Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2019:1857

2019-02-19 Bestuursrecht; Belastingrecht 16/01335 en 16/01336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2019-02-19
Publicatiedatum
2019-02-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
16/01335 en 16/01336
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2019/483 | V-N 2019/18.1.6 | WR 2019/66 | NLF 2019/0587 | NTFR 2019/752 met annotatie van Mr. A. Dinée | FutD 2019-0604 | Viditax (FutD) 2019030108 | Viditax (FutD) 2019071917

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verhuurderheffing. Beheerstichting van een hofje. Individuele en buitensporige last?

Citeert (5)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (19.711 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers 16/01335 en 16/01336
uitspraakdatum: 19 februari 2019



Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van



de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 september 2016, nummers AWB 15/3694 en AWB 15/6807, ECLI:NL:RBGEL:2016:5131 in het geding tussen de Inspecteur en





[X]
te [Z] (hierna: belanghebbende)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft op 29 september 2014 op aangifte € 8.161 aan verhuurderheffing over het jaar 2014 voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte.



1.2.
De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft op 7 augustus 2015 op aangifte € 9.258 aan verhuurderheffing over het jaar 2015 voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte.



1.4.
De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.



1.5.
Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de verhuurderheffing voor beide jaren verminderd tot nihil.



1.6.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende is de beheerstichting van een hofje te [Z] (hierna: het hofje). Het hofje bestaat uit 24 woningen (hierna: de woningen) en is gesticht in de tweede helft van de negentiende eeuw, met als doel armlastige weduwen van hervormde gezindheid een woning te bieden. Thans heeft belanghebbende als doel woonruimte te bieden aan minder draagkrachtige huurders, waarbij een eigentijdse invulling wordt gegeven aan diaconale beginselen. In beginsel komen enkel alleenstaanden tot 30 jaar met een bruto jaarinkomen van maximaal € 22.000 (prijspeil 2016) voor een woning in aanmerking.



2.2.
De woningen betreffen huurwoningen als bedoeld in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Voor de kalenderjaren 2014 en 2015 heeft belanghebbende op aangifte de volgende bedragen aan verhuurderheffing voldaan:












2014


2015




Aantal objecten


24


24




Som WOZ-waarden


€ 3.672.000


€ 3.535.000




Vrijstelling


€ 1.530.000


€ 1.472.917




Belastbaar bedrag


€ 2.142.000


€ 2.062.083




Tarief


0,381%


0,449%




Verhuurderheffing


€ 8.161


€ 9.258








2.3.
De balansen van belanghebbende voor 2014 en 2015 zijn als volgt:












31 december 2014


31 december 2015







€


€




Activa










Materiële vaste activa


1.025.869


889.085




Liquide middelen


844.745


874.983




Nog te ontvangen


12.462


7.972















Totaal


1.883.077


1.772.040





Passiva










Eigen vermogen


1.616.870


1.507.087




Voorziening onderhoud


197.708


202.578




Voorziening CV-installaties


50.523


49.473




Nog te betalen


17.977


12.903















Totaal


1.883.077


1.772.040








2.4.
De staat van baten en lasten van belanghebbende voor 2014 en 2015 zijn:












2014


2015







€


€




Baten










Huur woningen


87.317


91.938




Rente spaarrekeningen/deposito


10.314


7.566




Overig


1.880


1.786















Totale baten


99.512


101.290





Lasten










Lasten i.v.m. onroerend goed










Onderhoud


39.360


39.360




Vervanging CV-installaties


4.080


4.080




Belastingen algemeen


10.077


10.152




Verhuurderheffing


8.161


9.258




Verzekering


2.000


2.000




Afschrijving onroerende goederen


29.376


27.184




Totaal



93.055


92.034




Diverse lasten










Bankkosten


318


144




Administratiekosten


7.036


7.387




Accountantskosten


998


1.434




Algemene kosten


3.800


474




Totaal


12.152


9.439















Totale lasten


105.207


101.472















Resultaat


-/- 5.695


-/- 183








2.5.
De bezwaren van belanghebbende tegen de voldoeningen op aangifte zijn niet-ontvankelijk (2014) respectievelijk ongegrond (2015) verklaard. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.



2.6.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn ter zake van het jaar 2014 verschoonbaar is. Gelet op het verzoek van partijen aan de Rechtbank zelf in de zaak te voorzien, heeft de Rechtbank ook inhoudelijk over 2014 beslist. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verhuurderheffing in beide jaren (2014 en 2015) bij belanghebbende leidt tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van rechten van de mens (hierna: artikel 1 EP) omdat sprake is van een individuele en buitensporige last voor belanghebbende. De Rechtbank heeft de beroepen voor de jaren 2014 en 2015 gegrond verklaard en de verschuldigde verhuurderheffing verminderd tot nihil.






3Geschil


3.1.
In hoger beroep is tussen partijen de hoogte van de door belanghebbende verschuldigde verhuurderheffing over 2014 en 2015 in geschil.



3.2.
De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 EP. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de voldoening op aangifte 2014 betreft en voor het overige tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voorts concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en tot een verschuldigde verhuurderheffing van € 8.161 (2014) respectievelijk € 8.899 (2015).



3.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.






4Beoordeling van het geschil


4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de verhuurderheffing op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP. Partijen houdt verdeeld, kort gezegd, of er ten aanzien van belanghebbende sprake is van een individuele en buitensporige last.



4.2.
Het Hof stelt voorop dat van een individuele en buitensporige last alleen sprake kan zijn indien en voor zover de last zich in het geval van de belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen (HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103 en HR 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442). Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (HR 6 april 2018, nr. 17/01852, ECLI:NL:HR:2018:511). Een dergelijke situatie kan zich ten aanzien van die belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle verhuurders in het gereguleerde segment geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar teweegbrengen. De bewijslast voor het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden rust op belanghebbende.



4.3.
Belanghebbende heeft onder meer betoogd dat de constatering dat sprake is van een individuele en buitensporige last niet kan worden weggenomen door de aanwezigheid van overige activa. De verhuurderheffing moet enkel worden afgezet tegen de door deze heffing getroffen activa, derhalve de woningen, aldus belanghebbende. Bovendien renderen de overige activa amper en houden deze zelfs de inflatie niet bij. Belanghebbende verwijst in dit kader nog naar de uitspraak van het EHRM van 14 mei 2013, nr. 66529/11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911.



4.4.
Het Hof is van oordeel dat, nu rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval, in dit geval ook rekening moet worden gehouden met de aanwezige liquide middelen. Zelfs indien de op de balans gepresenteerde voorzieningen voor onderhoud en CV-installaties daarop volledig in mindering worden gebracht, bedragen de resterende liquide middelen voor 2014 (€ 844.745 -/- € 197.708 -/- € 50.523 =) € 596.514 en voor 2015 (€ 874.983 -/- € 202.578 -/- € 49.473 =) € 622.932. Deze (vrij beschikbare) bedragen zijn, afgezet tegen de verschuldigde verhuurheffing van € 8.161 (2014) respectievelijk € 9.258 (2015), dermate hoog dat naar het oordeel van het Hof in dit geval niet kan worden gezegd dat er sprake is van een individuele en buitensporige last. De door belanghebbende genoemde uitspraak van het EHRM van 14 mei 2013 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de feiten en omstandigheden in die zaak niet te vergelijken zijn met die in de onderhavige procedure.



Slotsom


Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.







5Griffierecht en proceskosten


Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof:


– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskostenvergoeding en het griffierecht,
– verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen voor 2014 en 2015 gegrond,
– vernietigt de uitspraken op bezwaar,
– stelt de verhuurderheffing voor 2014 vast op € 8.161, en
– stelt de verhuurderheffing voor 2015 vast op € 8.899.



Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.



De beslissing is op 19 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.




De griffier, De voorzitter,





(J.H. Riethorst) (B.F.A. van Huijgevoort)



Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 februari 2019.






Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),


Postbus 20303,


2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.