drukt. Het hof zal de door de kantonrechter opgenomen veroordeling om op straffe van een dwangsom [geïntimeerde] toe te laten tot het werk vernietigen en bepalen dat de wettelijke verhoging op nihil wordt gesteld.




4.15

[geïntimeerde] heeft, ingeval de arbeidsovereenkomst alsnog wordt beëindigd, aanspraak gemaakt op de transitievergoeding. Het hof zal de transitievergoeding toekennen omdat, gelet op de psychische aandoeningen van [geïntimeerde] , geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] bij de gebeurtenissen op 24 juni 2025. De transitievergoeding moet berekend worden over de periode tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst alsnog eindigt.



4.16
Gelet op deze uitkomst geldt [geïntimeerde] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal de proceskostenveroordeling van de kantonrechter vernietigen en bepalen dat [geïntimeerde] de kosten van die procedure moet dragen – zij het dat de kosten van Safety 1st worden begroot op nihil – evenals de kosten van de procedure in hoger beroep. Die laatste worden begroot op het van Safety 1st geheven griffierecht en op een vergoeding voor haar advocaatkosten conform het liquidatietarief. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.





5De beslissing


Het hof:



5.1
bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en Safety 1st eindigt één dag na de datum van dagtekening van deze beschikking;



5.2
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter te Leeuwarden van 24 oktober 2025, voor zover het betreft de beslissingen onder 5.3 en vernietigt deze beschikking zover het betreft de beslissingen onder 5.2, 5.4, 5.5. 5.6 en 5.7 en in zoverre opnieuw rechtdoende:



5.3
bepaalt dat de wettelijke verhoging over het aan [geïntimeerde] vanaf 24 juni 2025 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst verschuldigde loon wordt gesteld op nihil;



5.4
veroordeelt Safety 1st tot betaling van de transitievergoeding berekend over de periode van indiensttreding tot het einde van de arbeidsovereenkomst;



5.5
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure bij de kantonrechter en bij het hof, aan de zijde van Safety 1st begroot op nihil voor de procedure bij de kantonrechter en op € 851,- aan verschotten en op € 2.580,- aan salaris advocaat (twee punten naar tarief II van het liquidatietarief) voor de procedure in hoger beroep;



5.6
verklaart de in deze beschikking opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



5.7
wijst af wat verder is verzocht.


Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, O.E. Mulder en A. Elgersma en is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.




HR 29 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7282 en HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853