Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4834
2026-07-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.357.505
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gerechtelijke vaststelling vaderschap en kinderalimentatie Tussenbeschikking: het hof gelast een rechtsgeldig DNA-onderzoek door een deskundige naar de vraag of de man de verwekker is van de minderjarige.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.525 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.505
(zaaknummer rechtbank Gelderland 416981)
beschikking van 23 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]
(de man),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. van den Berg,
en
[verweerster]
(de vrouw),
wonende op een bij het hof bekend adres,
en in de zaak over de kinderalimentatie wordt vertegenwoordigd door:
RegioBalans B.V. (RegioBalans),
die is gevestigd in Arnhem,
in de hoedanigheid van bewindvoerder van de vrouw,
advocaat: mr. B. Anik.
Belanghebbende in de zaak over de afstamming is:
mr. [belanghebbende] (de bijzondere curator),
die kantoor houdt in [plaats] .
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 april 2023, 16 januari 2024 en 14 mei 2025 (hersteld in een beschikking van 13 juni 2025), uitgesproken onder het zaaknummer 416981. De beschikking van 14 mei 2025 (hersteld in een beschikking van 13 juni 2025) wordt ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
2De procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift, ingediend op 25 juli 2025, met producties;
het verweerschrift met producties;
berichten namens de vrouw, ingediend op 22 januari 2026, 12 februari, 11 mei 2026;
berichten namens de man, ingediend op 8 augustus 2025, 6 februari 2026, 11 februari 2026, 23 maart 2026, 10 april 2026, 2 juni 2026, 11 juni 2026;
berichten van de bijzondere curator, ingediend op 17 juni 2026, 25 juni 2026 en 1 juli 2026;
berichten van RegioBalans van 26 juni 2026 en 8 juli 2026.
2.2
De (regie)zitting bij het hof was op 9 juli 2026. Aanwezig waren:
de man met zijn advocaat;
namens de vrouw haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
De bijzondere curator heeft het hof van te voren laten weten dat zij niet zou komen.
3De feiten
3.1
De vrouw is de moeder van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2009.
3.2
Op 23 maart 2023 heeft de vrouw de rechtbank verzocht vast te stellen dat de man de wettelijke vader is van [de minderjarige] en dat de man met ingang van 10 februari 2023, dan wel met ingang van de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, dan wel met ingang van een andere datum die de rechtbank juist acht, aan haar als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (verder: kinderalimentatie) € 350,- per maand moet betalen.
3.3
In de beschikking van 25 april 2023 heeft de rechtbank mr. [belanghebbende] , advocaat in [plaats] , op grond van artikel 1:212 Burgerlijk Wetboek (BW) benoemd tot bijzondere curator van [de minderjarige] .
3.4
In de beschikking van 16 januari 2024 heeft de rechtbank, kort weergegeven en voor zover hier van belang:
een DNA-onderzoek gelast door een deskundige naar de vraag of de man de verwekker is van [de minderjarige] ;
tot deskundige benoemd dr. [naam1] , werkzaam bij het [het ziekenhuis] (verder: [het ziekenhuis] ) in [vestigingsplaats] , en
verder iedere beslissing aangehouden.
3.5
De man heeft geen gevolg gegeven aan de uitnodiging van de deskundige om mee te werken aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek.
3.6
In een beschikking van 24 juli 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de goederen die (zullen) toebehoren aan de vrouw onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand en een bewindvoerder benoemd.
3.7
In een beschikking van 13 augustus 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, met ingang van 16 september 2025 RegioBalans benoemd tot opvolgend bewindvoerder.
4Het geschil
4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
het vaderschap van de man over [de minderjarige] vastgesteld;
de bijzondere curator ontslagen van haar taak als bijzondere curator;
bepaald dat de man met ingang van 10 februari 2023 aan de vrouw als kinderalimentatie een bedrag van € 350,- per maand moet betalen, en
de man veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek tot een bedrag van € 730,-, inclusief BTW, voor zover er niet uitgevoerde kosten ter zake een te houden DNA-onderzoek door de deskundige zijn gemaakt, welk bedrag de man dient te betalen aan het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak.
4.2
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op het vaderschap van de man over [de minderjarige] , op de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] en op de veroordeling van de man in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en:
primair de verzoeken van de vrouw alsnog af te wijzen;
subsidiair te bepalen dat de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil wordt vastgesteld dan wel op een lager bedrag met ingang van een datum die het hof juist acht, te bepalen dat de kosten van het DNA-onderzoek geheel door de vrouw worden gedragen dan wel bij helfte tussen partijen worden gedeeld, de vrouw te veroordelen tot medewerking aan een DNA-onderzoek op grond waarvan kan worden onderzocht of de man inderdaad de biologische vader is van [de minderjarige] .
4.3
In een bericht van 23 maart 2026 heeft de man zijn verzoeken aangevuld, in die zin dat de man het hof verzoekt, voordat wordt beslist op de (overige) aan het hof voorliggende verzoeken:
[het ziekenhuis] , dan wel een andere soortgelijke instantie, te benoemen tot deskundige om een rechtsgeldig DNA-onderzoek uit te voeren en schriftelijk bericht uit te brengen, ter beantwoording van de vraag of de man de biologische vader is van [de minderjarige] ;
de deskundige te verzoeken het hiervoor bevolen onderzoek uit te voeren en daartoe al datgene te doen dat hij nuttig en nodig oordeelt;
te bepalen dat partijen alle door de deskundige gewenste medewerking aan dit onderzoek dienen verlenen;
te bepalen dat de vrouw gehouden wordt tot betaling van de kosten van dit DNA-onderzoek;
dan wel een dusdanige voorlopige beslissing te nemen die het hof geboden acht.
4.4
De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de man af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in alle proceskosten van het geding.
5De overwegingen voor de beslissing
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:207 BW kan de rechtbank op verzoek van de moeder het ouderschap van een persoon vaststellen op de grond dat deze de verwekker is van het kind, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Het verzoek wordt door de moeder ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.
Ontvankelijkheid
5.2 Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De vrouw heeft het verzoek ingediend binnen vijf jaar, nadat zij voor het eerst ermee bekend is geworden dat de man vermoedelijk de biologische vader is van [de minderjarige] en [de minderjarige] was op dat moment nog geen zestien jaar oud. De ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is ook niet in geschil.
DNA-onderzoek: de standpunten
5.3
De man en de vrouw zijn het er niet over eens of er een DNA-onderzoek moet plaatsvinden naar de vraag of de man de verwekker is van [de minderjarige] .
5.4
De vrouw vindt het niet nodig dat er een DNA-onderzoek plaatsvindt en zij is niet bereid om (een deel van) de kosten van een dergelijk onderzoek te betalen. Zij voert onder meer aan dat ze weet dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , dat ze geen financiële ruimte heeft om bij te dragen in de kosten van een DNA-onderzoek en dat ze tot nu toe steeds heeft meegewerkt, zonder dat dit enig resultaat heeft gehad. De vrouw is het in zoverre eens met het voorstel van de man dat hij de volledige kosten van het DNA-onderzoek betaalt als uit het onderzoek blijkt dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] .
5.5
De man vindt het noodzakelijk dat er een DNA-onderzoek plaatsvindt. Hij wil zeker weten of hij de biologische vader is van [de minderjarige] , helemaal omdat de vrouw in eerste instantie had gezegd dat een andere man de biologische vader is van [de minderjarige] . Als uit het DNA-onderzoek blijkt dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] , is hij bereid om de volledige kosten van het onderzoek te betalen. Als blijkt dat hij niet de biologische vader is, wil hij dat de vrouw de volledige kosten betaalt.
5.6
De bijzondere curator, van wie de taak door het instellen van het hoger beroep door de vader herleeft, heeft het hof schriftelijk laten weten dat zij van mening is dat het in het belang van [de minderjarige] is dat er duidelijkheid komt over haar afstamming en dat daarom een DNA-onderzoek moet plaatsvinden.
5.7
Ook de raad vindt dat er een DNA-onderzoek moet plaatsvinden, om duidelijkheid te verkrijgen over de afstamming van [de minderjarige] . In het verleden werd namelijk gedacht dat een andere man de biologische vader was van [de minderjarige] . Het is belangrijk dat iedere twijfel wordt weggenomen.
DNA-onderzoek: het oordeel van het hof
5.8
Het hof overweegt als volgt. De meest gangbare manier om het verwekkerschap vast te stellen, is met een DNA-onderzoek. De rechter kan een dergelijk onderzoek gelasten als er voldoende feiten en omstandigheden aanwezig zijn die het aannemelijk maken dat de betreffende man de verwekker van het kind kan zijn. Naar het oordeel van het hof is dat hier het geval en zou de man de verwekker van [de minderjarige] kunnen zijn, daarover zijn partijen het ook eens. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat een DNA-onderzoek plaatsvindt om vast te stellen of de man haar biologische vader is. Dit nu [de minderjarige] en de vrouw lange tijd hebben gedacht dat een andere man, genaamd [naam2] , haar biologische vader was. Het hof is met de raad van oordeel dat er nu zoveel als mogelijk duidelijkheid dient te komen. Omdat het de man en de vrouw niet is gelukt om onderling afspraken te maken over het uitvoeren van een DNA-onderzoek, zal het hof een DNA-onderzoek gelasten.
5.9
Het hof zal dr. [naam1] , [functie] , dan wel zijn vervang(st)er, verbonden aan [het ziekenhuis] , benoemen als deskundige en bepalen dat het deskundigenbericht uiterlijk 23 oktober 2026 moet zijn toegestuurd aan de griffie van het hof. De vrouw moet het mogelijk maken dat bij [de minderjarige] DNA kan worden afgenomen door [het ziekenhuis] .
5.10
Uit ambtshalve door het hof ingewonnen informatie blijkt dat de kosten van het DNA-onderzoek in beginsel € 658,- (inclusief btw) bedragen. Het hof zal bepalen dat de kosten van het onderzoek voorlopig ten laste van de Staat komen. Het hof zal in de eindbeschikking definitief over de kosten beslissen. Bij de beslissing over wie de kosten uiteindelijk zal moeten betalen, zullen onder meer de verdere gang van zaken en de uitkomst van het DNA-onderzoek een rol spelen.
5.11
De man en de vrouw – namens [de minderjarige] - moeten binnen vier weken na deze beschikking een afspraak maken met de deskundige voor het DNA-onderzoek.
5.12
De deskundige kan zich – door tussenkomst van de griffie – met vragen en opmerkingen wenden tot een raadsheer-commissaris.
5.13
Het hof wijst erop dat de man en de vrouw op grond van artikel 190 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht zijn om aan het DNA-onderzoek mee te werken. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht.
Kinderalimentatie
5.14
Omdat de goederen van de vrouw onder bewind zijn gesteld, vertegenwoordigt de bewindvoerder op grond van artikel 1:441 BW bij de vervulling van zijn taak de vrouw in en buiten rechte. Dit betekent dat de bewindvoerder de formele procespartij is in een procedure die de onder bewind gestelde goederen van de vrouw betreft. Dit is het geval in de procedure over de kinderalimentatie. In het inleidend verzoekschrift en in het verweerschrift in hoger beroep is de bewindvoerder niet bij naam aangemerkt als formele procespartij. De advocaat van de vrouw heeft op de zitting bij het hof echter desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat zij de procedure bij de rechtbank is begonnen in opdracht van de bewindvoerder, dat zij in die procedure heeft opgetreden namens de bewindvoerder en dat zij ook in de procedure in hoger beroep optreedt namens de bewindvoerder, zodat het hof daarvan uitgaat.
Verdere gang van zaken
5.15
Het hof zal verder iedere beslissing aanhouden in afwachting van uitkomst van het DNA-onderzoek en het deskundigenbericht. Nadat het deskundigenbericht op de griffie is binnengekomen, zullen de man, de vrouw en de bijzondere curator in de gelegenheid worden gesteld hun mening over het deskundigenbericht en de wenselijk geachte voortgang van de procedure schriftelijk aan het hof kenbaar te maken.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
gelast een rechtsgeldig DNA-onderzoek door een deskundige naar de vraag of [verzoeker] , geboren [in] 1988, de verwekker is van [de minderjarige] , geboren [in] 2009;
bepaalt dat daartoe het DNA-materiaal van de man en [de minderjarige] wordt onderzocht;
beveelt de man, de vrouw en [de minderjarige] om hun medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek;
benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten en daarover schriftelijk te berichten: dr. [naam1] , [functie] , dan wel zijn vervang(st)er, verbonden aan het [het ziekenhuis] te [vestigingsplaats] ( [afdeling] , [straatnaam] , [postcode] in [vestigingsplaats] , [telefoonnummer] , [e-mailadres] );
bepaalt dat de man en de vrouw – namens en ten behoeve van [de minderjarige] - binnen vier weken na deze beschikking een afspraak maken met de deskundige voor het DNA-onderzoek;
begroot het voorschot van de kosten van het DNA-onderzoek op € 658,- (inclusief btw);
bepaalt dat het voorschot van de kosten van het DNA-onderzoek voorlopig ten laste van de Staat wordt gebracht;
bepaalt dat in de eindbeslissing definitief over de kosten van het DNA-onderzoek zal worden beslist;
bepaalt dat de plaats en het tijdstip van het onderzoek zal worden vastgesteld door de
deskundige in overleg met de man en de vrouw;
bepaalt dat de deskundige zich – door tussenkomst van de griffie – met vragen en opmerkingen kan wenden tot mr. D.J.M. van de Voort, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;
bepaalt dat de deskundige het ondertekende deskundigenbericht, met vermelding van de kosten van het deskundigenonderzoek, uiterlijk 23 oktober 2026 toestuurt aan de griffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem);
draagt de griffier op een afschrift van het deskundigenbericht toe te zenden aan de advocaten, de bijzondere curator en de raad;
bepaalt dat de man, de vrouw en de bijzondere curator in de gelegenheid zullen worden gesteld hun mening over het deskundigenbericht en de wenselijk geachte voortgang van de procedure schriftelijk aan het hof kenbaar te maken;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:212 BW, versie 1 januari 2026.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.505
(zaaknummer rechtbank Gelderland 416981)
beschikking van 23 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]
(de man),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. van den Berg,
en
[verweerster]
(de vrouw),
wonende op een bij het hof bekend adres,
en in de zaak over de kinderalimentatie wordt vertegenwoordigd door:
RegioBalans B.V. (RegioBalans),
die is gevestigd in Arnhem,
in de hoedanigheid van bewindvoerder van de vrouw,
advocaat: mr. B. Anik.
Belanghebbende in de zaak over de afstamming is:
mr. [belanghebbende] (de bijzondere curator),
die kantoor houdt in [plaats] .
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 april 2023, 16 januari 2024 en 14 mei 2025 (hersteld in een beschikking van 13 juni 2025), uitgesproken onder het zaaknummer 416981. De beschikking van 14 mei 2025 (hersteld in een beschikking van 13 juni 2025) wordt ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
2De procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift, ingediend op 25 juli 2025, met producties;
het verweerschrift met producties;
berichten namens de vrouw, ingediend op 22 januari 2026, 12 februari, 11 mei 2026;
berichten namens de man, ingediend op 8 augustus 2025, 6 februari 2026, 11 februari 2026, 23 maart 2026, 10 april 2026, 2 juni 2026, 11 juni 2026;
berichten van de bijzondere curator, ingediend op 17 juni 2026, 25 juni 2026 en 1 juli 2026;
berichten van RegioBalans van 26 juni 2026 en 8 juli 2026.
2.2
De (regie)zitting bij het hof was op 9 juli 2026. Aanwezig waren:
de man met zijn advocaat;
namens de vrouw haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
De bijzondere curator heeft het hof van te voren laten weten dat zij niet zou komen.
3De feiten
3.1
De vrouw is de moeder van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2009.
3.2
Op 23 maart 2023 heeft de vrouw de rechtbank verzocht vast te stellen dat de man de wettelijke vader is van [de minderjarige] en dat de man met ingang van 10 februari 2023, dan wel met ingang van de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, dan wel met ingang van een andere datum die de rechtbank juist acht, aan haar als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (verder: kinderalimentatie) € 350,- per maand moet betalen.
3.3
In de beschikking van 25 april 2023 heeft de rechtbank mr. [belanghebbende] , advocaat in [plaats] , op grond van artikel 1:212 Burgerlijk Wetboek (BW) benoemd tot bijzondere curator van [de minderjarige] .
3.4
In de beschikking van 16 januari 2024 heeft de rechtbank, kort weergegeven en voor zover hier van belang:
een DNA-onderzoek gelast door een deskundige naar de vraag of de man de verwekker is van [de minderjarige] ;
tot deskundige benoemd dr. [naam1] , werkzaam bij het [het ziekenhuis] (verder: [het ziekenhuis] ) in [vestigingsplaats] , en
verder iedere beslissing aangehouden.
3.5
De man heeft geen gevolg gegeven aan de uitnodiging van de deskundige om mee te werken aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek.
3.6
In een beschikking van 24 juli 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de goederen die (zullen) toebehoren aan de vrouw onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand en een bewindvoerder benoemd.
3.7
In een beschikking van 13 augustus 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, met ingang van 16 september 2025 RegioBalans benoemd tot opvolgend bewindvoerder.
4Het geschil
4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
het vaderschap van de man over [de minderjarige] vastgesteld;
de bijzondere curator ontslagen van haar taak als bijzondere curator;
bepaald dat de man met ingang van 10 februari 2023 aan de vrouw als kinderalimentatie een bedrag van € 350,- per maand moet betalen, en
de man veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek tot een bedrag van € 730,-, inclusief BTW, voor zover er niet uitgevoerde kosten ter zake een te houden DNA-onderzoek door de deskundige zijn gemaakt, welk bedrag de man dient te betalen aan het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak.
4.2
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op het vaderschap van de man over [de minderjarige] , op de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] en op de veroordeling van de man in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en:
primair de verzoeken van de vrouw alsnog af te wijzen;
subsidiair te bepalen dat de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil wordt vastgesteld dan wel op een lager bedrag met ingang van een datum die het hof juist acht, te bepalen dat de kosten van het DNA-onderzoek geheel door de vrouw worden gedragen dan wel bij helfte tussen partijen worden gedeeld, de vrouw te veroordelen tot medewerking aan een DNA-onderzoek op grond waarvan kan worden onderzocht of de man inderdaad de biologische vader is van [de minderjarige] .
4.3
In een bericht van 23 maart 2026 heeft de man zijn verzoeken aangevuld, in die zin dat de man het hof verzoekt, voordat wordt beslist op de (overige) aan het hof voorliggende verzoeken:
[het ziekenhuis] , dan wel een andere soortgelijke instantie, te benoemen tot deskundige om een rechtsgeldig DNA-onderzoek uit te voeren en schriftelijk bericht uit te brengen, ter beantwoording van de vraag of de man de biologische vader is van [de minderjarige] ;
de deskundige te verzoeken het hiervoor bevolen onderzoek uit te voeren en daartoe al datgene te doen dat hij nuttig en nodig oordeelt;
te bepalen dat partijen alle door de deskundige gewenste medewerking aan dit onderzoek dienen verlenen;
te bepalen dat de vrouw gehouden wordt tot betaling van de kosten van dit DNA-onderzoek;
dan wel een dusdanige voorlopige beslissing te nemen die het hof geboden acht.
4.4
De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de man af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in alle proceskosten van het geding.
5De overwegingen voor de beslissing
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:207 BW kan de rechtbank op verzoek van de moeder het ouderschap van een persoon vaststellen op de grond dat deze de verwekker is van het kind, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Het verzoek wordt door de moeder ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.
Ontvankelijkheid
5.2 Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De vrouw heeft het verzoek ingediend binnen vijf jaar, nadat zij voor het eerst ermee bekend is geworden dat de man vermoedelijk de biologische vader is van [de minderjarige] en [de minderjarige] was op dat moment nog geen zestien jaar oud. De ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is ook niet in geschil.
DNA-onderzoek: de standpunten
5.3
De man en de vrouw zijn het er niet over eens of er een DNA-onderzoek moet plaatsvinden naar de vraag of de man de verwekker is van [de minderjarige] .
5.4
De vrouw vindt het niet nodig dat er een DNA-onderzoek plaatsvindt en zij is niet bereid om (een deel van) de kosten van een dergelijk onderzoek te betalen. Zij voert onder meer aan dat ze weet dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , dat ze geen financiële ruimte heeft om bij te dragen in de kosten van een DNA-onderzoek en dat ze tot nu toe steeds heeft meegewerkt, zonder dat dit enig resultaat heeft gehad. De vrouw is het in zoverre eens met het voorstel van de man dat hij de volledige kosten van het DNA-onderzoek betaalt als uit het onderzoek blijkt dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] .
5.5
De man vindt het noodzakelijk dat er een DNA-onderzoek plaatsvindt. Hij wil zeker weten of hij de biologische vader is van [de minderjarige] , helemaal omdat de vrouw in eerste instantie had gezegd dat een andere man de biologische vader is van [de minderjarige] . Als uit het DNA-onderzoek blijkt dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] , is hij bereid om de volledige kosten van het onderzoek te betalen. Als blijkt dat hij niet de biologische vader is, wil hij dat de vrouw de volledige kosten betaalt.
5.6
De bijzondere curator, van wie de taak door het instellen van het hoger beroep door de vader herleeft, heeft het hof schriftelijk laten weten dat zij van mening is dat het in het belang van [de minderjarige] is dat er duidelijkheid komt over haar afstamming en dat daarom een DNA-onderzoek moet plaatsvinden.
5.7
Ook de raad vindt dat er een DNA-onderzoek moet plaatsvinden, om duidelijkheid te verkrijgen over de afstamming van [de minderjarige] . In het verleden werd namelijk gedacht dat een andere man de biologische vader was van [de minderjarige] . Het is belangrijk dat iedere twijfel wordt weggenomen.
DNA-onderzoek: het oordeel van het hof
5.8
Het hof overweegt als volgt. De meest gangbare manier om het verwekkerschap vast te stellen, is met een DNA-onderzoek. De rechter kan een dergelijk onderzoek gelasten als er voldoende feiten en omstandigheden aanwezig zijn die het aannemelijk maken dat de betreffende man de verwekker van het kind kan zijn. Naar het oordeel van het hof is dat hier het geval en zou de man de verwekker van [de minderjarige] kunnen zijn, daarover zijn partijen het ook eens. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat een DNA-onderzoek plaatsvindt om vast te stellen of de man haar biologische vader is. Dit nu [de minderjarige] en de vrouw lange tijd hebben gedacht dat een andere man, genaamd [naam2] , haar biologische vader was. Het hof is met de raad van oordeel dat er nu zoveel als mogelijk duidelijkheid dient te komen. Omdat het de man en de vrouw niet is gelukt om onderling afspraken te maken over het uitvoeren van een DNA-onderzoek, zal het hof een DNA-onderzoek gelasten.
5.9
Het hof zal dr. [naam1] , [functie] , dan wel zijn vervang(st)er, verbonden aan [het ziekenhuis] , benoemen als deskundige en bepalen dat het deskundigenbericht uiterlijk 23 oktober 2026 moet zijn toegestuurd aan de griffie van het hof. De vrouw moet het mogelijk maken dat bij [de minderjarige] DNA kan worden afgenomen door [het ziekenhuis] .
5.10
Uit ambtshalve door het hof ingewonnen informatie blijkt dat de kosten van het DNA-onderzoek in beginsel € 658,- (inclusief btw) bedragen. Het hof zal bepalen dat de kosten van het onderzoek voorlopig ten laste van de Staat komen. Het hof zal in de eindbeschikking definitief over de kosten beslissen. Bij de beslissing over wie de kosten uiteindelijk zal moeten betalen, zullen onder meer de verdere gang van zaken en de uitkomst van het DNA-onderzoek een rol spelen.
5.11
De man en de vrouw – namens [de minderjarige] - moeten binnen vier weken na deze beschikking een afspraak maken met de deskundige voor het DNA-onderzoek.
5.12
De deskundige kan zich – door tussenkomst van de griffie – met vragen en opmerkingen wenden tot een raadsheer-commissaris.
5.13
Het hof wijst erop dat de man en de vrouw op grond van artikel 190 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht zijn om aan het DNA-onderzoek mee te werken. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht.
Kinderalimentatie
5.14
Omdat de goederen van de vrouw onder bewind zijn gesteld, vertegenwoordigt de bewindvoerder op grond van artikel 1:441 BW bij de vervulling van zijn taak de vrouw in en buiten rechte. Dit betekent dat de bewindvoerder de formele procespartij is in een procedure die de onder bewind gestelde goederen van de vrouw betreft. Dit is het geval in de procedure over de kinderalimentatie. In het inleidend verzoekschrift en in het verweerschrift in hoger beroep is de bewindvoerder niet bij naam aangemerkt als formele procespartij. De advocaat van de vrouw heeft op de zitting bij het hof echter desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat zij de procedure bij de rechtbank is begonnen in opdracht van de bewindvoerder, dat zij in die procedure heeft opgetreden namens de bewindvoerder en dat zij ook in de procedure in hoger beroep optreedt namens de bewindvoerder, zodat het hof daarvan uitgaat.
Verdere gang van zaken
5.15
Het hof zal verder iedere beslissing aanhouden in afwachting van uitkomst van het DNA-onderzoek en het deskundigenbericht. Nadat het deskundigenbericht op de griffie is binnengekomen, zullen de man, de vrouw en de bijzondere curator in de gelegenheid worden gesteld hun mening over het deskundigenbericht en de wenselijk geachte voortgang van de procedure schriftelijk aan het hof kenbaar te maken.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
gelast een rechtsgeldig DNA-onderzoek door een deskundige naar de vraag of [verzoeker] , geboren [in] 1988, de verwekker is van [de minderjarige] , geboren [in] 2009;
bepaalt dat daartoe het DNA-materiaal van de man en [de minderjarige] wordt onderzocht;
beveelt de man, de vrouw en [de minderjarige] om hun medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek;
benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten en daarover schriftelijk te berichten: dr. [naam1] , [functie] , dan wel zijn vervang(st)er, verbonden aan het [het ziekenhuis] te [vestigingsplaats] ( [afdeling] , [straatnaam] , [postcode] in [vestigingsplaats] , [telefoonnummer] , [e-mailadres] );
bepaalt dat de man en de vrouw – namens en ten behoeve van [de minderjarige] - binnen vier weken na deze beschikking een afspraak maken met de deskundige voor het DNA-onderzoek;
begroot het voorschot van de kosten van het DNA-onderzoek op € 658,- (inclusief btw);
bepaalt dat het voorschot van de kosten van het DNA-onderzoek voorlopig ten laste van de Staat wordt gebracht;
bepaalt dat in de eindbeslissing definitief over de kosten van het DNA-onderzoek zal worden beslist;
bepaalt dat de plaats en het tijdstip van het onderzoek zal worden vastgesteld door de
deskundige in overleg met de man en de vrouw;
bepaalt dat de deskundige zich – door tussenkomst van de griffie – met vragen en opmerkingen kan wenden tot mr. D.J.M. van de Voort, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;
bepaalt dat de deskundige het ondertekende deskundigenbericht, met vermelding van de kosten van het deskundigenonderzoek, uiterlijk 23 oktober 2026 toestuurt aan de griffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem);
draagt de griffier op een afschrift van het deskundigenbericht toe te zenden aan de advocaten, de bijzondere curator en de raad;
bepaalt dat de man, de vrouw en de bijzondere curator in de gelegenheid zullen worden gesteld hun mening over het deskundigenbericht en de wenselijk geachte voortgang van de procedure schriftelijk aan het hof kenbaar te maken;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:212 BW, versie 1 januari 2026.