Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4667

2026-07-15 Strafrecht 21-005065-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-005065-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Veroordeling voor mishandeling (feit 1 subsidiair) en bedreiging met zware mishandeling (feit 2) tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 101 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarde geldt een contact- en locatieverbod ten aanzien van het slachtoffer. Daarnaast moet verdachte een taakstraf uitvoeren van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis. Ook moet verdachte de benadeelde partij een schadevergoeding van € 2.500,00 betalen, bestaande uit immateriële schade. Het hof komt op basis van de wettige bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte het slachtoffer heeft mishandeld (feit 1 subsidiair) en bedreigd met zware mishandeling (feit 2). Bovendien heeft verdachte bekend het slachtoffer te hebben bedreigd met zware mishandeling. Naar het oordeel van het hof kan poging zware mishandeling (feit 1 primair) niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu uit de wettige bewijsmiddelen onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.404 tekens)
Afdeling strafrecht


Parketnummer: 21-005065-24
Uitspraakdatum: 15 juli 2026
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 21 november 2024 met parketnummer 18-251501-24 in de strafzaak tegen




[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .



Hoger beroep



Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.



Onderzoek van de zaak



Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 1 juli 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.


Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 101 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.


Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, hebben aangevoerd.



Het vonnis



De rechtbank heeft bij bovengenoemd vonnis het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezenverklaard. Hierbij gaat het om mishandeling en bedreiging met zware mishandeling. De rechtbank heeft verdachte hiervoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr. Daarbij heeft de rechtbank de gedragsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr opgelegd, in de vorm van een dadelijk uitvoerbaar contact- en locatieverbod.


Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.



Tenlastelegging



Op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 2 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voorgenoemde [slachtoffer] :
- meermaals en gedurende enige tijd bij de mond en/of de neus, althans het hoofd, en/of de nek en/of het lichaam heeft gepakt en/of vastgehouden en/of op voorgenoemde [slachtoffer] is gaan zitten en/of
- ( vervolgens) meermaals en gedurende enige tijd haar keel en/of mond en/of neus heeft dichtgeknepen en/of met zijn hand heeft bedekt, waardoor voorgenoemde [slachtoffer] (telkens) geen lucht meer kreeg en/of
- ( meermaals) heeft geduwd en/of
- ( meermaals) heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
1. subsidiair
hij op of omstreeks 2 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door
- haar meermaals en gedurende enige tijd bij de mond en/of de neus, althans het hoofd en/of de nek en/of het lichaam te pakken en/of vast te houden en/of op haar is gaan zitten en/of vervolgens
- meermaals en gedurende enige tijd haar keel en/of mond en/of neus dicht te knijpen en/of met zijn hand te bedekken, waardoor zij (telkens) geen lucht meer kreeg en/of
- ( meermaals) te duwen en/of
- ( meermaals te bijten

2.hij op of omstreeks 2 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (terwijl hij, verdachte, voor de voordeur van voorgenoemde [slachtoffer] staat) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ok, als jij belt, ga ik jou zo vinden. Dus dan moet je je hele leven lang achter je rug gaan bekijken want ik ga je tanden uit je bek dan slaan. Wil je dat? Wil je dat. Wil je dat? Ok, Is goed.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.



Bewijsoverweging




Standpunt van het Openbaar Ministerie



De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal zich meer in het bijzonder op het standpunt gesteld dat het niet in overwegende mate van belang is wat de duur van het dichtknijpen van de keel is geweest, zoals de rechtbank overweegt, maar dat de plaats van het dichtknijpen zorgt voor gevaarzetting en daarmee de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept. En dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.



Standpunt van de verdediging



De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde. Ook heeft de raadsman vrijspraak bepleit ten aanzien van een aantal handelingen onder het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten het vastpakken/vasthouden van het lichaam van [slachtoffer] , het op [slachtoffer] gaan zitten en het dichtknijpen van de mond, de neus en de keel van [slachtoffer] . Deze handelingen stroken volgens de verdediging niet met de letselverklaring en verdachte ontkent deze handelingen. Verdachte heeft ten aanzien van feit 1 duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij zijn hand voor de mond van aangeefster heeft gehouden en haar in de neus heeft gebeten.
Verder heeft verdachte het ten laste gelegde onder 2 duidelijk en ondubbelzinnig bekend. Ten aanzien van dit feit heeft de raadsman van verdachte geen verweer gevoerd.



Oordeel van het hof




Vrijspraak voor poging zware mishandeling

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.


Het hof acht niet bewezen dat verdachte heeft gepoogd aangeefster zwaar te mishandelen. Uit de verklaringen van aangeefster, de getuigenverklaringen en de letselrapportage van de GGD kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat verdachte aangeefster bij de keel heeft vastgehouden en/of de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. Dit betreft de luchtwegen, een kwetsbare plek. Door het vasthouden en/of dichtknijpen van deze kwetsbare plek is in beginsel de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Desalniettemin bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat verdachte haar bij haar neus, mond en keel greep maar dat zijn grip ook meermalen verslapt op het moment dat aangeefster moeite had met ademen. Daarbij is niet goed vast te stellen hoe lang verdachte de keel heeft dichtgeknepen. Daardoor heeft het hof niet de overtuiging dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Naar het oordeel van het hof kan daarom poging zware mishandeling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.



Mishandeling en bedreiging met zware mishandeling

Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij op 2 augustus 2024 naar de woning van aangeefster, [slachtoffer] (hierna: aangeefster), is gegaan. En dat hij haar voor de deur heeft bedreigd met zware mishandeling door tegen haar te zeggen: “Ok, als jij belt, ga ik jou zo vinden. Dus dan moet je je hele leven lang achter je rug gaan bekijken want ik ga je tanden uit je bek dan slaan. Wil je dat? Wil je dat. Wil je dat? Ok, Is goed.” Verder heeft verdachte verklaard dat hij bij het huis van aangeefster naar binnen is gegaan en dat aangeefster plots begon te schreeuwen. Verdachte heeft vervolgens zijn hand voor haar mond gehouden, waarna een worsteling ontstond tussen hem en aangeefster.
Aangeefster heeft verklaard dat in de tijd dat verdachte bij haar was, hij haar tijdens de worsteling heeft geduwd, stevig vasthield en haar in de neus heeft gebeten. Vervolgens heeft verdachte haar op haar bed gegooid en is boven op haar gaan zitten, terwijl hij zijn hand op haar mond en neus legde. Met zijn andere hand heeft verdachte haar keel dichtgeknepen. Hierdoor kon zij niet meer ademen, totdat verdachte losliet.


De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de letselrapportage van de GGD, zo zijn onder meer bloeduitstortingen in de hals van aangeefster geconstateerd en letsel rond de neus. Deze letsels kunnen volgens de rapportage passen bij het door het slachtoffer genoemde geweld. Uit de getuigenverklaring van [getuige] blijkt dat zij dit letsel ook heeft waargenomen. Aangeefster had striemen in haar nek en een bijtwond in haar neus, waardoor haar neus bloedde. Bovendien heeft de getuige verklaard dat aangeefster na het voorval aan het hyperventileren was en dat zij vertelde dat verdachte zijn hand op haar mond deed, haar had gebeten en op het bed heeft geduwd. Ook heeft zij in staat van paniek aan de getuige verklaard dat hij haar bij de keel had gepakt, waardoor het zwart voor haar ogen werd.


Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van mishandeling en bedreiging. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof volstaat ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman van verdachte ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft het hof hieronder de bewijsmiddelen uitgewerkt.



Bewijsmiddelen



Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde


1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 1 juli 2026;

Ik ben bij [slachtoffer] naar binnen gegaan. Toen ik binnen was begon zij, na een kort gesprek, hard te schreeuwen en uit reactie heb ik mijn hand tegen haar mond gezet. […] Daarna ontstond een worsteling en heb ik haar ook gebeten in haar neus.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 18 augustus 2024, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , opgenomen op de pagina’s 1 tot en met 6 van het procesdossier;

Op 2 augustus 2024, omstreeks 10.45 uur, was ik in mijn woning te [plaats] . Ik heb de deur open laten staan. Toen ik weer naar buiten wilde gaan zag ik in de hal van mijn woning [verdachte] staan. Ik begon direct te gillen en riep denk ik dingen als ga weg en help. Hij kwam op mij aflopen en legde onmiddellijk zijn hand op mijn mond, zodat ik geen geluid meer kon maken. Er ontstond een worsteling in de hal van mijn woning. Ik voelde dat hij mij met kracht naar mijn slaapkamer probeerde te duwen. Hij heeft mij ook gebeten in mijn neus en vinger. Ik heb op mijn vinger en neus ook een wondje. Toen hij mij in de slaapkamer had geduwd, stond hij achter mij. Hij had nog steeds zijn hand op mijn mond en hield mij stevig vast. Ik zag dat hij het rolgordijn in mijn slaapkamer dichttrok en de deur achter hem dicht deed. Hij gooide mij op bed en ging vervolgens boven op mij zitten. Ik schreeuwde vervolgens heel hard om hulp. Ik voelde dat hij zijn hand op mijn mond en neus legde en met zijn andere hand mijn keel vastgreep. Ik voelde dat hij hard in mijn keel kneep en zijn andere hand drukte hard om mijn mond en neus. Ik voelde dat ik helemaal geen lucht meer kreeg. Ik stikte letterlijk. Ik voelde veel pijn in mijn keel. Ik kon ook helemaal niets meer zeggen. Hij kreeg dit in de gaten en toen verslapte zijn grip waardoor ik weer adem kon halen. Ik ben weer gaan schreeuwen, waarna hij weer mijn mond en neus en keel dicht kneep. Ook deze keer deed het veel pijn en kreeg ik geen lucht meer. Hierna verslapte weer zijn greep en kon ik weer ademhalen. Ik was nog in paniek en ben nog een paar minuten blijven zitten voordat ik naar mijn vriendinnen die toen al voor deur stonden ben gegaan.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 augustus 2024, inhoudende de verklaring van [getuige] , opgenomen op de pagina’s 292 tot en met 300 van het procesdossier;

V: Wil jij voor jezelf "de film"’ van 2 augustus 2024 nog eens afspelen en mij daarin meenemen?

A: [naam] stuurde om 11.07 uur naar [slachtoffer] (Het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer] ) in de groepsapp dat zij bij haar voor de woning stond. Een minuutje later belde [naam] mij ook al met de mededeling dat [verdachte] net bij de woning van [slachtoffer] was en dat hij haar had mishandeld. Vervolgens ben ik naar de woning van [slachtoffer] toe gefietst. Het is 2 a 3 minuten fietsen. Ik kwam bij [slachtoffer] aan. Ik zag dat [slachtoffer] aan het trillen was en helemaal in shock verkeerde. Ik zag striemen in haar hals. In haar gezicht zag ik een bijtwond en ter hoogte van haar neus zag ik dat het bloedde.



V: Wat heeft [slachtoffer] allemaal gezegd toen jij die 2e augustus bij de woning aankwam?

A: Zij was aan het hyperventileren. Zij gaf aan dat zij om hulp had geroepen en hard had gegild. Zij vertelde dat [verdachte] zijn hand op haar mond deed, de gordijnen dicht deed. Ook vertelde zij dat [verdachte] haar had gebeten en op bed had geduwd. Ze vertelde dat ook dat hij haar bij de keel had gepakt en het zwart voor haar ogen zag.


4. Een schriftelijk bescheid van 2 augustus 2024, inhoudende de letselrapportage van de GGD [plaats] , opgenomen op de pagina’s 9 tot en met 30 van het procesdossier.

Naam: [slachtoffer]

Datum en tijd letselonderzoek: 02-08-2024 om 16:30 uur.

Gemelde toedracht: Vanmorgen kwam ex-partner haar woning binnen. Hij heeft haar bedreigd, fysiek mishandeld en gepoogd te wurgen. Betrokkene meldt dat hij zijn hand met druk om haar keel heeft gedaan, dat hij zijn hand op/over haar neus heeft gelegd en dat hij haar gebeten heeft in het gezicht en in een vinger.



Beoordeling.

De waargenomen letsels betreffen vooral krasletsels en kleinere bloeduitstortingen in en onder de huid. Met daarbij een enkele kleine scheurverwonding. Past het gemelde tijdsinterval bij het letsel: goed. Toelichting: De toedracht vermeldt stomp geweld. De waargenomen letsels kunnen passen bij deze vorm van geweld.




Letsels


Beschrijving: Op de overgang van de linker neusvleugel en de wang is een rode streepvormige huidverkleuring met enig bloed van ongeveer 1 cm lang die de contour van de neusvleugel volgt. Eromheen is een rode huidverkleuring van ongeveer 1 cm breed, matig scherp begrensd. Links op de neus is een rode streepvormige verkleuring van 1 cm lang. Soort: scheurwond. Gemelde toedracht bij het letsel: Hand op neus gelegd/gedrukt en in gezicht gebeten. Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk.


Beschrijving: Aan de voor- en rechterzijde van de hals zijn meerdere streepvormige rode huidafwijkingen, in breedte variërend van 1-5 mm breed en in lengte van 1-6 cm, zowel verticaal als horizontaal verlopend, niet in een duidelijk patroon. Soort: bloeduitstorting. Gemelde toedracht bij het letsel: Hand op de keel gelegd/gedrukt. Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk.




Het onder 2 ten laste gelegde




De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 1 juli 2026;


Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2024, inhoudende de verklaring van [verbalisant] , opgenomen op de pagina’s 106 tot en met 109 van het procesdossier;


Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 augustus 2024, inhoudende de verklaring van [verbalisant] , opgenomen op de pagina’s 7 tot en met 8 van het procesdossier.




Bewezenverklaring



Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. subsidiair
hij op 2 augustus 2024 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door
- haar gedurende enige tijd bij het lichaam te pakken en vast te houden en op haar is gaan zitten en
- meermaals en gedurende enige tijd haar keel en mond en neus dicht te knijpen en/of met zijn hand te bedekken, waardoor zij telkens geen lucht meer kreeg en
- meermaals te duwen en
- te bijten.

2.hij op 2 augustus 2024 te [plaats] , [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door (terwijl hij, verdachte, voor de voordeur van voorgenoemde [slachtoffer] staat) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ok, als jij belt, ga ik jou zo vinden. Dus dan moet je je hele leven lang achter je rug gaan bekijken want ik ga je tanden uit je bek dan slaan. Wil je dat? Wil je dat. Wil je dat? Ok, Is goed.".

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.



Strafbaarheid van het bewezenverklaarde



Het bewezenverklaarde is strafbaar.


Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.



Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.




Strafbaarheid van verdachte



Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.



Oplegging van straf




Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 101 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr, met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis, geëist. Daarbij heeft de advocaat-generaal de oplegging van de gedragsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr geëist, in de vorm van een dadelijk uitvoerbaar contact- en locatieverbod.



Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 41 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren op te leggen, zodat verdachte niet opnieuw de gevangenis in hoeft. Verdachte heeft geen bezwaren tegen een contactverbod en zal zich indien nodig ook aan een locatieverbod houden.



Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling en mishandeling van zijn ex-partner. Verdachte heeft, hoewel zij bij herhaling had aangegeven geen contact meer met hem te willen en verdachte zich desondanks gedurende langere tijd hinderlijk en indringend is blijven opdringen, zijn ex-partner bij haar woning opgezocht en haar daar bedreigd en mishandeld. Verdachte heeft het slachtoffer vastgepakt, is op haar gaan zitten, heeft zijn hand voor haar mond en neus gehouden, haar bij haar keel geknepen en in haar neus gebeten. Dit terwijl verdachte voorafgaand aan de mishandeling had gezegd dat hij “haar tanden uit haar bek zou slaan”. Dit vond plaats in de beslotenheid van de woning van het slachtoffer. Een plek waar het slachtoffer zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Verdachte heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op haar persoonlijke en lichamelijke integriteit. Hierdoor is het slachtoffer tot op de dag van vandaag bang om alleen over straat te gaan en heeft zij nog steeds slaapproblemen.


Het hof heeft verder gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer naar voren zijn gekomen uit het strafblad van verdachte van 2 juni 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld soortgelijke feiten.
Ook heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 24 oktober 2024, waaruit volgt dat het risico op herhaling als laag wordt ingeschat. Verder volgt uit dit advies dat er geen contra-indicaties zijn voor het uitvoeren van een taakstraf.


Gelet op het voorgaande acht het hof een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een taakstraf passend en noodzakelijk. Alles overwegende, zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 101 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr, met een proeftijd van 3 jaren opleggen. Deze proeftijd van aanzienlijke duur dient als stok achter de deur, zodat verdachte niet nogmaals overgaat tot het plegen van strafbare feiten. Als bijzondere voorwaarden zal het hof een contact- en locatieverbod aan verdachte opleggen. Dit contactverbod wordt opgelegd ten aanzien van het [slachtoffer] . Ook zal het hof aan verdachte een taakstraf van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis, opleggen.



Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]




Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal vordert toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij.



Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van maximaal € 1.000,00 toe te wijzen.



Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 9.222,83 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van
€ 5.122,64. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat de immateriële schade van € 8.000,00 nog steeds wordt gevorderd en dat de materiële schade van € 1.222,83 niet meer aan de orde is in hoger beroep.


Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, kan bestaan uit vermogensschade en ander nadeel. Dit laatste enkel voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.


Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Dit artikel (aanhef en onder b) bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Bij de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Van belang zijn met name de aard van de aansprakelijkheid en de aard en de ernst van het letsel, de duur en intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde. Daarnaast moet ook stil worden gestaan bij de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde en de aard van de aan de aansprakelijke partij verweten gedraging.


Het hof constateert op basis van het dossier, het onderzoek op de zitting en de door [slachtoffer] overgelegde stukken dat op grove wijze inbreuk is gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer wilde geen contact meer met verdachte en dit leek verdachte moeilijk te kunnen accepteren. Verdachte heeft het slachtoffer, zijn ex-partner, bij haar thuis opgezocht en heeft haar in haar eigen huis mishandeld en rondom haar huis bedreigd met zware mishandeling. Daarmee heeft verdachte onrechtmatig jegens het slachtoffer gehandeld en is hij aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte fysiek letsel opgelopen. Ook heeft het slachtoffer tot op de dag van vandaag psychische klachten. Met name wanneer zij (alleen) door de stad moet fietsen en thuis probeert te slapen. Ook is het slachtoffer bang om opnieuw door verdachte aangevallen te worden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezenverklaarde handelen ontstane immateriële schade.


De immateriële schade heeft het slachtoffer [slachtoffer] begroot op een bedrag van
€ 8.000,00.


Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.


Het hof acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, de gevolgen voor het slachtoffer, de Rotterdamse schaal en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt toegekend, de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,00 voldoende onderbouwd. Een en ander maakt dat het hof de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente, zal opleggen.



Wetsartikelen



De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.


Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.


BESLISSING


Het hof:




vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:




verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.




Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.




Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.




Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.




Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.




Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 101 (honderdéén) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.




Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- het slachtoffer (aangeefster) [slachtoffer] , geboren op 9 november 1993.



Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in en ophouden in het gebied binnen:

- [straat] te [plaats] ;
- [straat] te [plaats] ;
- [straat] te [plaats] ;
- [straat] te [plaats] ;
- [straat] te [plaats] ;
- en [straat] te [plaats] .


Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.



Geeft opdracht dat de reclassering, met uitzondering van het contact- en locatieverbod dat door de politie wordt gecontroleerd, toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.




Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.




Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.






Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]



Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.




Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.




Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.




Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.




Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.




Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.




Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 augustus 2024.




















Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. J. Bijlsma, in aanwezigheid van de griffier mr. B.S. Hofstede en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 juli 2026.




Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal betreft dit op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn (tenzij anders is vermeld) als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Zaakdossier zaak Pinguïn van 18 augustus 2024, genummerd BVH 2024208858, opgemaakt door Politie Eenheid Noord-Nederland. Dit zaakdossier is op ambtsbelofte op 18 augustus 2024 ondertekend en afgesloten door [verbalisant] bij de Politie Eenheid Noord-Nederland.