Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4585
2026-07-14
Civiel recht
200.350.114
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHARL:2026:4585 → ECLI:NL:RBGEL:2024:4009
Inhoudsindicatie
Aannemingsovereenkomst voor renovatiewerkzaamheden aan schuur hondenhotel. Oplevering. Aannemer kan niet aansprakelijk worden gehouden voor gestelde gebreken in het werk. Afwijzing partiële ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling reeds betaalde.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4009 Rechtbank Gelderland 03-07-2024
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.533 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.114
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 10794320
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [naam1]
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. R.A.F. Willems
tegen
Agrion B.V.
die is gevestigd in Mariahout, gemeente Laarbeek
hierna: Agrion
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 8 april 2025 heeft op 13 mei 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de memorie van grieven tevens wijziging van eis in reconventie van [appellant]
de memorie van antwoord van Agrion
een akte uitlaten producties van [appellant]
een antwoordakte van Agrion.
1.2.
Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op heden.
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen zijn met elkaar een overeenkomst aangegaan op grond waarvan Agrion verschillende renovatiewerkzaamheden aan de schuur van [appellant] heeft verricht. Partijen hebben onenigheid over de werkzaamheden aan het dak van de schuur. De vragen die hen onder meer in hoger beroep verdeeld houden is of er een oplevering heeft plaatsgevonden en of Agrion de werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd.
2.2.
Agrion heeft bij de kantonrechter kortgezegd gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen van in totaal € 2.332,53, met rente en kosten.
2.3.
[appellant] heeft tegen de vordering van Agrion verweer gevoerd en op zijn beurt bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren dat Agrion toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en dat Agrion als gevolg daarvan schadeplichtig is geworden, met veroordeling tot vergoeding aan [appellant] van de door hem geleden en nog te lijden schade (met rente), op te maken bij staat. Voor het geval dat niet wordt toegewezen, vordert [appellant] dat Agrion wordt veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst, in elk geval ten aanzien van het bedekken van het dak en het plaatsen van twee loopdeuren en een raam in de voorgevel, en tot betaling van € 4.380,- althans € 600,- (met rente) als kostenvergoeding voor het gebruik van een hoogwerker.
2.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Agrion toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] wil in hoger beroep dat zijn vorderingen uit eerste aanleg in gewijzigde vorm alsnog worden toegewezen. Hij vordert in hoger beroep primair om Agrion kort gezegd te veroordelen tot een schadevergoeding wegens tekortschieten van in ieder geval € 48.963,20 plus herstelkosten, om daarnaast de overeenkomst op grond van de offerte van 26 april 2022 partieel te ontbinden en Agrion wegens die ontbinding te veroordelen tot betaling van € 2.866,55. Tot slot vordert hij veroordeling van Agrion tot betaling van € 40 wegens het gebruik van een hoogwerker.
2.5.
Het hof zal beslissen dat de grieven van [appellant] niet slagen en laat het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof licht zijn beslissing hierna toe. De bezwaren (grieven) van [appellant] zullen hierbij thematisch worden behandeld.
3De toelichting op de beslissing van het hof
feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de feiten zoals deze door de kantonrechter in rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.6. van het vonnis zijn vastgesteld. Daarbij stelt het hof de volgende aanvullende feiten vast.
3.2.
Op 27 april 2022 heeft [appellant] via Whatsapp het volgende spraakbericht naar Agrion gestuurd: “He die kerel goedenavond, uhm, wie dit bedacht heeft, heeft niet goed opgelet. Want het dak loopt de laatste balk 4cm omlaag natuurlijk, omdat ze daar die isolatie weggeknipt hebben. En dan kom je bij het spant uit en dan ligt het gewoon op het spant. Dus dit is geen slimme constructie.”
3.3.
Op 2 juni 2022 heeft [appellant] het volgende Whatsapp-spraakbericht bij Agrion achtergelaten: “He die kerel goedemiddag, het dak is net te kort.”
3.4.
Op 18 november 2022 heeft [appellant] het volgende Whatsapp-spraakbericht naar Agrion gestuurd: “He die kerel goedemiddag, gisteren lekte het dak in de nok op afdeling 7
in het midden dus daar moeten we even naar kijken”.
3.5.
Op 20 juli 2023 heeft Agrion het volgende Whatsapp-bericht aan [appellant] verstuurd:
“(…) de monteurs hebben vandaag t zetwerk en nokken gemonteerd zoals afgesproken Nu staat niets meer in de weg om openstaande facturen te voldoen Ik zie dat deze open staande facturen graag deze week voldaan gr [naam2] ”.
3.6.
In een e-mail van 31 juli 2023 heeft [appellant] aan Agrion laten weten:
“Ik heb niet gekregen wat ik gevraagd heb (…) ik heb meer dan een jaar zitten trekken aan een dood paard kwa afwerking en nu zit u mij binnen een maand op mijn huit (…)”.
3.7.
Op 21 augustus 2023 vermeldt Agrion in een e-mail aan [appellant] : “(…) Wij hebben het laatste zetwerk van uw dak gerepareerd. E.e.a. met uw goedkeuring, via telefoon en whats-app. Met deze mail vragen wij voor de laatste keer om openstaande posten deze week voldoen.”
3.8.
Op 12 februari 2025 heeft een deskundige van het Bureau voor Bouwpathologie een onderzoek uitgevoerd op het dak van de schuur van [appellant] . Agrion was bij dit onderzoek niet uitgenodigd en dus niet aanwezig. Van zijn bevindingen heeft de deskundige een rapport gemaakt d.d. 29 april 2025.
oplevering
3.9.
[appellant] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij in beginsel verschuldigd is de openstaande drie facturen met een totaalbedrag van € 2.332,53 aan Agrion te betalen, zodat dit vaststaat in hoger beroep. [appellant] stelt zich echter (primair) op het standpunt dat deze vordering van Agrion op hem moet worden verrekend met de schadevergoedingsvordering die hij heeft op Agrion. Volgens [appellant] is het werk niet opgeleverd en heeft Agrion het werk onvolledig en ondeugdelijk verricht, waardoor Agrion de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden of nog zal lijden moet vergoeden. Het hof stelt vast, net als de kantonrechter, dat de discussie tussen partijen in de kern draait om de vraag of het werk is opgeleverd. Dat is van belang omdat na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever is, in dit geval dus voor [appellant] (artikel 7:758 lid 2 BW). Dat heeft weer gevolgen voor de aansprakelijkheid van Agrion voor eventuele gebreken. Het hof zal daarom eerst beoordelen of het werk is opgeleverd.
3.10.
[appellant] voert de volgende bezwaren aan tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] het werk stilzwijgend heeft aanvaard en het werk daarmee is opgeleverd. De heer [naam2] van Agrion (hierna: [naam2] ) heeft tijdens de mondelinge behandeling van 13 mei 2025 meermaals toegegeven dat [appellant] over het dak heeft geklaagd, namelijk dat [appellant] heeft gezegd dat ‘hij het dak een beetje kort vond’, dat [appellant] het dak na de eerste oplevering nog aangepast wilde hebben en dat [appellant] het niet eens was met de nok, waardoor hij vijf keer is terug geweest. Als er al een oplevering zou hebben plaatsgevonden, betrof dit een vooroplevering en is de definitieve oplevering nooit gevolgd. Dat deze klachten na 1 juli 2022 zijn geuit en er daarna ook nog werkzaamheden aan het dak hebben plaatsgevonden, is door [naam2] tijdens de mondelinge behandeling niet weersproken. Dit blijkt ook uit de mail van Agrion aan [appellant] van 14 november 2022, waarin de toen net verrichte werkzaamheden zijn genoemd. [appellant] heeft (onder meer) drie spraakberichten overgelegd van april, juni en november 2022, waarin hij respectievelijk klaagt over de constructie van het dak, de lengte van het dak en ontstane lekkages. Volgens [appellant] heeft hij het werk dus niet stilzwijgend aanvaard in juli 2022, maar heeft hij het werk geweigerd onder nadrukkelijke mondelinge en schriftelijke vermelding van gebreken, waardoor er geen oplevering heeft plaatsgevonden.
3.11.
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 7:758 lid 1 BW bepaalt dat een opdrachtgever het werk geacht wordt stilzwijgend te hebben aanvaard, als de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van gebreken weigert. Het hof oordeelt dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij het werk binnen redelijke termijn na die gereedmelding heeft gekeurd en heeft geweigerd onder vermelding van gebreken en legt dat hierna uit.
3.12.
Partijen zijn het erover eens dat Agrion in juli 2022 (voor de bouwvak van 2022) te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd (hierna ook: de gereedmelding). [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt wanneer hij het werk na de gereedmelding heeft gekeurd. Daarnaast is door [appellant] niet (gemotiveerd) gesteld dat hij specifieke gebreken heeft genoemd, wanneer hij dat precies heeft gedaan en welke gebreken dat zijn. [appellant] heeft spraakberichten van april en juni 2022 overgelegd waarin hij klachten uit richting Agrion over het werk (rechtsoverweging 3.2 en 3.3), maar die spraakberichten zijn van (veel) eerdere datum dan de gereedmelding, zodat ze voor de onderbouwing van de weigering van de oplevering onder vermelding van gebreken niet ter zake doende zijn.
De klacht van [appellant] van november 2022 (rechtsoverweging 3.4) is geruime tijd na de gereedmelding richting Agrion geuit. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat deze klacht is gedaan in het kader van de oplevering en is bedoeld om een gebrek in het kader van die oplevering te benoemen. Die klacht staat er niet aan in de weg dat het werk als stilzwijgend aanvaard moet worden beschouwd. Voor de weinig specifieke e-mail van [appellant] van 31 juli 2023 (rechtsoverweging 3.6) geldt hetzelfde. [appellant] wijst verder op een uitspraak van [naam2] tijdens de mondelinge behandeling: “Wij hebben de eerste keer ook al opgeleverd, maar toen wilde hij het dak nog aangepast hebben. Dat hebben we gedaan” en het feit dat [naam2] erkent dat hij het dak is gaan verlengen nadat [appellant] had gezegd dat het te kort was. Dat [naam2] erkent dat hij na gereedmelding van het werk nog werkzaamheden aan het dak heeft verricht, betekent niet dat hij daarmee erkent dat het werk niet door [appellant] stilzwijgend is aanvaard en daarom als opgeleverd moet worden beschouwd. Daarbij is van belang dat niet duidelijk is wanneer na de gereedmelding dit heeft plaatsgevonden. Daarnaast stelt Agrion dat [appellant] na de verlenging het dak alsnog goed vond. Dat dit niet het geval is en [appellant] duidelijk te kennen heeft gegeven niet akkoord te zijn, is door hem niet gemotiveerd gesteld. [appellant] voert verder aan dat er nog meerdere werkzaamheden zijn verricht aan het dak na de gereedmelding, zelfs nog in 2023, en dat Agrion dit ook niet betwist. [appellant] noemt de erkenning van [naam2] ter zitting dat [appellant] heeft gezegd het niet eens te zijn met de nok en dat hij daarvoor vijf keer terug is geweest om het aan te passen, een e-mail van 14 november 2022 waarin allerhande werkzaamheden staan genoemd die door Agrion na gereedmelding zijn uitgevoerd en een Whatsapp-bericht en e-mail van respectievelijk juli en augustus 2023, waarin Agrion net verrichte werkzaamheden noemt (rechtsoverwegingen 3.5 en 3.7). Aanpassingen aan het werk na gereedmelding (en betalingsverplichtingen die daaruit volgden) betekenen echter niet zonder meer dat het werk niet is opgeleverd. Uit deze werkzaamheden en berichten blijkt immers niet dat [appellant] deze punten onder de aandacht heeft gebracht bij Agrion (binnen redelijke termijn) na de gereedmelding en op grond daarvan het werk heeft geweigerd. [appellant] voert ten slotte nog aan dat uit de uitspraken van [naam2] ter zitting moet worden afgeleid dat [naam2] zelf ook meende dat er nog een oplevering moest volgen, maar dat ziet het hof niet. [naam2] heeft immers ter zitting verklaard dat hij hiermee heeft bedoeld te zeggen dat er wel is opgeleverd, maar dat er daarna uit coulance nog werkzaamheden zijn verricht. Omdat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij het werk na de gereedmelding in juli 2022 (heeft gekeurd en) onder vermelding van gebreken heeft geweigerd, oordeelt het hof dat [appellant] het werk stilzwijgend heeft aanvaard en het werk dus is opgeleverd. Het hof komt daarom niet toe aan bespreking van de stellingen van [appellant] ten aanzien van de toepasselijke algemene voorwaarden.
3.13.
[appellant] stelt dat het de constructie van het dak gebreken vertoont en meer specifiek dat het dak aan de westkant van de schuur te kort is. [appellant] is van mening dat Agrion hiervoor aansprakelijk is en de hierdoor geleden of nog te lijden schade moet vergoeden. Omdat vaststaat dat het werk is opgeleverd, zoals hiervoor is overwogen, is Agrion op grond van artikel 7:758 lid 3 BW ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever ( [appellant] ) op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Door [appellant] is geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] de gebreken aan de dakconstructie op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken, zodat dit in hoger beroep vaststaat.
3.14.
Het hof oordeelt op grond van dit alles dat Agrion niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de door [appellant] gestelde gebreken in het werk. Het hof komt daarom aan de bespreking van [appellant] ’ bezwaren tegen het oordeel van de kantonrechter over deze gebreken niet toe. Het hof bekrachtigt de afwijzing door de kantonrechter van de verklaringen voor recht die door [appellant] gevorderd zijn en wijst ook de schadevergoedingsvordering van [appellant] in hoger beroep af.
realisatie twee deuren en raam
3.15.
Het tweede punt dat partijen verdeeld houdt, is de vraag of zij overeengekomen zijn dat Agrion twee loopdeuren en een raam in de voorgevel van de schuur zou realiseren of alleen uitsparingen voor die deuren en het raam. Volgens [appellant] zijn partijen de realisatie van de deuren en het raam overeengekomen, wat volgens hem blijkt uit de offerte van 26 april 2022, waarin is beschreven: ‘Bij de entree hebben wij de voorgevel benoemd. Hier gaan wij sandwichpanelen leveren en monteren vanaf de vloer tot aan de bestaande goot, 3,00 meter hoog. (…) Hier hebben wij één loopdeur in gespaard die wordt afgewerkt met isolatie, underlayment en zetwerk’. Na het uitbrengen van de offerte zijn partijen mondeling overeengekomen dat er nog een loopdeur en een raam in de voorgevel zouden worden gerealiseerd, aldus [appellant] . Het offertebedrag bedraagt € 2.866,55 en is door [appellant] betaald. Agrion betwist dit (nader) te zijn overeengekomen en stelt wel te hebben besproken met [appellant] dat zij uitsparingen zou maken voor twee deuren en een raam, maar dat zij deze werkzaamheden niet kon verrichten omdat [appellant] niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Agrion de deuren en het raam zou realiseren. Voldoende blijkt volgens de kantonrechter dat Agrion wel voor de uitsparingen zou zorgen, maar zij heeft de vordering van [appellant] tot nakoming van deze afspraak afgewezen, omdat [appellant] nog niet beschikt over de vereiste vergunning. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en vordert in hoger beroep dat het deel van de overeenkomst tussen partijen ziende op de realisatie van de loopdeuren en het raam in de voorgevel van de schuur wordt ontbonden en dat Agrion het bedrag van € 2.866,55 dat [appellant] daarvoor heeft voldaan, terugbetaalt.
3.16.
Het hof zal deze vorderingen van [appellant] tot partiële ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van € 2.866,55 afwijzen. Om tot (partiële) ontbinding van een overeenkomst over te kunnen gaan, moet er sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en verzuim. Daarvan is hier geen sprake. Door [appellant] is onvoldoende onderbouwd dat partijen daadwerkelijke realisatie van de deuren en het raam zijn overeengekomen. Dit blijkt niet uit de tekst van de offerte, waarin wordt gesproken over het (uit)sparen van een loopdeur. In elk geval was dat niet kenbaar in de geoffreerde prijs begrepen. De stellingen van [appellant] dat het niet aannemelijk zou zijn dat partijen alleen het maken van uitsparingen zijn overeengekomen en de prijs van de offerte daar ook niet naar is, zijn onvoldoende concreet in het licht van de uitdrukkelijke betwisting van Agrion. Het hof komt daarom niet toe aan bewijslevering op dit punt. Door [appellant] is verder niet weersproken dat voor de overeengekomen werkzaamheden, het realiseren van uitsparingen voor twee deuren en een raam, een vergunning is vereist en dat hij die niet had toen de werkzaamheden door Agrion zouden moeten worden uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] , nadat hij de vereiste vergunning had verkregen, Agrion hierover heeft ingelicht en haar in de gelegenheid heeft gesteld alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, eventueel met een termijn tot nakoming. Van een geldige ingebrekestelling en verzuim is dus geen sprake. Dat uit de proceshouding van Agrion zou moeten worden afgeleid dat zij in de nakoming van de overeenkomst tekort zou schieten, zodat het verzuim volgens artikel 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling is ingetreden, zoals [appellant] stelt, gaat niet op. Agrion stelt te hebben aangeboden het overeengekomen werk alsnog te komen verrichten als [appellant] over de vergunning beschikt, en [appellant] heeft dit onvoldoende weersproken. De vorderingen van [appellant] op dit punt worden dus afgewezen.
gebruik hoogwerker
3.17.
[appellant] vordert, ten slotte, een vergoeding van € 40,- van Agrion voor het gebruik van [appellant] ’ hoogwerker gedurende twee dagen. [appellant] beroept zich voor deze vordering primair op onverschuldigde betaling en subsidiair op onrechtmatige daad. Het hof wijst deze vordering op beide gronden af.
3.18.
Vast staat dat het gebruik van een hoogwerker onderdeel was van de overeenkomst tussen partijen (in elk geval ten behoeve van de montage van het ventilatieplafond) en dat [appellant] daarvoor ook heeft betaald. Vast staat ook dat gedurende twee dagen door Agrion de hoogwerker van [appellant] is gebruikt voor de overeengekomen werkzaamheden. Volgens Agrion is dat zo gelopen omdat [appellant] (zonder afstemming met Agrion) zijn metselaar op dezelfde dag had ingepland als Agrion. Omdat de metselaar bezig was met werkzaamheden kon Agrion niet met haar eigen rolsteiger/hoogwerker op de bouwlocatie komen en is samen met [appellant] besloten om het zo op te lossen. [appellant] heeft daarbij niet te kennen gegeven dat hiervoor kosten in rekening zouden worden gebracht, aldus Agrion. Dit alles is door [appellant] niet (voldoende gemotiveerd) betwist, zodat niet is vast komen te staan dat het gebruik van [appellant] ’ hoogwerker door Agrion zonder recht of titel en daarmee onrechtmatig was. Dat [appellant] heeft betaald voor het gebruik van de hoogwerker van Agrion, is gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst en om die reden in beginsel niet onverschuldigd gedaan. De nadere afspraak tussen partijen dat Agrion twee dagen de hoogwerker van [appellant] gebruikt in plaats van haar eigen hoogwerker maakt – zonder nadere uitleg, die [appellant] niet heeft gegeven – niet dat die op de eerdere overeenkomst gebaseerde betaling onverschuldigd is.
overige grieven
3.19.
[appellant] voert nog bezwaren aan tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij de betaling van wettelijke handelsrente aan Agrion verschuldigd is, omdat hij – primair – betaling van de openstaande facturen terecht heeft opgeschort gezien de tekortkoming van Agrion en – subsidiair – die facturen pas vanaf 20 juli 2023 moet betalen omdat op die datum het werk definitief is opgeleverd. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 3.12 tot en met 3.14 oordeelt het hof dat [appellant] gehouden was de openstaande facturen te betalen, hij dit niet heeft gedaan en de kantonrechter [appellant] daarom terecht heeft veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente over de bedragen van de facturen vanaf de vervaldatum van iedere respectievelijke factuur. Het hof bekrachtigt dit oordeel van de kantonrechter.
3.20.
[appellant] maakt ten slotte bezwaar tegen de veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] is het niet oneens met de hoogte van het bedrag, maar stelt dat Agrion, met een consument ( [appellant] ) als wederpartij, onvoldoende heeft aangetoond incassowerkzaamheden te hebben verricht die niet de voorbereiding van de gedingstukken en de instructie van de zaak betreffen en dus voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Agrion heeft volgens [appellant] enkel een (herhaalde) geautomatiseerde aanmaning verzonden en dit is volgens Rapport BGK-Integraal 2013 (hierna: Rapport BGK) onvoldoende. Het hof oordeelt dat [appellant] niet handelde als consument, maar in de uitoefening van zijn bedrijf, [naam1] . De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten moet daarom worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Agrion heeft voldoende onderbouwd incassowerkzaamheden te hebben verricht, gelet op de meerdere schriftelijke aanmaningen die zij [appellant] zelf gestuurd heeft (zie productie 5 bij inleidende dagvaarding) en de in opdracht van Agrion aan [appellant] verstuurde sommaties van 29 augustus 2023 en 14 september 2023 (productie 7 en 8 bij inleidende dagvaarding). De grief van [appellant] slaagt dus niet en het hof bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter op dit punt.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 3 juli 2024;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Agrion:
€ 798,- aan griffierecht
€ 2.280 aan salaris van de advocaat van Agrion (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief I)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, L.J. de Kerpel-van de Poel en K. Mans en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
Zie voor het bestreden vonnis ECLI:NL:RBGEL:2024:4009
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.114
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 10794320
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [naam1]
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. R.A.F. Willems
tegen
Agrion B.V.
die is gevestigd in Mariahout, gemeente Laarbeek
hierna: Agrion
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 8 april 2025 heeft op 13 mei 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de memorie van grieven tevens wijziging van eis in reconventie van [appellant]
de memorie van antwoord van Agrion
een akte uitlaten producties van [appellant]
een antwoordakte van Agrion.
1.2.
Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op heden.
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen zijn met elkaar een overeenkomst aangegaan op grond waarvan Agrion verschillende renovatiewerkzaamheden aan de schuur van [appellant] heeft verricht. Partijen hebben onenigheid over de werkzaamheden aan het dak van de schuur. De vragen die hen onder meer in hoger beroep verdeeld houden is of er een oplevering heeft plaatsgevonden en of Agrion de werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd.
2.2.
Agrion heeft bij de kantonrechter kortgezegd gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen van in totaal € 2.332,53, met rente en kosten.
2.3.
[appellant] heeft tegen de vordering van Agrion verweer gevoerd en op zijn beurt bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren dat Agrion toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en dat Agrion als gevolg daarvan schadeplichtig is geworden, met veroordeling tot vergoeding aan [appellant] van de door hem geleden en nog te lijden schade (met rente), op te maken bij staat. Voor het geval dat niet wordt toegewezen, vordert [appellant] dat Agrion wordt veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst, in elk geval ten aanzien van het bedekken van het dak en het plaatsen van twee loopdeuren en een raam in de voorgevel, en tot betaling van € 4.380,- althans € 600,- (met rente) als kostenvergoeding voor het gebruik van een hoogwerker.
2.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Agrion toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] wil in hoger beroep dat zijn vorderingen uit eerste aanleg in gewijzigde vorm alsnog worden toegewezen. Hij vordert in hoger beroep primair om Agrion kort gezegd te veroordelen tot een schadevergoeding wegens tekortschieten van in ieder geval € 48.963,20 plus herstelkosten, om daarnaast de overeenkomst op grond van de offerte van 26 april 2022 partieel te ontbinden en Agrion wegens die ontbinding te veroordelen tot betaling van € 2.866,55. Tot slot vordert hij veroordeling van Agrion tot betaling van € 40 wegens het gebruik van een hoogwerker.
2.5.
Het hof zal beslissen dat de grieven van [appellant] niet slagen en laat het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof licht zijn beslissing hierna toe. De bezwaren (grieven) van [appellant] zullen hierbij thematisch worden behandeld.
3De toelichting op de beslissing van het hof
feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de feiten zoals deze door de kantonrechter in rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.6. van het vonnis zijn vastgesteld. Daarbij stelt het hof de volgende aanvullende feiten vast.
3.2.
Op 27 april 2022 heeft [appellant] via Whatsapp het volgende spraakbericht naar Agrion gestuurd: “He die kerel goedenavond, uhm, wie dit bedacht heeft, heeft niet goed opgelet. Want het dak loopt de laatste balk 4cm omlaag natuurlijk, omdat ze daar die isolatie weggeknipt hebben. En dan kom je bij het spant uit en dan ligt het gewoon op het spant. Dus dit is geen slimme constructie.”
3.3.
Op 2 juni 2022 heeft [appellant] het volgende Whatsapp-spraakbericht bij Agrion achtergelaten: “He die kerel goedemiddag, het dak is net te kort.”
3.4.
Op 18 november 2022 heeft [appellant] het volgende Whatsapp-spraakbericht naar Agrion gestuurd: “He die kerel goedemiddag, gisteren lekte het dak in de nok op afdeling 7
in het midden dus daar moeten we even naar kijken”.
3.5.
Op 20 juli 2023 heeft Agrion het volgende Whatsapp-bericht aan [appellant] verstuurd:
“(…) de monteurs hebben vandaag t zetwerk en nokken gemonteerd zoals afgesproken Nu staat niets meer in de weg om openstaande facturen te voldoen Ik zie dat deze open staande facturen graag deze week voldaan gr [naam2] ”.
3.6.
In een e-mail van 31 juli 2023 heeft [appellant] aan Agrion laten weten:
“Ik heb niet gekregen wat ik gevraagd heb (…) ik heb meer dan een jaar zitten trekken aan een dood paard kwa afwerking en nu zit u mij binnen een maand op mijn huit (…)”.
3.7.
Op 21 augustus 2023 vermeldt Agrion in een e-mail aan [appellant] : “(…) Wij hebben het laatste zetwerk van uw dak gerepareerd. E.e.a. met uw goedkeuring, via telefoon en whats-app. Met deze mail vragen wij voor de laatste keer om openstaande posten deze week voldoen.”
3.8.
Op 12 februari 2025 heeft een deskundige van het Bureau voor Bouwpathologie een onderzoek uitgevoerd op het dak van de schuur van [appellant] . Agrion was bij dit onderzoek niet uitgenodigd en dus niet aanwezig. Van zijn bevindingen heeft de deskundige een rapport gemaakt d.d. 29 april 2025.
oplevering
3.9.
[appellant] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij in beginsel verschuldigd is de openstaande drie facturen met een totaalbedrag van € 2.332,53 aan Agrion te betalen, zodat dit vaststaat in hoger beroep. [appellant] stelt zich echter (primair) op het standpunt dat deze vordering van Agrion op hem moet worden verrekend met de schadevergoedingsvordering die hij heeft op Agrion. Volgens [appellant] is het werk niet opgeleverd en heeft Agrion het werk onvolledig en ondeugdelijk verricht, waardoor Agrion de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden of nog zal lijden moet vergoeden. Het hof stelt vast, net als de kantonrechter, dat de discussie tussen partijen in de kern draait om de vraag of het werk is opgeleverd. Dat is van belang omdat na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever is, in dit geval dus voor [appellant] (artikel 7:758 lid 2 BW). Dat heeft weer gevolgen voor de aansprakelijkheid van Agrion voor eventuele gebreken. Het hof zal daarom eerst beoordelen of het werk is opgeleverd.
3.10.
[appellant] voert de volgende bezwaren aan tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] het werk stilzwijgend heeft aanvaard en het werk daarmee is opgeleverd. De heer [naam2] van Agrion (hierna: [naam2] ) heeft tijdens de mondelinge behandeling van 13 mei 2025 meermaals toegegeven dat [appellant] over het dak heeft geklaagd, namelijk dat [appellant] heeft gezegd dat ‘hij het dak een beetje kort vond’, dat [appellant] het dak na de eerste oplevering nog aangepast wilde hebben en dat [appellant] het niet eens was met de nok, waardoor hij vijf keer is terug geweest. Als er al een oplevering zou hebben plaatsgevonden, betrof dit een vooroplevering en is de definitieve oplevering nooit gevolgd. Dat deze klachten na 1 juli 2022 zijn geuit en er daarna ook nog werkzaamheden aan het dak hebben plaatsgevonden, is door [naam2] tijdens de mondelinge behandeling niet weersproken. Dit blijkt ook uit de mail van Agrion aan [appellant] van 14 november 2022, waarin de toen net verrichte werkzaamheden zijn genoemd. [appellant] heeft (onder meer) drie spraakberichten overgelegd van april, juni en november 2022, waarin hij respectievelijk klaagt over de constructie van het dak, de lengte van het dak en ontstane lekkages. Volgens [appellant] heeft hij het werk dus niet stilzwijgend aanvaard in juli 2022, maar heeft hij het werk geweigerd onder nadrukkelijke mondelinge en schriftelijke vermelding van gebreken, waardoor er geen oplevering heeft plaatsgevonden.
3.11.
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 7:758 lid 1 BW bepaalt dat een opdrachtgever het werk geacht wordt stilzwijgend te hebben aanvaard, als de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van gebreken weigert. Het hof oordeelt dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij het werk binnen redelijke termijn na die gereedmelding heeft gekeurd en heeft geweigerd onder vermelding van gebreken en legt dat hierna uit.
3.12.
Partijen zijn het erover eens dat Agrion in juli 2022 (voor de bouwvak van 2022) te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd (hierna ook: de gereedmelding). [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt wanneer hij het werk na de gereedmelding heeft gekeurd. Daarnaast is door [appellant] niet (gemotiveerd) gesteld dat hij specifieke gebreken heeft genoemd, wanneer hij dat precies heeft gedaan en welke gebreken dat zijn. [appellant] heeft spraakberichten van april en juni 2022 overgelegd waarin hij klachten uit richting Agrion over het werk (rechtsoverweging 3.2 en 3.3), maar die spraakberichten zijn van (veel) eerdere datum dan de gereedmelding, zodat ze voor de onderbouwing van de weigering van de oplevering onder vermelding van gebreken niet ter zake doende zijn.
De klacht van [appellant] van november 2022 (rechtsoverweging 3.4) is geruime tijd na de gereedmelding richting Agrion geuit. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat deze klacht is gedaan in het kader van de oplevering en is bedoeld om een gebrek in het kader van die oplevering te benoemen. Die klacht staat er niet aan in de weg dat het werk als stilzwijgend aanvaard moet worden beschouwd. Voor de weinig specifieke e-mail van [appellant] van 31 juli 2023 (rechtsoverweging 3.6) geldt hetzelfde. [appellant] wijst verder op een uitspraak van [naam2] tijdens de mondelinge behandeling: “Wij hebben de eerste keer ook al opgeleverd, maar toen wilde hij het dak nog aangepast hebben. Dat hebben we gedaan” en het feit dat [naam2] erkent dat hij het dak is gaan verlengen nadat [appellant] had gezegd dat het te kort was. Dat [naam2] erkent dat hij na gereedmelding van het werk nog werkzaamheden aan het dak heeft verricht, betekent niet dat hij daarmee erkent dat het werk niet door [appellant] stilzwijgend is aanvaard en daarom als opgeleverd moet worden beschouwd. Daarbij is van belang dat niet duidelijk is wanneer na de gereedmelding dit heeft plaatsgevonden. Daarnaast stelt Agrion dat [appellant] na de verlenging het dak alsnog goed vond. Dat dit niet het geval is en [appellant] duidelijk te kennen heeft gegeven niet akkoord te zijn, is door hem niet gemotiveerd gesteld. [appellant] voert verder aan dat er nog meerdere werkzaamheden zijn verricht aan het dak na de gereedmelding, zelfs nog in 2023, en dat Agrion dit ook niet betwist. [appellant] noemt de erkenning van [naam2] ter zitting dat [appellant] heeft gezegd het niet eens te zijn met de nok en dat hij daarvoor vijf keer terug is geweest om het aan te passen, een e-mail van 14 november 2022 waarin allerhande werkzaamheden staan genoemd die door Agrion na gereedmelding zijn uitgevoerd en een Whatsapp-bericht en e-mail van respectievelijk juli en augustus 2023, waarin Agrion net verrichte werkzaamheden noemt (rechtsoverwegingen 3.5 en 3.7). Aanpassingen aan het werk na gereedmelding (en betalingsverplichtingen die daaruit volgden) betekenen echter niet zonder meer dat het werk niet is opgeleverd. Uit deze werkzaamheden en berichten blijkt immers niet dat [appellant] deze punten onder de aandacht heeft gebracht bij Agrion (binnen redelijke termijn) na de gereedmelding en op grond daarvan het werk heeft geweigerd. [appellant] voert ten slotte nog aan dat uit de uitspraken van [naam2] ter zitting moet worden afgeleid dat [naam2] zelf ook meende dat er nog een oplevering moest volgen, maar dat ziet het hof niet. [naam2] heeft immers ter zitting verklaard dat hij hiermee heeft bedoeld te zeggen dat er wel is opgeleverd, maar dat er daarna uit coulance nog werkzaamheden zijn verricht. Omdat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij het werk na de gereedmelding in juli 2022 (heeft gekeurd en) onder vermelding van gebreken heeft geweigerd, oordeelt het hof dat [appellant] het werk stilzwijgend heeft aanvaard en het werk dus is opgeleverd. Het hof komt daarom niet toe aan bespreking van de stellingen van [appellant] ten aanzien van de toepasselijke algemene voorwaarden.
3.13.
[appellant] stelt dat het de constructie van het dak gebreken vertoont en meer specifiek dat het dak aan de westkant van de schuur te kort is. [appellant] is van mening dat Agrion hiervoor aansprakelijk is en de hierdoor geleden of nog te lijden schade moet vergoeden. Omdat vaststaat dat het werk is opgeleverd, zoals hiervoor is overwogen, is Agrion op grond van artikel 7:758 lid 3 BW ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever ( [appellant] ) op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Door [appellant] is geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] de gebreken aan de dakconstructie op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken, zodat dit in hoger beroep vaststaat.
3.14.
Het hof oordeelt op grond van dit alles dat Agrion niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de door [appellant] gestelde gebreken in het werk. Het hof komt daarom aan de bespreking van [appellant] ’ bezwaren tegen het oordeel van de kantonrechter over deze gebreken niet toe. Het hof bekrachtigt de afwijzing door de kantonrechter van de verklaringen voor recht die door [appellant] gevorderd zijn en wijst ook de schadevergoedingsvordering van [appellant] in hoger beroep af.
realisatie twee deuren en raam
3.15.
Het tweede punt dat partijen verdeeld houdt, is de vraag of zij overeengekomen zijn dat Agrion twee loopdeuren en een raam in de voorgevel van de schuur zou realiseren of alleen uitsparingen voor die deuren en het raam. Volgens [appellant] zijn partijen de realisatie van de deuren en het raam overeengekomen, wat volgens hem blijkt uit de offerte van 26 april 2022, waarin is beschreven: ‘Bij de entree hebben wij de voorgevel benoemd. Hier gaan wij sandwichpanelen leveren en monteren vanaf de vloer tot aan de bestaande goot, 3,00 meter hoog. (…) Hier hebben wij één loopdeur in gespaard die wordt afgewerkt met isolatie, underlayment en zetwerk’. Na het uitbrengen van de offerte zijn partijen mondeling overeengekomen dat er nog een loopdeur en een raam in de voorgevel zouden worden gerealiseerd, aldus [appellant] . Het offertebedrag bedraagt € 2.866,55 en is door [appellant] betaald. Agrion betwist dit (nader) te zijn overeengekomen en stelt wel te hebben besproken met [appellant] dat zij uitsparingen zou maken voor twee deuren en een raam, maar dat zij deze werkzaamheden niet kon verrichten omdat [appellant] niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Agrion de deuren en het raam zou realiseren. Voldoende blijkt volgens de kantonrechter dat Agrion wel voor de uitsparingen zou zorgen, maar zij heeft de vordering van [appellant] tot nakoming van deze afspraak afgewezen, omdat [appellant] nog niet beschikt over de vereiste vergunning. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en vordert in hoger beroep dat het deel van de overeenkomst tussen partijen ziende op de realisatie van de loopdeuren en het raam in de voorgevel van de schuur wordt ontbonden en dat Agrion het bedrag van € 2.866,55 dat [appellant] daarvoor heeft voldaan, terugbetaalt.
3.16.
Het hof zal deze vorderingen van [appellant] tot partiële ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van € 2.866,55 afwijzen. Om tot (partiële) ontbinding van een overeenkomst over te kunnen gaan, moet er sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en verzuim. Daarvan is hier geen sprake. Door [appellant] is onvoldoende onderbouwd dat partijen daadwerkelijke realisatie van de deuren en het raam zijn overeengekomen. Dit blijkt niet uit de tekst van de offerte, waarin wordt gesproken over het (uit)sparen van een loopdeur. In elk geval was dat niet kenbaar in de geoffreerde prijs begrepen. De stellingen van [appellant] dat het niet aannemelijk zou zijn dat partijen alleen het maken van uitsparingen zijn overeengekomen en de prijs van de offerte daar ook niet naar is, zijn onvoldoende concreet in het licht van de uitdrukkelijke betwisting van Agrion. Het hof komt daarom niet toe aan bewijslevering op dit punt. Door [appellant] is verder niet weersproken dat voor de overeengekomen werkzaamheden, het realiseren van uitsparingen voor twee deuren en een raam, een vergunning is vereist en dat hij die niet had toen de werkzaamheden door Agrion zouden moeten worden uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] , nadat hij de vereiste vergunning had verkregen, Agrion hierover heeft ingelicht en haar in de gelegenheid heeft gesteld alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, eventueel met een termijn tot nakoming. Van een geldige ingebrekestelling en verzuim is dus geen sprake. Dat uit de proceshouding van Agrion zou moeten worden afgeleid dat zij in de nakoming van de overeenkomst tekort zou schieten, zodat het verzuim volgens artikel 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling is ingetreden, zoals [appellant] stelt, gaat niet op. Agrion stelt te hebben aangeboden het overeengekomen werk alsnog te komen verrichten als [appellant] over de vergunning beschikt, en [appellant] heeft dit onvoldoende weersproken. De vorderingen van [appellant] op dit punt worden dus afgewezen.
gebruik hoogwerker
3.17.
[appellant] vordert, ten slotte, een vergoeding van € 40,- van Agrion voor het gebruik van [appellant] ’ hoogwerker gedurende twee dagen. [appellant] beroept zich voor deze vordering primair op onverschuldigde betaling en subsidiair op onrechtmatige daad. Het hof wijst deze vordering op beide gronden af.
3.18.
Vast staat dat het gebruik van een hoogwerker onderdeel was van de overeenkomst tussen partijen (in elk geval ten behoeve van de montage van het ventilatieplafond) en dat [appellant] daarvoor ook heeft betaald. Vast staat ook dat gedurende twee dagen door Agrion de hoogwerker van [appellant] is gebruikt voor de overeengekomen werkzaamheden. Volgens Agrion is dat zo gelopen omdat [appellant] (zonder afstemming met Agrion) zijn metselaar op dezelfde dag had ingepland als Agrion. Omdat de metselaar bezig was met werkzaamheden kon Agrion niet met haar eigen rolsteiger/hoogwerker op de bouwlocatie komen en is samen met [appellant] besloten om het zo op te lossen. [appellant] heeft daarbij niet te kennen gegeven dat hiervoor kosten in rekening zouden worden gebracht, aldus Agrion. Dit alles is door [appellant] niet (voldoende gemotiveerd) betwist, zodat niet is vast komen te staan dat het gebruik van [appellant] ’ hoogwerker door Agrion zonder recht of titel en daarmee onrechtmatig was. Dat [appellant] heeft betaald voor het gebruik van de hoogwerker van Agrion, is gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst en om die reden in beginsel niet onverschuldigd gedaan. De nadere afspraak tussen partijen dat Agrion twee dagen de hoogwerker van [appellant] gebruikt in plaats van haar eigen hoogwerker maakt – zonder nadere uitleg, die [appellant] niet heeft gegeven – niet dat die op de eerdere overeenkomst gebaseerde betaling onverschuldigd is.
overige grieven
3.19.
[appellant] voert nog bezwaren aan tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij de betaling van wettelijke handelsrente aan Agrion verschuldigd is, omdat hij – primair – betaling van de openstaande facturen terecht heeft opgeschort gezien de tekortkoming van Agrion en – subsidiair – die facturen pas vanaf 20 juli 2023 moet betalen omdat op die datum het werk definitief is opgeleverd. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 3.12 tot en met 3.14 oordeelt het hof dat [appellant] gehouden was de openstaande facturen te betalen, hij dit niet heeft gedaan en de kantonrechter [appellant] daarom terecht heeft veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente over de bedragen van de facturen vanaf de vervaldatum van iedere respectievelijke factuur. Het hof bekrachtigt dit oordeel van de kantonrechter.
3.20.
[appellant] maakt ten slotte bezwaar tegen de veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] is het niet oneens met de hoogte van het bedrag, maar stelt dat Agrion, met een consument ( [appellant] ) als wederpartij, onvoldoende heeft aangetoond incassowerkzaamheden te hebben verricht die niet de voorbereiding van de gedingstukken en de instructie van de zaak betreffen en dus voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Agrion heeft volgens [appellant] enkel een (herhaalde) geautomatiseerde aanmaning verzonden en dit is volgens Rapport BGK-Integraal 2013 (hierna: Rapport BGK) onvoldoende. Het hof oordeelt dat [appellant] niet handelde als consument, maar in de uitoefening van zijn bedrijf, [naam1] . De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten moet daarom worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Agrion heeft voldoende onderbouwd incassowerkzaamheden te hebben verricht, gelet op de meerdere schriftelijke aanmaningen die zij [appellant] zelf gestuurd heeft (zie productie 5 bij inleidende dagvaarding) en de in opdracht van Agrion aan [appellant] verstuurde sommaties van 29 augustus 2023 en 14 september 2023 (productie 7 en 8 bij inleidende dagvaarding). De grief van [appellant] slaagt dus niet en het hof bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter op dit punt.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 3 juli 2024;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Agrion:
€ 798,- aan griffierecht
€ 2.280 aan salaris van de advocaat van Agrion (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief I)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, L.J. de Kerpel-van de Poel en K. Mans en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
Zie voor het bestreden vonnis ECLI:NL:RBGEL:2024:4009
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.