Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:981

2026-04-14 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.362.006/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-04-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.362.006/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2026:193. Artikel 1:253a BW; bekrachtiging hoofdverblijfplaats, hetgeen een verhuizing van de minderjarige tot gevolg heeft, en bekrachtiging zorgregeling. Artikel 812 lid 2 Rv; verzoek om zo nodig met behulp van de sterke arm de minderjarige aan de vader te doen afgeven. Zie ook de zaak over de ondertoezichtstelling (zaaknummer 200.364.597).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (36.828 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)


zaaknummer: 200.362.006/01
zaaknummer rechtbank: C/13/739134 / FA RK 23-5969



beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak van





[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,



en





[de moeder] ,

wonende te [plaats B] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Linne.



Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), in deze procedure vertegenwoordigd door de bijzondere curator [curator] (hierna: de bijzondere curator).


Het hof heeft als informant aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] (hierna: de GI).


In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.






1De zaak in het kort


De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] (9 jaar) en de zorgregeling die afhankelijk van haar hoofdverblijfplaats zal moeten gelden. De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de moeder in Nederland zal verblijven gedurende alle schoolvakanties in [plaats A] . De moeder is het daarmee niet eens. De vader is het eens met de bestreden beschikking.







2De procedure in hoger beroep


2.1
De vader is op 28 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 november 2025 (hierna de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), omdat deze niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.



2.2
De moeder heeft op 4 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.



2.3
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om haar mening te geven. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.



2.4
Op 8 januari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden, waar alleen het principaal hoger beroep is behandeld dat tot doel had de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof heeft in de beschikking van 27 januari 2026 met hetzelfde zaaknummer als onderhavige zaak (200.362.006/01) de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover de rechtbank het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan had afgewezen.



2.5
In voormelde beschikking heeft het hof eveneens bepaald dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift in incidenteel hoger beroep voor de bijzondere curator loopt tot en met 10 maart 2026.



2.6
De vader heeft op 22 januari 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.



2.7
Daarna heeft het hof een bericht van de moeder van 8 maart 2026 met bijlage ontvangen.



2.8
De bijzondere curator heeft op 9 maart 2026 een verslag ingediend van haar gesprek met [minderjarige] .



2.9
De mondelinge behandeling van het incidenteel hoger beroep heeft op 11 maart 2026 plaatsgevonden, gelijktijdig met de zaak met nummer 200.364.597/01. Daarbij waren aanwezig:
- de vader (via een videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat vergezeld van een stagiaire,
- de advocaat van de moeder,
- een tolk in de Hongaarse taal, G.I. Dandoy,
- de raad, vertegenwoordigd door I.L.C. Stuifbergen,
- de bijzondere curator,
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Ter zitting heeft de vader in principaal hoger beroep een nader verzoek gedaan, zoals hierna nog te omschrijven.


Op verzoek van de vader heeft het hof, gehoord partijen, beslist dat gelet op de reisafstand van de vader, hij via een videoverbinding aan de zitting deel kon nemen. De moeder heeft gevraagd ook digitaal aan de behandeling te kunnen deelnemen. Ook aan haar is hiertoe de gelegenheid geboden.



De moeder is behoorlijk opgeroepen voor de zitting en, hoewel op eigen verzoek in staat gesteld om hieraan via een videoverbinding deel te nemen, niet verschenen.
De advocaat van de moeder heeft verklaard dat zij net voor aanvang van de behandeling een bericht van de moeder heeft gekregen dat de bloedsuikerspiegel van [minderjarige] zodanig laag was dat de moeder ervoor moest zorgen dat [minderjarige] te eten zou krijgen. De advocaat van de moeder heeft de moeder voorgesteld om op een later moment alsnog via de digitale verbinding aan te sluiten bij de zitting. Gelet daarop is de tolk aanwezig gebleven.
De moeder heeft niet meer deelgenomen aan de zitting.







3De feiten


3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats C] .
De ouders hebben tot februari 2019 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de moeder.




3.2
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 31 juli 2019 is een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de vader en [minderjarige] eens per week begeleide omgang hebben. Definitieve beslissingen ten aanzien van de omgang en het gezag zijn toen aangehouden in afwachting van een raadsonderzoek.



3.3
Bij beschikking van 1 oktober 2020 heeft de kinderrechter van de rechtbank [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. Die maatregel is daarna steeds verlengd en is per 1 april 2024 geëindigd.



3.4
Bij beschikking van 2 december 2020 heeft de rechtbank bepaald dat onder regie en begeleiding van de GI gewerkt zal worden aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . De verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en het gezag zijn aangehouden.



3.5
Bij beschikking van 21 mei 2021 heeft de rechtbank, nu voldoende was gesteld en gebleken dat nog niet was toegewerkt naar contactherstel tussen de vader en [minderjarige] door toedoen van de moeder, de zaak ten aanzien van de omgang aangehouden voor de duur van vijf weken, in afwachting van een concreet plan van aanpak van de GI om toe te werken naar contactherstel. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten afgewezen.



3.6
Bij beschikking van 28 juli 2021 heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 31 juli 2019, gewijzigd en bepaald dat de GI, in het kader van een voorlopige zorgregeling, in afwachting van de door Altra te starten Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding en de door Altra te begeleiden omgang tussen de vader en [minderjarige] , medio augustus 2021 een contact tussen de vader en [minderjarige] zal arrangeren via beeldbellen, welk contact de GI zal voorbereiden en begeleiden. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de Gl, indien en voor zover Altra in september 2021 niet is gestart met Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding en niet is gestart met de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] , in september 2021 nog een contact tussen de vader en [minderjarige] zal arrangeren via beeldbellen, welk contact de Gl zal voorbereiden en begeleiden. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van de zorgregeling, gelijktijdig met een behandeling van een eventueel door de GI nog in te dienen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, wordt voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip vóór 1 oktober 2021.



3.7
Bij beschikking van 6 april 2022 heeft de rechtbank bepaald dat het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan is ten aanzien van de zorgregeling opgenomen dat elk contact in overleg plaatsvindt en dat de omgang in de weekenden, op feestdagen en in de vakanties gezamenlijk plaatsvindt.


3.8
Bij beschikking van 14 maart 2023 heeft de rechtbank de schriftelijke aanwijzing van de GI van 22 december 2022 bekrachtigd, inhoudende dat:
- de moeder in contact treedt met en bereikbaar is voor de GI via de telefoon en/of e-mails. Dit betekent dat:

de moeder binnen 48 uur reageert op berichten van de GI;
de moeder ingaat op uitnodigingen van de GI voor een afspraak of uitvoerdersoverleg, daar verschijnt en dat als de moeder absoluut verhinderd is, zij zich uiterlijk één dag van tevoren afmeldt door een mail met reden van verhindering te sturen naar de gezinsmanager.

- de GI verwacht in ieder geval van de moeder dat zij op woensdag 4 januari 2023 om 13.30 uur op het kantoor van de GI aanwezig is voor een gesprek met de gezinsmanager.



3.9
Bij beschikking van 4 december 2023 heeft de rechtbank de beschikking van 6 april 2022 gewijzigd in zoverre, en bepaald dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders binnen nu en drie maanden contact tussen de vader en [minderjarige] zal plaatsvinden, buiten aanwezigheid van de moeder, op een nader door de GI in overleg met de vader te bepalen zaterdag- en zondagmiddag in hetzelfde weekend voor telkens twee uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en haar bij de moeder terugbrengt. Daarnaast heeft de rechtbank de zaak naar een meervoudige kamer verwezen.



3.10
Bij beschikking van 28 juni 2024 heeft de rechtbank mevrouw [curator] tot bijzondere curator over [minderjarige] benoemd.



3.11
Deze zaak is bij de rechtbank ter zitting behandeld op 7 oktober 2025, gelijktijdig met de zaak met nummer C/13/773133 / JE RK 25-549. In laatstgenoemde zaak heeft de rechtbank bij beschikking van 4 november 2025 [minderjarige] (opnieuw) onder toezicht van de GI gesteld tot 4 november 2026. De moeder en de raad hebben in die zaak hoger beroep ingesteld (zaaknummer 200.364.597/01). Het hof doet in de zaak over de ondertoezichtstelling gelijktijdig uitspraak met deze zaak (het incidenteel hoger beroep).






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de vader, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald en als zorgregeling bepaald dat [minderjarige] bij de moeder in Nederland zal verblijven gedurende alle schoolvakanties in [plaats A] , waarbij de vader voor vervoer van [minderjarige] naar de moeder in Nederland zal zorgen.



4.2
De moeder verzoekt in het incidenteel hoger beroep, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen, de verzoeken van de vader af te wijzen en haar inleidende verzoek om een zorgregeling te bepalen alsnog toe te wijzen, inhoudende dat:
- de vader [minderjarige] eenmaal in de twee weken een weekend van vrijdagavond tot zondagavond in de woning van de moeder zal bezoeken, alsmede gedurende de eerste en derde woensdagmiddag van de maand;
- [minderjarige] onder begeleiding van haar moeder iedere schoolvakantie bij de vader in diens huis in [plaats A] zal doorbrengen.



4.3
De vader verzoekt in het incidenteel hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen. In principaal hoger beroep heeft hij ter zitting van 11 maart 2026 zijn verzoek aangevuld met een verzoek dat het hof op de voet van artikel 812 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat de afgifte van [minderjarige] aan hem zo nodig kan worden gerealiseerd met behulp van de sterke arm.





5De standpunten


5.1

De moeder is van mening dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader heeft bepaald. Zij voert hiertoe allereerst aan dat de zorgen over de opvoed- en opgroeisituatie van [minderjarige] bij haar ongefundeerd en ongespecificeerd zijn. Ook op school gaat het goed met [minderjarige] . Mocht er toch behoefte zijn geweest om zicht te krijgen op het functioneren van de moeder en [minderjarige] , dan had een Hongaarstalige psycholoog of orthopedagoog kunnen worden ingeschakeld. Dat heeft de moeder op alle eerdere zittingen voorgesteld, maar daar is niets mee gedaan. De moeder bestrijdt dat zij niet samenwerkt met de GI, het contact loopt juist goed. De moeder heeft de GI onlangs ook bij haar thuis uitgenodigd.
Voorts betwist de moeder dat zij de omgang tussen de vader en [minderjarige] in de weg staat. Wat de moeder betreft kan er altijd omgang plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] , zolang het maar in haar bijzijn is. Dit omdat de vader en [minderjarige] elkaar al lange tijd niet hebben gezien. De moeder heeft ook nog voorgesteld dat de GI aanwezig is bij de omgang, maar de vader wilde dat niet. Het is niet zo dat de GI zich eerder intensief heeft ingezet om tot contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader te komen.
De moeder verzet zich voorts tegen een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , omdat een verhuizing naar [plaats A] veel te radicaal is. [minderjarige] zal worden weggerukt van haar moeder, halfbroer [halfbroer] , school en al haar vriendjes en vriendinnetjes. [minderjarige] heeft ex artikel 8 EVRM recht op family life met haar halfbroer, omdat broer en zus ook daadwerkelijk samen zijn opgegroeid. Daar waar haar leven in [plaats B] vertrouwd is, moet [minderjarige] bij een verhuizing naar een vreemd land, naar een vader die zij al heel lang niet heeft gezien en naar diens vrouw en kinderen die zij niet eens kent. Bovendien is [minderjarige] de Franse taal niet machtig.




5.2
De vader is van mening dat de rechtbank op juiste gronden de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem heeft bepaald. [minderjarige] wordt in haar ontwikkeling bedreigd in de thuissituatie bij de moeder en er is daar nog steeds geen zicht op haar veiligheid. De ondertoezichtstelling met het doel om zicht te krijgen op [minderjarige] opvoedsituatie bij de moeder is niet uitvoerbaar gebleken; het lukt de GI al jaren niet om samenwerking met de moeder tot stand te brengen en de zorgen zijn onverminderd aanwezig. Zo zijn er zorgen dat [minderjarige] te afhankelijk is van de moeder en is sprake van veel schoolverzuim bij [minderjarige] . Ook is er nog altijd geen contact tussen de vader en [minderjarige] omdat de moeder niet meewerkt. De vader heeft [minderjarige] al zeer lange tijd niet gezien, hetgeen schadelijk is voor haar ontwikkeling. Vanwege het gebrek aan medewerking van de moeder aan hulpverlening, de zorgen over de thuissituatie bij haar en het ontbreken van contact tussen de vader en [minderjarige] , is het in het belang van [minderjarige] om naar haar vader te verhuizen. Hoewel een verhuizing naar [plaats A] zeer ingrijpend is voor [minderjarige] , is dat de enige mogelijkheid om haar in een stabiele situatie te laten opgroeien waarbij zij met beide ouders contact kan hebben. De vader is in staat [minderjarige] de nodige zorg te bieden, ook in de begeleiding bij haar suikerziekte. Ook is hij bereid hulp aan te nemen om [minderjarige] te begeleiden na de verhuizing. De vader werkt mee aan hulpverlening en zal het contact tussen de moeder en [minderjarige] faciliteren. [minderjarige] zal in de schoolvakanties naar Nederland kunnen gaan en de vader zal de reiskosten voor zijn rekening nemen.



5.3

Volgens de raad is het van belang dat [minderjarige] niet langer haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Er zijn al jaren zorgen zowel over het feit dat de moeder contact tussen de vader en [minderjarige] alleen op haar voorwaarden toelaat als over [minderjarige] thuissituatie bij de moeder. Die zorgen bestaan onder meer uit veelvuldig schoolverzuim, een zorgelijke hechtingsrelatie en de wederzijdse afhankelijkheid tussen de moeder en [minderjarige] . Daarbij is de manier waarop de moeder zeer gericht is op [minderjarige] suikerziekte zorgelijk en is mogelijk sprake van ziektewinst. Hoewel al jaren is geprobeerd zicht te krijgen op moeders functioneren en op haar opvoedershandelen, is dat nog steeds niet gelukt omdat de moeder elk contact afhoudt. Ook de raad heeft door toedoen van de moeder [minderjarige] niet kunnen spreken. Daarnaast speelt mee dat door moeders houding het al lange tijd niet lukt om contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen, terwijl het voor [minderjarige] ontwikkeling belangrijk is dat de vader een rol heeft in haar leven. De moeder geeft weliswaar aan dat de vader [minderjarige] te allen tijde kan zien, maar het is een feit dat de vader [minderjarige] niet ziet.
De GI heeft de afgelopen jaren alles binnen haar macht gedaan om medewerking van de moeder te krijgen, maar de moeder blijft alle hulpverlening afhouden. De ondertoezichtstelling is daardoor niet uitvoerbaar gebleken. De zorgen zijn echter dusdanig groot dat er een bedreiging bestaat voor het veilig opgroeien van [minderjarige] bij de moeder. Een uithuisplaatsing bij derden is heel ingrijpend voor [minderjarige] . De enige mogelijkheid die resteert is dat [minderjarige] naar de vader in [plaats A] verhuist. De vader houdt van haar en is bereid [minderjarige] op alle mogelijke manieren te begeleiden. Hij accepteert hulp en de raad vertrouwt erop dat hij het contact met de moeder zal faciliteren. Omdat een verhuizing naar [plaats A] zeer ingrijpende gevolgen heeft voor [minderjarige] is een ondertoezichtstelling nodig om haar daar goed op voor te bereiden. Het is in [minderjarige] belang dat dat stapsgewijs gaat en zij de vader eerst beter leert kennen. Ook is het voor [minderjarige] fijn als haar hond mee zou kunnen verhuizen naar [plaats A] .
De raad houdt er rekening mee dat de moeder niet zal meewerken aan de overdracht van [minderjarige] naar de vader en adviseert het hof te bepalen dat zo nodig de hulp van de politie kan worden ingezet.




5.4
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de rechtbank de ondertoezichtstelling niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard en dat door de instelling van het hoger beroep daartegen de GI nu geen geldige opdracht heeft in het kader van de ondertoezichtstelling. Dat leidt ertoe dat de GI formeel geen informatie kan verstrekken. Daarvoor is toestemming van beide ouders nodig, maar de moeder geeft daarvoor geen toestemming.



5.5
De bijzondere curator heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het haar ten tijde van de procedure bij de rechtbank niet is gelukt om toegang te krijgen tot [minderjarige] , maar dat zij haar inmiddels wel heeft kunnen spreken. De bijzondere curator kan echter geen advies geven over het hoofdverblijf, omdat zij [minderjarige] slechts eenmalig heeft gesproken en geen volledig beeld heeft van de situatie. Wel blijft het, gelet op de ontwikkelingsfase waarin [minderjarige] zich bevindt, belangrijk dat nu een beslissing wordt genomen over de verhuizing. Er zijn verschillende zaken die een rol spelen bij die beslissing. Enerzijds heeft een verhuizing een grote impact op [minderjarige] gevoel van veiligheid en verbinding. Anderzijds zijn er wel zorgelijke signalen. De moeder werkt niet samen met de hulpverlening. Ook is er al lange tijd geen contact tussen [minderjarige] en de vader, terwijl daarvoor geen belemmeringen zijn en contact op veilige wijze kan. Verder ziet de bijzondere curator dat [minderjarige] een negatief beeld heeft van haar vader dat niet door haarzelf is gevormd. Het is belangrijk dat [minderjarige] een eigen beeld van de vader kan vormen en daarvoor heeft zij emotionele toestemming nodig. Ook houdt [minderjarige] zich bezig met volwassenenzaken, zoals financiën, terwijl zij daar niet mee bezig zou moeten zijn. Als [minderjarige] naar [plaats A] moet verhuizen, is het belangrijk dat zij goede hulp krijgt om weer in verbinding te komen met haar vader.










6De beoordeling



Wettelijk kader




6.1
De rechter kan in het geval ouders samen het gezag hebben op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan - voor zover hier relevant - omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.



6.2
Het hof dient in dergelijke geschillen een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van de minderjarige dient daarbij een overweging van de eerste orde te zijn. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen andere belangen zwaarder wegen. Ten aanzien van de omgang tussen ouders en kinderen is het uitgangspunt dat tussen de niet verzorgende ouder en het kind contact is, tenzij is gebleken van één van de gronden zoals opgenomen in artikel 1:377a BW. Dat laatste is niet het geval.



De hoofdverblijfplaats





6.3
Uit de stukken en op de zitting in hoger beroep is gebleken dat er al veel is gebeurd in [minderjarige] jonge leven. De ouders hebben een turbulente relatie gehad, waarin zij regelmatig conflicten met elkaar hadden. Om die reden is in juni 2017 een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken. Die voorlopige maatregel is na een aantal maanden geëindigd, omdat het de ouders beter lukte om met elkaar samen te werken. In de periode daarna is hulpverlening in het vrijwillig kader ingezet. In februari 2019 zijn de ouders uit elkaar gegaan. Sindsdien woont [minderjarige] bij de moeder, waar haar halfbroer [halfbroer] ook woont. Na het uiteengaan van de ouders hadden [minderjarige] en de vader geen contact. In oktober 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld, onder meer omdat de moeder [minderjarige] onvoldoende emotionele toestemming gaf voor contact met de vader. Die maatregel heeft tot april 2024 geduurd. De redenen voor de verlengingen van de ondertoezichtstelling waren onder meer dat er zorgen waren over [minderjarige] opvoedsituatie bij de moeder, de hechting van [minderjarige] aan de moeder en het ontbreken van contact met de vader. Daarnaast was er sprake van aanhoudend schoolverzuim; [minderjarige] is in groep 3 blijven zitten omdat zij veel had gemist. Doordat de moeder al het contact met de GI afhield, bleven de zorgen bestaan. De maatregel werd daarom steeds nodig geacht en verlengd. Anders dan de moeder stelt, is er ook nu nog onvoldoende zicht op [minderjarige] ontwikkeling; de moeder werkt immers nog steeds onvoldoende mee aan hulpverlening. Dat zij vlak voor een zitting (wel) in gesprek gaat met de hulpverlening is onvoldoende om anderszins te oordelen. Het enkele feit dat de moeder zegt dat een Hongaarstalige psycholoog of orthopedagoog had kunnen worden ingeschakeld is evenmin voldoende om te kunnen spreken van medewerking en de gelegenheid bieden om inzicht te krijgen in de situatie van [minderjarige] . Daarvoor is immers ook van belang dat de GI, de leerplichtambtenaar en de school contact kunnen krijgen met zowel de moeder als [minderjarige] . Door een gebrek aan openheid en medewerking worden zorgen rondom de moeder en [minderjarige] niet weggenomen en komt er geen zicht op de mogelijkheden van de moeder, haar belemmeringen en wat zij nodig heeft om [minderjarige] goed te ondersteunen bij haar schoolgang, het aangaan van contact met haar vader en het binnen haar mogelijkheden zo optimaal mogelijk ontwikkelen tot een zelfstandig persoon. Ook nu geldt dat, omdat de moeder onbereikbaar is voor hulpverlening, de al jaren bestaande zorgen omtrent [minderjarige] niet zijn weggenomen.


6.4
Ook het contact tussen [minderjarige] en haar vader is na al die jaren nog steeds niet tot stand gekomen. Hoewel sinds juli 2019 bij verschillende beschikkingen is bepaald dat onder regie van de GI via hulpverleningstrajecten moet worden gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vader en de GI in dat kader een schriftelijke aanwijzing aan de moeder heeft gegeven, is er nooit structureel contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand gekomen. [minderjarige] en de vader hebben elkaar in 2023 voor het laatst gezien. De moeder zegt weliswaar dat zij openstaat voor contact tussen hen, maar werkt daaraan niet mee. Duidelijk is dat omgang tussen de vader en [minderjarige] hooguit op door de moeder gestelde voorwaarden kan plaatsvinden. De moeder belemmert daarmee dat [minderjarige] vrij en onbelast contact met haar vader kan hebben, terwijl het juist belangrijk is dat [minderjarige] zelf een beeld kan vormen van wie haar vader is en ook met hem een relatie kan opbouwen. Als [minderjarige] opgroeit zonder haar vader, kan dat schadelijk zijn voor haar identiteitsontwikkeling. Ze mist dan een stuk van zichzelf. Dat kan haar onzeker maken.



6.5
Het hof is van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde zorgen, [minderjarige] al geruime tijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Tot nu toe heeft niets deze bedreiging kunnen wegnemen, waar dat wel noodzakelijk is. Aan het hof ligt de vraag voor of het vanwege deze bedreiging in het belang van [minderjarige] is om haar hoofdverblijfplaats te wijzigen, in die zin dat zij die niet langer bij de moeder maar bij de vader heeft.



6.6
In eerste instantie is door de raad in het raadsrapport van 24 juli 2025 geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen en van daaruit te werken aan de omgang. Dit zou het voordeel hebben dat [minderjarige] in haar eigen vertrouwde omgeving (huis, school, woonplaats) zou blijven, met haar moeder, halfbroer, vriendjes en vriendinnetjes. Uit hetgeen de raad op de zitting bij de rechtbank naar voren heeft gebracht en ook op de zitting bij het hof heeft bevestigd, is het het hof echter duidelijk geworden dat die mogelijkheid niet langer reëel is. Omdat niet kan worden verwacht dat, waar de moeder al vijf jaar grotendeels alle hulpverlening afhoudt, zij nu wel zal meewerken aan hulpverlening, zal er nog steeds geen zicht komen op de thuissituatie van [minderjarige] bij haar moeder, terwijl deze situatie zorgelijk wordt geacht. Daarnaast leert de ervaring dat de moeder niet meewerkt aan het tot stand komen van onbelaste omgang. [minderjarige] bij haar moeder laten zou betekenen dat er geen onbelast contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand zal komen; dat is immers al jaren niet gelukt, ook niet in het kader van een ondertoezichtstelling.



6.7

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar haar vader in [plaats A] het meest tegemoetkomt aan haar belangen. Dit is de enige manier waarop de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kan worden weggenomen en zij in staat wordt gesteld tot vrij en onbelemmerd contact met haar beide ouders. Het hof realiseert zich dat dit een ingrijpende beslissing is, eens te meer nu [minderjarige] aan de bijzondere curator te kennen heeft gegeven bij haar moeder te willen blijven. Het hof vindt het desalniettemin van belang dat aan de eerder genoemde zorgen een einde komt en ziet het wijzigen van de hoofdverblijfplaats naar de vader op dit moment als enige mogelijkheid daarvoor. Het hof neemt daarbij in overweging dat [minderjarige] nu op een leeftijd is waarop ze een dergelijke verhuizing aankan en zij haar leven in [plaats A] vorm kan geven. Ook betrekt het hof bij dit oordeel dat ter zitting is gebleken dat ook in [plaats A] aan [minderjarige] zorg kan worden geboden bij deze overgang. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de vader, zoals toegezegd, zal meewerken aan de begeleiding van [minderjarige] in [plaats A] alsmede aan het mogelijk maken van de nader te bepalen zorgregeling tussen [minderjarige] en haar moeder. Anders dan de moeder betoogt, levert deze wijziging van de hoofdverblijfplaats geen schending op van artikel 8 EVRM ten opzichte van haar en [halfbroer] , aangezien de mogelijkheid tot wijziging van de hoofdverblijfplaats in de wet is voorzien en in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Wijziging van de hoofdverblijfplaats betekent bovendien niet dat de moeder en [halfbroer] van contact met [minderjarige] verstoken zullen blijven, zoals hierna nog zal blijken.
Tijdens de zitting bij het hof van 11 maart 2026 is nog naar voren gekomen dat voor [minderjarige] haar hond erg belangrijk is. Het hof geeft de ouders in overweging dat het voor [minderjarige] fijn is als zij haar hond kan meenemen naar [plaats A] , zodat zij daarbij steun kan vinden in deze periode die, hoe noodzakelijk ook, voor haar ook een ingrijpende verandering zal betekenen. De vader heeft in dit verband ter zitting in hoger beroep verklaard dat ook de hond welkom is bij hem.
Het hof gaat ervan uit dat de vader, zoals hij ter zitting ook heeft beaamd, niet onmiddellijk over zal gaan tot daadwerkelijke wijziging van [minderjarige] hoofdverblijfplaats. [minderjarige] dient daarop zo goed mogelijk te worden voorbereid. De GI heeft daarbij een belangrijke rol te vervullen, zoals het hof ook overweegt in zijn vandaag tevens te geven beschikking inzake de ondertoezichtstelling (de zaak met nummer 200.364.597/01).




De zorgregeling





6.8
De rechtbank heeft bepaald dat, overeenkomstig het verzoek van de vader, [minderjarige] bij de moeder in Nederland zal verblijven gedurende alle schoolvakanties in [plaats A] , waarbij de vader voor vervoer van [minderjarige] naar de moeder in Nederland zal zorgen. De moeder heeft hier slechts tegenin gebracht dat de rechtbank niet heeft uitgelegd hoe een goedlopende zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] tot stand zal komen als [minderjarige] naar [plaats A] zou verhuizen. Een voorstel voor een andere zorgregeling van de moeder ontbreekt.



6.9
Het hof acht het van belang dat [minderjarige] na de verhuizing omgang zal hebben met haar moeder. De vader onderstreept dit belang en hij is bereid in de schoolvakanties de kosten van de reis tussen [plaats A] en [plaats B] van [minderjarige] te voldoen. Reeds gelet op de afstand tussen [plaats B] en [plaats A] is een andere zorgregeling dan de rechtbank heeft bepaald niet aan de orde. Het hof zal dan ook de beschikking van de rechtbank op dit punt bekrachtigen.



De sterke arm





6.10
De raad heeft ter zitting van 11 maart 2026 geadviseerd te bepalen dat aan de vader het recht wordt gegeven om zo nodig met behulp van de sterke arm [minderjarige] aan de vader te doen afgeven. De advocaat van de vader heeft dit vervolgens ter zitting ook verzocht. De advocaat van de moeder heeft zich daartegen verzet. Zij stelt zich op het standpunt dat artikel 812 Rv slechts van toepassing is in zaken van internationale kinderontvoering.



6.11
Op grond van het bepaalde in artikel 812 lid 2 Rv heeft in een geval als het onderhavige dat ziet op het ingevolge artikel 1:253 lid 2 BW bepalen van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige, aan degene aan wie deze minderjarige ingevolge de beschikking moet worden toevertrouwd, het recht tot het aan zich doen afgeven van de minderjarige. De rechter kan voorts bepalen dat de beschikking ten uitvoer kan worden gelegd met behulp van de sterke arm. Deze bepaling is niet beperkt tot gevallen van internationale kinderontvoering zoals de advocaat van de moeder heeft aangevoerd.



6.12

Het hof overweegt dat de aard van de zaak meebrengt dat de vader ook nog ter zitting in hoger beroep het onderhavige verzoek mocht doen. De advocaat van de moeder en de bijzondere curator hebben voldoende de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Het verzoek is daarom toelaatbaar.
Het hof stelt voorop dat het hoopt dat de moeder, hoewel het haar ongetwijfeld lastig zal vallen dat [minderjarige] naar [plaats A] dient te verhuizen, zal meewerken aan de verhuizing naar haar vader. De moeder kan door mee te werken de impact die de verhuizing op [minderjarige] zal hebben, verzachten. Zij heeft in die zin de sleutel in handen om in het belang van [minderjarige] een voor haar traumatische situatie te voorkomen dan wel te beperken. Het hof realiseert zich dat het inzetten van dwangmiddelen zoals de inzet van de sterke arm (politie) ingrijpend is voor kinderen. Mocht onverhoopt de hulp van de sterke arm echter toch nodig zijn bij de overdracht van [minderjarige] , dan verleent het hof de vader hiertoe de machtiging. Het hof overweegt daartoe dat gelet op de voorgeschiedenis in deze zaak, waar de moeder al jaren onvoldoende meewerkt aan de hulpverlening, alle uitspraken van rechters ten spijt, het niet op voorhand aannemelijk is dat de moeder zonder meer zal meewerken aan de uitvoering van deze beslissing. Het hof acht het dan ook noodzakelijk dat nakoming van deze beslissing in het uiterste geval kan worden afgedwongen door middel van inschakeling van de sterke arm. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de vader hiertoe slechts zal overgaan in overleg met de GI.




Uitvoerbaar bij voorraadverklaring





6.13
Het hof zal deze beschikking, alsmede de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad verklaren en overweegt daartoe dat het van belang is dat, nu er voor zowel [minderjarige] als haar ouders duidelijkheid is gekomen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en gezien het belang van deze wijziging, hier ook invulling aan kan worden gegeven indien daartegen een rechtsmiddel zou worden ingesteld. Daaraan doet niet af dat in principaal hoger beroep de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking is geweigerd, aangezien het toen ging om een verzoek dat vooruitliep op de uitkomst van dit hoger beroep.



De bijzondere curator





6.14
Het hof beschouwt de taak van de bijzondere curator hiermee als geëindigd, tenzij van deze beschikking beroep in cassatie wordt ingesteld.






7De beslissing


Het hof:




in het incidenteel hoger beroep:




bekrachtigt de bestreden beschikking en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad;




in het principaal hoger beroep:




verstaat dat ingevolge de beslissing in incidenteel hoger beroep de vader het recht heeft [minderjarige] aan zich te doen afgeven;



machtigt de vader om de tenuitvoerlegging van deze beschikking te bewerkstelligen door middel van de sterke arm van politie en justitie;




in het principaal en het incidenteel hoger beroep:




verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



beschouwt de taak van de bijzondere curator hiermee als geëindigd, tenzij van deze beschikking beroep in cassatie wordt ingesteld;



wijst af het meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.