Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4156

2026-06-23 Civiel recht 200.350.086
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-06-23
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.350.086
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst voor werkzaamheden aan een vliegtuig. Vaststelling inhoud overeenkomst.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.327 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.350.086
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 10872049




arrest van 23 juni 2026




in de zaak van





BV [appellant]

die is gevestigd in [vestigingsplaats] , België
hierna: [appellant]
advocaat: mr. A.C.G. Reezigt



en





[geïntimeerde]


die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M. Arraiss






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 4 maart 2025 heeft op 27 maart 2025 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de memorie van grieven van [appellant]


de memorie van antwoord van [geïntimeerde]


een akte uitlating producties van [appellant]


een antwoordakte van [geïntimeerde] .





1.2.
Hierna heeft het hof arrest bepaald op heden.






2De kern van de zaak


2.1.

[appellant] heeft in opdracht van [geïntimeerde] werkzaamheden verricht aan het vliegtuig van [geïntimeerde] . Partijen zijn het oneens over welke werkzaamheden [appellant] voor [geïntimeerde] zou verrichten en voor welke werkzaamheden [geïntimeerde] moet betalen.



2.2.

[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] een bedrag van € 19.778,78 plus wettelijke rente en een schadevergoeding moet betalen.



2.3.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat haar afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.



2.4.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt en houdt het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof licht zijn beslissing hierna toe. De bezwaren (grieven) van [appellant] zullen hierbij thematisch worden behandeld.






3De toelichting op de beslissing van het hof



feitelijke achtergrond




3.1.
Het hof gaat uit van de feiten zoals die onder rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.11 van het vonnis door de kantonrechter zijn vastgesteld. Het hof zal met het oog op de leesbaarheid van het arrest de essentie daarvan als volgt weergeven, en op een enkel punt aanvullen.



3.2.

[appellant] is een onderneming die sportvliegtuigen bouwt en zich bezighoudt met ontwerp en bouw van vliegtuigen. [geïntimeerde] heeft in maart 2017 een vliegtuig gekocht dat ooit was gebouwd door [appellant] . Op 14 november 2017 zijn [appellant] en [geïntimeerde] op basis van een offerte overeengekomen dat [appellant] voor een bedrag van € 26.455,44 werkzaamheden aan het vliegtuig zou verrichten. Dat betrof met name de installatie van avionica (naar het hof begrijpt: de elektronische apparatuur waarmee de piloot kan navigeren en communiceren). [geïntimeerde] zou daarnaast ook zelf aan het vliegtuig werken.



3.3.
In juli 2019 heeft [appellant] de slotfactuur voor het bedrag van € 26.455,44 gestuurd met daarbij een factuur voor ‘voorschot’. Die zag op geleverde onderdelen en prestaties buiten de werkzaamheden op basis van de offerte en bedroeg € 15.125,-. [geïntimeerde] heeft deze facturen betaald. In december 2019 heeft [appellant] nog een factuur gestuurd op basis waarvan [geïntimeerde] nog € 26.886,66 zou moeten voldoen. Daarvan heeft hij € 7.107,88 betaald voor geleverde materialen en de rest onbetaald gelaten.



bevoegdheid en toepasselijk recht





3.4.
Ook in hoger beroep is uitgangspunt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en dat op de overeenkomst tussen partijen Nederlands recht van toepassing is.



standpunten partijen





3.5.
Partijen verschillen van mening over de werkzaamheden die [appellant] voor [geïntimeerde] heeft verricht en bij hem in rekening kon brengen. Volgens [appellant] betrof dit, naast de installatie van de avionica, ook de verdere opbouw en restauratie van het vliegtuig. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij die restauratie geadviseerd en bijgestaan. Zij onderbouwt dit met uitspraken van [naam1] van [appellant] (hierna: [naam1] ) over andere werkzaamheden die verricht zijn en verklaringen van [geïntimeerde] zelf en wijst daarnaast op het feit dat [geïntimeerde] een voorschot voor de door [appellant] verrichte werkzaamheden en de materialen die betrekking hebben op die extra werkzaamheden, heeft betaald. De overeenkomst die partijen hebben gesloten, is volgens [appellant] dan ook een gemengde overeenkomst: het betreft deels een aannemingsovereenkomst (voor de installatie van de avionica en andere restauratiewerkzaamheden) en deels een overeenkomst van opdracht (voor de advieswerkzaamheden). Daaruit volgt onder andere dat [geïntimeerde] een redelijk loon voor de werkzaamheden aan [appellant] moet betalen (op grond van artikel 7:405 BW). [appellant] heeft een gebruikelijk uurloon van € 55,- gehanteerd. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat dit een redelijk uurloon betreft, zodat [appellant] recht heeft op betaling van de door haar gemaakte uren (485 uur) vermenigvuldigd met € 55,-, met aftrek van het bedrag dat door [geïntimeerde] al is voldaan.



3.6.

[geïntimeerde] ziet dit anders. De assistentie en begeleiding bij de restauratie van het vliegtuig zou [appellant] gratis doen, als wederdienst voor het kopen door [geïntimeerde] van het door [appellant] gebouwde vliegtuig dat [appellant] graag weer vliegend wilde zien. Partijen zijn volgens [geïntimeerde] de levering en installatie van de avionica overeengekomen (de opdracht van 14 november 2017) en daarnaast als meerwerk de installatie van andere elektra. Voor die laatste werkzaamheden heeft [appellant] echter nooit een prijs gegeven, ondanks dat [geïntimeerde] daar herhaaldelijk om heeft gevraagd. Tijdens een overleg met [geïntimeerde] en zijn echtgenote, [naam2] (hierna: [naam2] ) en [naam1] en hun vader [naam3] (hierna: [naam3] ) op 15 oktober 2018 heeft [appellant] aangegeven dat de extra werkzaamheden voor de elektra nog ongeveer 60 uur in beslag zouden nemen, zodat [geïntimeerde] niet meer uren dan dat aantal hoefde te verwachten. [geïntimeerde] heeft inmiddels buiten de opdracht voor de avionica van 14 november 2017 nog eens € 15.125,- aan [appellant] betaald, wat neerkomt op 227 uur aan werkzaamheden tegen een uurloon van € 55,- excl. btw. [geïntimeerde] heeft daarom volgens hem ruim voldoende aan [appellant] betaald en is niets meer aan [appellant] verschuldigd.



wat hebben partijen met elkaar afgesproken?





3.7.
Partijen zijn het erover eens dat [appellant] in ieder geval nieuwe avionica zou installeren in het vliegtuig van [geïntimeerde] . Partijen verschillen van mening over de vraag of [appellant] voor dit bedrag alleen de materialen voor de avionica zou leveren of de avionica ook zou inbouwen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] mocht verwachten dat de werkzaamheden betreffende de inbouw van de avionica ongeveer 100-150 uur zouden betreffen en hij daarvoor nog moest betalen. Noch [appellant] noch [geïntimeerde] heeft tegen dit oordeel van de kantonrechter gegriefd, zodat dit in hoger beroep als vaststaand moet worden aangenomen. Wel heeft [appellant] in hoger beroep (voor het eerst) nog aangevoerd dat de mechanische inbouw van de avionica apart in rekening zou worden gebracht. [geïntimeerde] weerspreekt dat de mechanische inbouw, die in de offerte is uitgesloten, ziet op de inbouw van avionica. In de eerste plaats wordt het aanbrengen van avionica nooit aangemerkt als mechanische inbouw. In de tweede plaats leidt hij uit de tekst van de offerte af dat de avionica ingebouwd zou worden geleverd. Tegenover deze betwisting heeft [appellant] haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. [geïntimeerde] rekent van zijn betaling van de factuur van 30 juli 2019 150 uur toe aan werkzaamheden voor de avionica, buiten de opdracht van 14 november 2017 om. Daar heeft [appellant] niets tegen ingebracht zodat het hof de werkzaamheden en betaling betreffende de avionica verder buiten beschouwing laat.



3.8.


[appellant] stelt dat zij 485 uur werk heeft verricht voor ‘Werk & assistentie bij restauratie vliegtuig, w.o. vernieuwen elektrische installatie, monteren & afstellen, calibraties & checkout’, zoals vermeld op de factuur van december 2019. Volgens haar moet [geïntimeerde] daarvoor betalen. [geïntimeerde] betwist dat en stelt zich op het standpunt dat hij naast de installatie van de avionica uitsluitend de installatie van (andere) elektra aan [appellant] in opdracht heeft gegeven. Het hof oordeelt dat [appellant] onvoldoende heeft aangetoond dat partijen daarnaast nog andere werkzaamheden tegen betaling zijn overeengekomen. Het hof overweegt daartoe als volgt. [appellant] onderbouwt haar standpunt dat er meer betaalde werkzaamheden zijn overeengekomen in de eerste plaats met een schriftelijke verklaring van [naam1] , waarin staat:
‘ [geïntimeerde] en [naam4] sleutelden eerst zo veel als mogelijk bij hen thuis aan het toestel. In de 2de fase kwam het toestel, zoals afgesproken met [naam2] , naar onze loods om onder andere de vleugels terug te monteren, de afstellingen van het besturingssysteem, afstemming motor en inbouwen van de avionica. (…)

[geïntimeerde] en [naam4] werkten onder onze supervisie. Waar hulp nodig was op mechanisch en technisch vlak sprong ik hen bij met raad en daad. Soms waren er wisselonderdelen nodig: moertjes en boutjes, klemmetjes, rubbers, ... alles werd bijgehouden en systematisch doorgegeven aan [naam2] . (…)’




3.9.
Volgens [appellant] moet uit deze verklaring worden afgeleid dat [appellant] voor [geïntimeerde] ook andere werkzaamheden dan de installatie van de avionica en elektra heeft verricht en dat ook de advisering bij de restauratie bij de opgedragen werkzaamheden hoorde. Het hof volgt [appellant] hierin niet. [naam1] maakt in deze verklaring niet duidelijk door wie de genoemde werkzaamheden werden verricht in de loods van [appellant] . Volgens [geïntimeerde] verrichtte hij die grotendeels zelf. Daarnaast blijkt uit deze verklaring niet dat voor zover [appellant] advieswerkzaamheden heeft verricht en hielp bij de restauratie van het vliegtuig, dat onderdeel was van de opdracht aan [appellant] . [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat hij voor advies en begeleiding bij de restauratie moest betalen. Dit blijkt volgens hem uit de door [appellant] opgestelde en als productie 8 bij dagvaarding overgelegde urenspecificatie waarin 130 uur van [naam2] is opgenomen voor ‘voorbereiding[…], en 180 uur van [naam1] voor ‘maken & monteren van onderdelen […]’, waar bij beide posten is vermeld dat deze uren niet worden ‘aangerekend’. Daarnaast is door [naam1] verklaard dat er geen uren van hem zijn en dat hij zijn uren nooit opschreef. Dat [appellant] [geïntimeerde] over de streep getrokken heeft om het vliegtuig te kopen met de belofte hem (al dan niet gratis) te adviseren en begeleiden bij de restauratie, is door [appellant] ook niet weersproken.



3.10.


[appellant] onderbouwt haar stelling verder met een Whatsapp-bericht van [geïntimeerde] aan de heer [naam5] , de vorige eigenaar van het vliegtuig, waarin staat:
‘We moeten wachten tot hij klaar is. Daarna kunnen de vleugels er aan en de laatste mechanische zaken afwerken. (…) En dan begint het gevecht over het geld dat we zullen moeten betalen. Ik vrees dat daar ook het laatste woord ook nog niet over gesproken is.’
Uit dit Whatsapp-bericht volgt volgens [appellant] dat zij meer heeft gedaan aan het vliegtuig dan de installatie van de avionica en dat [geïntimeerde] ook begrepen heeft dat hij hiervoor nog moest betalen. Dit overtuigt evenmin. Volgens [geïntimeerde] spreekt uit dit bericht slechts onzekerheid over de hoogte van de kosten voor de andere elektrawerkzaamheden die hij nog zou moeten voldoen, omdat [appellant] daar ook na herhaaldelijk verzoek geen prijs voor gaf. Door [appellant] is dit niet weersproken en dit wordt eveneens bevestigd door [naam1] die verklaart:
‘Hierbij vroegen [geïntimeerde] en [naam4] regelmatig aan [naam2] een stand van zaken van de rekening. Het antwoord hierop was steeds: het zal niet zoveel zijn ...’.
In dat licht kan niet redelijkerwijs worden vastgesteld dat de opmerking van [geïntimeerde] over een ‘gevecht om geld’ op meer of iets anders zou zien dan de betaling van de elektrawerkzaamheden.




3.11.
Verder voert [appellant] aan dat [geïntimeerde] de factuur van juli 2019 heeft betaald en dat die factuur vermeldt: ‘voorschot op geleverde onderdelen en prestaties, buiten orderbevestiging [nummer] ’ (dat betreft de overeenkomst van 14 november 2017). Dat betekent volgens [appellant] dat hij ermee instemde dat later nog een eindafrekening zou volgen voor de gemaakte uren. Ook hierin volgt het hof [appellant] niet. Uit de enkele betaling van de voorschotfactuur, met daarop de door [appellant] gekozen bewoordingen, kan niet de overeenkomst worden afgeleid die [appellant] aan haar vorderingen ten grondslag legt. Daarbij merkt het hof op dat [geïntimeerde] kennelijk de voorschotfactuur ook als zodanig heeft opgevat, aangezien hij van de latere eindfactuur nog een gedeelte heeft voldaan voor materialen. Meer kan daaruit niet worden afgeleid.



3.12.
Ten slotte heeft [appellant] zich nog beroepen op het door haar overgelegde urenoverzicht. Dat helpt haar evenmin. Uit dit overzicht volgt immers niet dat de werkzaamheden door [geïntimeerde] aan [appellant] in opdracht zijn gegeven. Daarbij draagt [geïntimeerde] terecht aan dat dit urenoverzicht voor het eerst in de procedure is overgelegd door [appellant] , zodat ook niet blijkt dat [geïntimeerde] op de hoogte was van deze uren of met facturatie daarvan instemde. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende heeft aangetoond dat partijen meer werkzaamheden zijn overeengekomen dan de installatie van de avionica en andere elektra, zodat het hof daarvan uitgaat.



wat moet [geïntimeerde] voor de opgedragen werkzaamheden betalen?





3.13.
Het hof komt nu toe aan de vraag hoe de overeenkomst die partijen hebben gesloten moet worden gekwalificeerd en welke gevolgen dit heeft voor de betaling van de werkzaamheden door [geïntimeerde] . Het hof oordeelt, net als de kantonrechter, dat sprake is van een aannemingsovereenkomst in de zin van artikel 7:750 BW. Door [appellant] is niet voldoende onderbouwd dat advies- of andere begeleidingswerkzaamheden ook onderdeel waren van de opdracht, zodat vaststaat dat deze bestond uit de levering en installatie van avionica en andere elektra in het vliegtuig. Dit komt neer op het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard. Ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat de uitkomst zoals hierna te bespreken geen andere was geweest indien sprake was van een gemengde overeenkomst, zoals [appellant] meent.



3.14.
Omdat partijen bij het sluiten van de overeenkomst de prijs voor het aantal te werken uren aan de elektra niet hebben bepaald, geldt op grond van artikel 7:752 lid 1 BW dat [geïntimeerde] voor die werkzaamheden een redelijke prijs verschuldigd is. Bij het bepalen van die redelijke prijs moet rekening worden gehouden met de door [appellant] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door haar ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Partijen zijn het erover eens dat een uurloon van € 55,- redelijk is.



3.15.

[geïntimeerde] stelt over de werkzaamheden voor de elektra dat hij mocht verwachten dat hier nog ongeveer 60 uur mee gemoeid zou zijn, naast 150 uur voor het aanbrengen van de avionica. Dit baseert hij op wat is gezegd tijdens het gesprek van 15 oktober 2018 (zie rechtsoverweging 3.6). Tijdens dat gesprek heeft de vader van [naam2] en [naam1] een lijst opgesteld met onderhanden en nog te verrichten werkzaamheden aan het vliegtuig, met daarbij de verantwoordelijke persoon en de te verwachten nog te werken uren of einddatum. Deze lijst is door [geïntimeerde] overgelegd als productie 6 bij conclusie van antwoord. Op deze lijst is vermeld dat met ‘bedrading’ nog 60 uur werk gemoeid zou zijn, dat moest worden uitgevoerd door [appellant] . [appellant] voert aan dat deze lijst de afspraken die gemaakt zijn tijdens dit gesprek niet juist weergeeft, maar wat er niet aan klopt en waarom niet, is door [appellant] verder niet toegelicht. Evenmin is gebleken dat [appellant] eerder gemeld heeft dat het verslag een onjuiste of onvolledige weergave is van wat tijdens dat gesprek aan de orde is gekomen en is afgesproken. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de lijst met werkzaamheden. Verder heeft [appellant] niet aangevoerd en is ook niet anderszins gebleken dat [geïntimeerde] moest verwachten dat er meer dan 60 uur met de installatie van de elektra gemoeid zou zijn. [geïntimeerde] mocht daar dus vanuit gaan en heeft met betaling van € 15.125,- voldaan aan zijn betalingsverplichting voor de overeengekomen werkzaamheden.



ongerechtvaardigde verrijking





3.16.
Ten slotte heeft [appellant] zich nog beroepen op de ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] door de uitgevoerde advies- en restauratiewerkzaamheden. [geïntimeerde] zou daarom schadevergoeding moeten betalen ter waarde van de door [appellant] geleverde materialen en diensten. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] daarvoor onvoldoende gesteld. [geïntimeerde] heeft de geleverde materialen betaald, zodat ten aanzien daarvan geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Voor wat betreft de geleverde diensten heeft [appellant] verder niet gespecificeerd welke zij zou hebben verricht zonder grondslag en hoe [geïntimeerde] daardoor, ten koste van haar, is verrijkt (nog afgezien van het feit dat [geïntimeerde] de juistheid van de hoeveelheid uren, zoals [appellant] die achteraf heeft opgevoerd, uitvoerig gemotiveerd en onderbouwd heeft betwist). Voor de advieswerkzaamheden die [appellant] stelt te hebben geleverd, geldt dat [geïntimeerde] hierover gemotiveerd heeft aangevoerd dat partijen hebben afgesproken dat [appellant] dit zou doen om niet (zie ook rechtsoverweging 3.9.).



slotoverwegingen: consumentenbescherming; bewijs





3.17.
Het hof moet ambtshalve nagaan of [appellant] als handelaar in de zin van het consumentenrecht niet in strijd heeft gehandeld met bepalingen uit het consumentenrecht. Aangezien het hof de vordering van [appellant] al om andere redenen afwijst, komt het hof er niet aan toe om te beoordelen of [appellant] heeft voldaan aan – met name – haar informatieplichten op grond van de Richtlijn Consumentenrechten (2011/83/EU).



3.18.

[appellant] heeft aangeboden te bewijzen dat de door haar gestelde werkzaamheden terecht zijn doorberekend aan [geïntimeerde] . Dat bewijsaanbod is onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Van [appellant] mocht worden verwacht dat zij concreet zou maken van welke stellingen zij bewijs aanbiedt die tot de slotsom zouden moeten leiden dat de gestelde werkzaamheden terecht zijn doorberekend. Dat heeft zij niet gedaan.



conclusie





3.19.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



3.20.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).






4De beslissing


Het hof:



4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 3 juli 2024;



4.2.

veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 798,- aan griffierecht
€ 4.175,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief III).




4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;



4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. D.W.J.M. Kemperink, G.D. Hoekstra en R. Verkijk en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.










HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.