Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2627
2026-09-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.366.018/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging ondertoezichtstelling. Voortzetting ondertoezichtstelling niet in het belang van de minderjarige.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.393 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.366.018/01
zaaknummer rechtbank: C/15/372046 / JU RK 25-1651
beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. T.J.E. op de Weegh te Heiloo,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers Noord-Holland,
gevestigd te [plaats 2] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in ] 2009, hierna: [minderjarige] ;
- [de vader] , wonende in [plaats 3] , gemeente [gemeente] , hierna: de vader,
bijgestaan door advocaat mr. L.S. Zomers te Alkmaar .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats 5] ,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (16 jaar). De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met één jaar, tot 10 januari 2027. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd.
1.2
Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking terecht is verlengd, maar dat op dit moment de ondertoezichtstelling niet meer in het belang is van [minderjarige] . Het hof beëindigt daarom de ondertoezichtstelling.
2De procedure in hoger beroep
2.1
De moeder is op 16 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 15 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
De vader heeft op 10 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting, op 13 augustus 2026, met [minderjarige] gesproken. Tijdens de zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
2.5
De zitting heeft op 18 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
3De feiten
3.1
De vader en de moeder (hierna samen: de ouders) zijn [in ] 2007 te [plaats 4] met elkaar getrouwd. Het huwelijk is op 13 september 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 augustus 2017 in de registers van de burgerlijke stand. De ouders hebben zich in 2018 verzoend en hebben een latrelatie gehad tot februari 2021. In februari 2021 is de relatie definitief beëindigd.
3.2
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in ] 2009 te [plaats 5] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
3.3
[minderjarige] heeft een meerderjarige halfzus moederszijde, [halfzus] , geboren [in ] 1999.
3.4
De moeder heeft de Canadese nationaliteit. De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.5
Bij verzoekschrift van 15 februari 2022 heeft de moeder de rechtbank – onder meer – verzocht de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen en haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. Bij beschikking van 27 juli 2022 heeft de rechtbank de raad verzocht onderzoek te verrichten ten aanzien van de zorgregeling en het gezag. Bij rapport van 30 januari 2023 heeft de raad geadviseerd het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag af te wijzen en de beslissing over de zorgregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening.
3.6
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van 10 januari 2025 tot 10 januari 2026.
3.7
Bij beschikking van 10 februari 2025 is op verzoek van de ouders bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] onder regie van de GI zal plaatsvinden.
3.8
De GI heeft op 28 oktober 2025 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
‘De GI verwacht van de moeder dat zij elke keer als Samen in Spel (SIS) een afspraak plant door drie data voor te stellen, de moeder één van de drie data binnen één week bevestigt en die datum aanwezig is bij SIS voor een vervolggesprek.’
3.9
Bij beschikking van 9 januari 2026 is de schriftelijke aanwijzing van de GI aan de moeder van 28 oktober 2025 door de kinderrechter bekrachtigd.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI en uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 januari 2027.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verlengingsverzoek van de GI alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter
5.1
Omdat de moeder de Canadese nationaliteit bezit, heeft de zaak een internationaal karakter. Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht vervolgens van toepassing is. Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 van het Haags kinderbeschermingsverdrag rechtsmacht heeft, omdat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 15 van voornoemd verdrag is Nederlands recht van toepassing.
De standpunten van partijen
5.2
De moeder stelt dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] ten onrechte door de kinderrechter is verlengd. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.
De moeder betwist dat sprake is van een patroon waarin zij niet meewerkt aan hulpverlening. Gedurende meerdere jaren heeft de moeder meegewerkt aan hulpverlening, zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader. Ook tijdens de huidige ondertoezichtstelling heeft zij contact onderhouden met de GI en heeft zij deelgenomen aan de intake bij Samen in Spel (SiS). De moeder heeft echter geen vertrouwen in voortzetting van dat traject. [minderjarige] wil bovendien niet dat de moeder namens of over hem spreekt; hij wil zijn eigen stem laten horen. De hulpverlening is volgens de moeder te veel gericht op het verleden en op het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, terwijl onvoldoende ruimte bestaat voor de eigen ervaringen en gevoelens van [minderjarige] . In het verleden heeft [minderjarige] belastende situaties tussen zijn ouders meegemaakt. [minderjarige] geeft al jarenlang tegenover hulpverleners, de GI en rechters consequent aan dat hij geen contact met de vader wil. Omdat [minderjarige] inmiddels bijna zeventien jaar oud is moet hij de ruimte krijgen daarin zijn eigen keuzes te maken. De moeder betwist dat zij contact tussen [minderjarige] en de vader heeft tegengehouden of [minderjarige] daarvoor geen emotionele toestemming geeft. Als [minderjarige] in de toekomst contact met de vader wil, zal zij dat ondersteunen.
Verder is van een actuele ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] geen sprake. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] . De ondertoezichtstelling en de voortdurende druk op contactherstel met de vader leveren hem juist spanning op. Gelet op zijn leeftijd en zijn duidelijke afkeer van contact, moet [minderjarige] de ruimte krijgen zich op zijn eigen leven en toekomst te richten, aldus de moeder
5.3
De GI voert aan dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling moeizaam verloopt. Het is lastig gebleken om afspraken met de moeder te maken, mede vanwege haar weerstand tegen de ondertoezichtstelling en haar werkrooster. Ook het contact van de GI met [minderjarige] verloopt moeizaam, zo heeft [minderjarige] duidelijk aangegeven geen behoefte te hebben aan bemoeienis van de GI. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] ziet uitsluitend op het ontbreken van contact met de vader, want buiten dit contactverlies bestaan geen zorgen over [minderjarige] . Hij functioneert goed op school en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. De GI heeft geprobeerd te onderzoeken wat aan de weerstand van [minderjarige] tegen contact met de vader ten grondslag ligt, en of contactherstel mogelijk en wenselijk is. De uitkomst hiervan zou ook kunnen zijn dat contactherstel niet wenselijk is. SiS is als laatste mogelijkheid ingezet, maar heeft na een tweede intake geconcludeerd dat onvoldoende basis bestaat om het traject te starten. De GI ziet daarom geen reële mogelijkheden meer om binnen de ondertoezichtstelling de gestelde doelen te behalen. Hoewel de GI de wettelijke gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig acht, is de maatregel volgens haar inmiddels niet goed uitvoerbaar. De GI kan zich daarom voorstellen dat het hof de ondertoezichtstelling beëindigt.
Het standpunt van de vader
5.4
De vader is van mening dat de ondertoezichtstelling terecht door de kinderrechter is verlengd en dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog bestaat. Hij voert hiertoe aan dat de verschillende hulpverleningstrajecten die de afgelopen jaren zijn ingezet, niet tot een doorbraak hebben geleid. Dit komt volgens de vader doordat de moeder onvoldoende meewerkt aan de hulpverlening en [minderjarige] onvoldoende emotionele ruimte biedt om een eigen, autonoom beeld van de vader te vormen. Het staat niet vast dat [minderjarige] contact met de vader uitsluitend afwijst vanwege zijn – naar eigen zeggen – negatieve ervaringen met hem. De vader wijst erop dat [minderjarige] in het verleden juist een goede band met de vader had. Het negatieve beeld dat [minderjarige] inmiddels van de vader heeft, en het langdurig uitblijven van contact met ook de familie vaderszijde, zijn nog steeds een bedreiging voor [minderjarige] ’ ontwikkeling. De vader realiseert zich dat contactherstel mogelijk niet op korte termijn tot stand komt en wil [minderjarige] niet dwingen tot contact. Wel acht de vader het in het belang van [minderjarige] dat [minderjarige] een autonoom beeld van zijn vader kan vormen en zonder gedwongen kader acht de vader dit niet mogelijk. Nu [minderjarige] snel richting meerderjarigheid gaat, is de tijd beperkt om de huidige situatie te doorbreken in het kader van een ondertoezichtstelling. De vader is voornemens [minderjarige] regelmatig kaartjes te blijven sturen, zodat [minderjarige] weet dat de vader zich bij hem betrokken voelt en de deur voor contactherstel openstaat.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking deels te vernietigen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking te beëindigen. Volgens de raad is nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging, maar is de ondertoezichtstelling inmiddels niet meer doelmatig en niet in het belang van [minderjarige] . De verschillende vormen van hulpverlening die in de afgelopen jaren zijn ingezet, waaronder laatstelijk SiS, hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. De raad ziet geen andere doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling nog kan worden gewerkt.
De raad acht het van belang dat de moeder de vader over [minderjarige] blijft informeren, zodat hij betrokken blijft bij het leven van zijn zoon. De vader kan zijn betrokkenheid bij [minderjarige] blijven tonen. Gelet op de leeftijd en de duidelijke mening van [minderjarige] zal het initiatief voor contact met de vader op dit moment bij [minderjarige] moeten worden gelaten.
De beoordeling
Het wettelijk kader
5.6
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:260 BW, voor zover hier van belang, kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft.
5.7
Het hof stelt voorop dat een ondertoezichtstelling slechts kan worden verlengd indien nog steeds is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW, waarbij moet worden beoordeeld of sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en of de maatregel nog noodzakelijk en doelmatig is om die bedreiging weg te nemen.
Het hof overweegt dat [minderjarige] sinds 2019 nauwelijks contact met de vader had en sinds 2021 in het geheel geen contact meer met hem heeft. Ook met de familie vaderszijde heeft [minderjarige] geen contact. Het hof acht het, net zoals de raad en de GI, zorgelijk dat [minderjarige] zijn vader volledig afwijst en al geruime tijd geen contact met hem en de familie van vaderszijde heeft. Het langdurig ontbreken van contact met een ouder kan, ook als een kind daar zelf voor kiest, een bedreiging van zijn ontwikkeling opleveren omdat dit gevolgen kan hebben voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van een kind. Het hof is dan ook van oordeel dat, gelet op het ontbreken van contact met de vader, op dit moment nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] .
5.8
De door de kinderrechter bij beschikking van 10 januari 2025 opgestelde doelen van de ondertoezichtstelling waren onder meer dat [minderjarige] de emotionele ruimte krijgt om contact met de vader te kunnen hebben, dat hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders wordt opgestart en dat duidelijkheid wordt verkregen over de mogelijkheden van contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI heeft over deze doelen toegelicht dat daarbij niet voorop stond dat contactherstel daadwerkelijk plaatsvindt, maar dat eerst moet worden onderzocht of contact mogelijk was en zo ja, op welke wijze het contact ingevuld kan worden.
De afgelopen jaren zijn verschillende vormen van hulpverlening ingezet, maar deze hebben niet geleid tot duidelijkheid over wat precies ten grondslag ligt aan [minderjarige] ’ afwijzing van de vader en welke rol de langdurige strijd tussen de ouders daarin heeft gespeeld. Er kan dan ook niet worden vastgesteld in hoeverre de weerstand van [minderjarige] voortkomt uit zijn eigen ervaringen met de vader en welke rol de langdurige strijd tussen de ouders daarin heeft gespeeld. Daarbij komt dat het hof, net zoals de kinderrechter, er niet van overtuigd is dat de moeder zich steeds voldoende heeft ingezet om de doelen van de hulpverlening te bereiken. Dat de moeder bij (intake)gesprekken aanwezig is geweest, betekent niet zonder meer dat zij ook voldoende heeft meegewerkt aan het bereiken van de doelen van de hulpverlening. De GI heeft de moeder op 28 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven om haar medewerking aan het traject bij SiS te bevorderen. Het traject bij SiS is echter niet van de grond gekomen. De moeder heeft toegelicht dat zij geen vertrouwen had in het hulpverleningstraject bij SiS en niet opnieuw het verleden wilde bespreken. Het hof begrijpt dat de moeder de behoefte voelt om vooruit te kijken in plaats van naar het verleden. Dat neemt echter niet weg dat juist het onderzoeken en bespreken van wat in het verleden is gebeurd van belang kan zijn om meer duidelijkheid te verkrijgen over de vraag waar de weerstand van [minderjarige] tegen de vader vandaan komt. Net zoals de GI en de raad acht het hof het onbevredigend dat die duidelijkheid niet is verkregen.
5.9
Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking nog een reële mogelijkheid bestond om de doelen van de ondertoezichtstelling te behalen. Door middel van SiS zou nader onderzoek worden gedaan om te proberen de verschillende perspectieven van de betrokkenen over het verleden bijeen te brengen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling mede verlengd om deze – laatste – mogelijkheid te benutten, waarbij de inzet van SiS noodzakelijk werd geacht. Het hof is daarom van oordeel dat, gelet op de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en de mogelijke inzet van SiS, ten tijde van de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling terecht en op de juiste gronden is verlengd.
5.10
In hoger beroep is de situatie echter anders gebleken. De GI heeft toegelicht dat SiS na een tweede intakegesprek heeft geconcludeerd dat onvoldoende basis bestaat om het traject te starten. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard op dit moment geen andere reële mogelijkheden meer te zien om binnen de ondertoezichtstelling de gestelde doelen te bereiken. Een ander hulpverleningstraject inzetten zal naar verwachting langdurig en stroperig verlopen, terwijl de GI niet verwacht dat dit verbetering voor [minderjarige] zal opleveren. Ook de raad acht voortzetting van de ondertoezichtstelling niet meer doelmatig en daarmee niet langer in het belang van [minderjarige] .
Daar komt bij dat [minderjarige] inmiddels bijna zeventien jaar oud is en gedurende een langere periode, tegenover verschillende hulpverleners, de GI en meerdere rechters, consequent en duidelijk aangeeft dat hij geen contact met zijn vader wil. Ook wil hij niet langer over contactherstel of over zijn vader in gesprek met hulpverleners. In het gesprek met de voorzitter heeft [minderjarige] zijn mening ondubbelzinnig herhaald.
Verder heeft [minderjarige] in het gesprek met de voorzitter aangegeven dat het op dit moment goed met hem gaat, hetgeen door de moeder en de GI is bevestigd. [minderjarige] heeft zijn middelbare school succesvol afgerond en is inmiddels begonnen aan zijn vervolgopleiding MBO Marine Technicus.
5.11
Hoewel de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog aanwezig is, acht het hof onder voornoemde omstandigheden voortzetting van de ondertoezichtstelling niet langer in het belang van [minderjarige] . De moeder en [minderjarige] geven aan dat de ondertoezichtstelling spanning oplevert bij [minderjarige] . Het hof acht het niet langer in het belang van [minderjarige] om vanuit een gedwongen kader druk te blijven uitoefenen om hem te bewegen tot hulpverlening die gericht is op (het onderzoeken van de mogelijkheden van) contactherstel met de vader. Voortzetting van de maatregel kan, gelet op de leeftijd van [minderjarige] en zijn weerstand daartegen, juist averechts werken. Het hof deelt de visie van de raad dat op dit moment aan [minderjarige] de ruimte moet worden gegeven zich zonder verdere druk vanuit het gedwongen kader op zijn eigen ontwikkeling en toekomst te richten. Nu bovendien de GI aangeeft dat geen concrete hulpverlening meer voorhanden is waarmee de doelen van de ondertoezichtstelling kunnen worden bereikt, is voortzetting van de maatregel ook niet langer doelmatig.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen voor zover daarbij de ondertoezichtstelling is verlengd tot de datum van deze beschikking. Voor de periode daarna zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog afwijzen.
5.12
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Geen duidelijkheid is verkregen over wat in het verleden binnen het gezin is gebeurd en wat ten grondslag ligt aan de afwijzing van de vader door [minderjarige] . Dat is voor alle betrokkenen, en in het bijzonder voor [minderjarige] , te betreuren. Het hof spreekt de hoop uit dat [minderjarige] in de toekomst de ruimte zal vinden om, al dan niet met hulp van een derde, bij het verleden stil te staan zodat hij daarover een eigen beeld kan vormen. Dit geldt ook voor zijn beeld van de vader. Het hof acht het dan ook van belang dat de vader betrokken blijft bij het leven van [minderjarige] . De moeder heeft ter zitting toegezegd de vader informatie over [minderjarige] te blijven verstrekken, omdat zij het belangrijk vindt dat de vader op die manier op de hoogte blijft van het leven van [minderjarige] . Het hof gaat ervan uit dat zij dit blijft doen, ook gelet op haar plicht daartoe vanwege het gezamenlijk gezag van de ouders. De vader kan daarnaast zijn betrokkenheid bij [minderjarige] blijven tonen door hem met enige regelmaat kaartjes te (blijven) sturen, zodat [minderjarige] weet dat de deur voor contact openstaat.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 9 januari 2026, voor zover de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd tot 15 september 2026;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd voor de periode van 15 september 2026 tot 10 januari 2027;
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen, voor zover het de periode vanaf 15 september 2026 betreft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.366.018/01
zaaknummer rechtbank: C/15/372046 / JU RK 25-1651
beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. T.J.E. op de Weegh te Heiloo,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers Noord-Holland,
gevestigd te [plaats 2] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in ] 2009, hierna: [minderjarige] ;
- [de vader] , wonende in [plaats 3] , gemeente [gemeente] , hierna: de vader,
bijgestaan door advocaat mr. L.S. Zomers te Alkmaar .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats 5] ,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (16 jaar). De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met één jaar, tot 10 januari 2027. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd.
1.2
Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking terecht is verlengd, maar dat op dit moment de ondertoezichtstelling niet meer in het belang is van [minderjarige] . Het hof beëindigt daarom de ondertoezichtstelling.
2De procedure in hoger beroep
2.1
De moeder is op 16 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 15 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
De vader heeft op 10 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting, op 13 augustus 2026, met [minderjarige] gesproken. Tijdens de zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
2.5
De zitting heeft op 18 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
3De feiten
3.1
De vader en de moeder (hierna samen: de ouders) zijn [in ] 2007 te [plaats 4] met elkaar getrouwd. Het huwelijk is op 13 september 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 augustus 2017 in de registers van de burgerlijke stand. De ouders hebben zich in 2018 verzoend en hebben een latrelatie gehad tot februari 2021. In februari 2021 is de relatie definitief beëindigd.
3.2
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in ] 2009 te [plaats 5] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
3.3
[minderjarige] heeft een meerderjarige halfzus moederszijde, [halfzus] , geboren [in ] 1999.
3.4
De moeder heeft de Canadese nationaliteit. De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.5
Bij verzoekschrift van 15 februari 2022 heeft de moeder de rechtbank – onder meer – verzocht de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen en haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. Bij beschikking van 27 juli 2022 heeft de rechtbank de raad verzocht onderzoek te verrichten ten aanzien van de zorgregeling en het gezag. Bij rapport van 30 januari 2023 heeft de raad geadviseerd het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag af te wijzen en de beslissing over de zorgregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening.
3.6
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van 10 januari 2025 tot 10 januari 2026.
3.7
Bij beschikking van 10 februari 2025 is op verzoek van de ouders bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] onder regie van de GI zal plaatsvinden.
3.8
De GI heeft op 28 oktober 2025 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
‘De GI verwacht van de moeder dat zij elke keer als Samen in Spel (SIS) een afspraak plant door drie data voor te stellen, de moeder één van de drie data binnen één week bevestigt en die datum aanwezig is bij SIS voor een vervolggesprek.’
3.9
Bij beschikking van 9 januari 2026 is de schriftelijke aanwijzing van de GI aan de moeder van 28 oktober 2025 door de kinderrechter bekrachtigd.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI en uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 januari 2027.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verlengingsverzoek van de GI alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter
5.1
Omdat de moeder de Canadese nationaliteit bezit, heeft de zaak een internationaal karakter. Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht vervolgens van toepassing is. Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 van het Haags kinderbeschermingsverdrag rechtsmacht heeft, omdat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 15 van voornoemd verdrag is Nederlands recht van toepassing.
De standpunten van partijen
5.2
De moeder stelt dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] ten onrechte door de kinderrechter is verlengd. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.
De moeder betwist dat sprake is van een patroon waarin zij niet meewerkt aan hulpverlening. Gedurende meerdere jaren heeft de moeder meegewerkt aan hulpverlening, zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader. Ook tijdens de huidige ondertoezichtstelling heeft zij contact onderhouden met de GI en heeft zij deelgenomen aan de intake bij Samen in Spel (SiS). De moeder heeft echter geen vertrouwen in voortzetting van dat traject. [minderjarige] wil bovendien niet dat de moeder namens of over hem spreekt; hij wil zijn eigen stem laten horen. De hulpverlening is volgens de moeder te veel gericht op het verleden en op het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, terwijl onvoldoende ruimte bestaat voor de eigen ervaringen en gevoelens van [minderjarige] . In het verleden heeft [minderjarige] belastende situaties tussen zijn ouders meegemaakt. [minderjarige] geeft al jarenlang tegenover hulpverleners, de GI en rechters consequent aan dat hij geen contact met de vader wil. Omdat [minderjarige] inmiddels bijna zeventien jaar oud is moet hij de ruimte krijgen daarin zijn eigen keuzes te maken. De moeder betwist dat zij contact tussen [minderjarige] en de vader heeft tegengehouden of [minderjarige] daarvoor geen emotionele toestemming geeft. Als [minderjarige] in de toekomst contact met de vader wil, zal zij dat ondersteunen.
Verder is van een actuele ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] geen sprake. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] . De ondertoezichtstelling en de voortdurende druk op contactherstel met de vader leveren hem juist spanning op. Gelet op zijn leeftijd en zijn duidelijke afkeer van contact, moet [minderjarige] de ruimte krijgen zich op zijn eigen leven en toekomst te richten, aldus de moeder
5.3
De GI voert aan dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling moeizaam verloopt. Het is lastig gebleken om afspraken met de moeder te maken, mede vanwege haar weerstand tegen de ondertoezichtstelling en haar werkrooster. Ook het contact van de GI met [minderjarige] verloopt moeizaam, zo heeft [minderjarige] duidelijk aangegeven geen behoefte te hebben aan bemoeienis van de GI. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] ziet uitsluitend op het ontbreken van contact met de vader, want buiten dit contactverlies bestaan geen zorgen over [minderjarige] . Hij functioneert goed op school en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. De GI heeft geprobeerd te onderzoeken wat aan de weerstand van [minderjarige] tegen contact met de vader ten grondslag ligt, en of contactherstel mogelijk en wenselijk is. De uitkomst hiervan zou ook kunnen zijn dat contactherstel niet wenselijk is. SiS is als laatste mogelijkheid ingezet, maar heeft na een tweede intake geconcludeerd dat onvoldoende basis bestaat om het traject te starten. De GI ziet daarom geen reële mogelijkheden meer om binnen de ondertoezichtstelling de gestelde doelen te behalen. Hoewel de GI de wettelijke gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig acht, is de maatregel volgens haar inmiddels niet goed uitvoerbaar. De GI kan zich daarom voorstellen dat het hof de ondertoezichtstelling beëindigt.
Het standpunt van de vader
5.4
De vader is van mening dat de ondertoezichtstelling terecht door de kinderrechter is verlengd en dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog bestaat. Hij voert hiertoe aan dat de verschillende hulpverleningstrajecten die de afgelopen jaren zijn ingezet, niet tot een doorbraak hebben geleid. Dit komt volgens de vader doordat de moeder onvoldoende meewerkt aan de hulpverlening en [minderjarige] onvoldoende emotionele ruimte biedt om een eigen, autonoom beeld van de vader te vormen. Het staat niet vast dat [minderjarige] contact met de vader uitsluitend afwijst vanwege zijn – naar eigen zeggen – negatieve ervaringen met hem. De vader wijst erop dat [minderjarige] in het verleden juist een goede band met de vader had. Het negatieve beeld dat [minderjarige] inmiddels van de vader heeft, en het langdurig uitblijven van contact met ook de familie vaderszijde, zijn nog steeds een bedreiging voor [minderjarige] ’ ontwikkeling. De vader realiseert zich dat contactherstel mogelijk niet op korte termijn tot stand komt en wil [minderjarige] niet dwingen tot contact. Wel acht de vader het in het belang van [minderjarige] dat [minderjarige] een autonoom beeld van zijn vader kan vormen en zonder gedwongen kader acht de vader dit niet mogelijk. Nu [minderjarige] snel richting meerderjarigheid gaat, is de tijd beperkt om de huidige situatie te doorbreken in het kader van een ondertoezichtstelling. De vader is voornemens [minderjarige] regelmatig kaartjes te blijven sturen, zodat [minderjarige] weet dat de vader zich bij hem betrokken voelt en de deur voor contactherstel openstaat.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking deels te vernietigen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking te beëindigen. Volgens de raad is nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging, maar is de ondertoezichtstelling inmiddels niet meer doelmatig en niet in het belang van [minderjarige] . De verschillende vormen van hulpverlening die in de afgelopen jaren zijn ingezet, waaronder laatstelijk SiS, hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. De raad ziet geen andere doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling nog kan worden gewerkt.
De raad acht het van belang dat de moeder de vader over [minderjarige] blijft informeren, zodat hij betrokken blijft bij het leven van zijn zoon. De vader kan zijn betrokkenheid bij [minderjarige] blijven tonen. Gelet op de leeftijd en de duidelijke mening van [minderjarige] zal het initiatief voor contact met de vader op dit moment bij [minderjarige] moeten worden gelaten.
De beoordeling
Het wettelijk kader
5.6
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:260 BW, voor zover hier van belang, kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft.
5.7
Het hof stelt voorop dat een ondertoezichtstelling slechts kan worden verlengd indien nog steeds is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW, waarbij moet worden beoordeeld of sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en of de maatregel nog noodzakelijk en doelmatig is om die bedreiging weg te nemen.
Het hof overweegt dat [minderjarige] sinds 2019 nauwelijks contact met de vader had en sinds 2021 in het geheel geen contact meer met hem heeft. Ook met de familie vaderszijde heeft [minderjarige] geen contact. Het hof acht het, net zoals de raad en de GI, zorgelijk dat [minderjarige] zijn vader volledig afwijst en al geruime tijd geen contact met hem en de familie van vaderszijde heeft. Het langdurig ontbreken van contact met een ouder kan, ook als een kind daar zelf voor kiest, een bedreiging van zijn ontwikkeling opleveren omdat dit gevolgen kan hebben voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van een kind. Het hof is dan ook van oordeel dat, gelet op het ontbreken van contact met de vader, op dit moment nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] .
5.8
De door de kinderrechter bij beschikking van 10 januari 2025 opgestelde doelen van de ondertoezichtstelling waren onder meer dat [minderjarige] de emotionele ruimte krijgt om contact met de vader te kunnen hebben, dat hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders wordt opgestart en dat duidelijkheid wordt verkregen over de mogelijkheden van contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI heeft over deze doelen toegelicht dat daarbij niet voorop stond dat contactherstel daadwerkelijk plaatsvindt, maar dat eerst moet worden onderzocht of contact mogelijk was en zo ja, op welke wijze het contact ingevuld kan worden.
De afgelopen jaren zijn verschillende vormen van hulpverlening ingezet, maar deze hebben niet geleid tot duidelijkheid over wat precies ten grondslag ligt aan [minderjarige] ’ afwijzing van de vader en welke rol de langdurige strijd tussen de ouders daarin heeft gespeeld. Er kan dan ook niet worden vastgesteld in hoeverre de weerstand van [minderjarige] voortkomt uit zijn eigen ervaringen met de vader en welke rol de langdurige strijd tussen de ouders daarin heeft gespeeld. Daarbij komt dat het hof, net zoals de kinderrechter, er niet van overtuigd is dat de moeder zich steeds voldoende heeft ingezet om de doelen van de hulpverlening te bereiken. Dat de moeder bij (intake)gesprekken aanwezig is geweest, betekent niet zonder meer dat zij ook voldoende heeft meegewerkt aan het bereiken van de doelen van de hulpverlening. De GI heeft de moeder op 28 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven om haar medewerking aan het traject bij SiS te bevorderen. Het traject bij SiS is echter niet van de grond gekomen. De moeder heeft toegelicht dat zij geen vertrouwen had in het hulpverleningstraject bij SiS en niet opnieuw het verleden wilde bespreken. Het hof begrijpt dat de moeder de behoefte voelt om vooruit te kijken in plaats van naar het verleden. Dat neemt echter niet weg dat juist het onderzoeken en bespreken van wat in het verleden is gebeurd van belang kan zijn om meer duidelijkheid te verkrijgen over de vraag waar de weerstand van [minderjarige] tegen de vader vandaan komt. Net zoals de GI en de raad acht het hof het onbevredigend dat die duidelijkheid niet is verkregen.
5.9
Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking nog een reële mogelijkheid bestond om de doelen van de ondertoezichtstelling te behalen. Door middel van SiS zou nader onderzoek worden gedaan om te proberen de verschillende perspectieven van de betrokkenen over het verleden bijeen te brengen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling mede verlengd om deze – laatste – mogelijkheid te benutten, waarbij de inzet van SiS noodzakelijk werd geacht. Het hof is daarom van oordeel dat, gelet op de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en de mogelijke inzet van SiS, ten tijde van de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling terecht en op de juiste gronden is verlengd.
5.10
In hoger beroep is de situatie echter anders gebleken. De GI heeft toegelicht dat SiS na een tweede intakegesprek heeft geconcludeerd dat onvoldoende basis bestaat om het traject te starten. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard op dit moment geen andere reële mogelijkheden meer te zien om binnen de ondertoezichtstelling de gestelde doelen te bereiken. Een ander hulpverleningstraject inzetten zal naar verwachting langdurig en stroperig verlopen, terwijl de GI niet verwacht dat dit verbetering voor [minderjarige] zal opleveren. Ook de raad acht voortzetting van de ondertoezichtstelling niet meer doelmatig en daarmee niet langer in het belang van [minderjarige] .
Daar komt bij dat [minderjarige] inmiddels bijna zeventien jaar oud is en gedurende een langere periode, tegenover verschillende hulpverleners, de GI en meerdere rechters, consequent en duidelijk aangeeft dat hij geen contact met zijn vader wil. Ook wil hij niet langer over contactherstel of over zijn vader in gesprek met hulpverleners. In het gesprek met de voorzitter heeft [minderjarige] zijn mening ondubbelzinnig herhaald.
Verder heeft [minderjarige] in het gesprek met de voorzitter aangegeven dat het op dit moment goed met hem gaat, hetgeen door de moeder en de GI is bevestigd. [minderjarige] heeft zijn middelbare school succesvol afgerond en is inmiddels begonnen aan zijn vervolgopleiding MBO Marine Technicus.
5.11
Hoewel de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog aanwezig is, acht het hof onder voornoemde omstandigheden voortzetting van de ondertoezichtstelling niet langer in het belang van [minderjarige] . De moeder en [minderjarige] geven aan dat de ondertoezichtstelling spanning oplevert bij [minderjarige] . Het hof acht het niet langer in het belang van [minderjarige] om vanuit een gedwongen kader druk te blijven uitoefenen om hem te bewegen tot hulpverlening die gericht is op (het onderzoeken van de mogelijkheden van) contactherstel met de vader. Voortzetting van de maatregel kan, gelet op de leeftijd van [minderjarige] en zijn weerstand daartegen, juist averechts werken. Het hof deelt de visie van de raad dat op dit moment aan [minderjarige] de ruimte moet worden gegeven zich zonder verdere druk vanuit het gedwongen kader op zijn eigen ontwikkeling en toekomst te richten. Nu bovendien de GI aangeeft dat geen concrete hulpverlening meer voorhanden is waarmee de doelen van de ondertoezichtstelling kunnen worden bereikt, is voortzetting van de maatregel ook niet langer doelmatig.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen voor zover daarbij de ondertoezichtstelling is verlengd tot de datum van deze beschikking. Voor de periode daarna zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog afwijzen.
5.12
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Geen duidelijkheid is verkregen over wat in het verleden binnen het gezin is gebeurd en wat ten grondslag ligt aan de afwijzing van de vader door [minderjarige] . Dat is voor alle betrokkenen, en in het bijzonder voor [minderjarige] , te betreuren. Het hof spreekt de hoop uit dat [minderjarige] in de toekomst de ruimte zal vinden om, al dan niet met hulp van een derde, bij het verleden stil te staan zodat hij daarover een eigen beeld kan vormen. Dit geldt ook voor zijn beeld van de vader. Het hof acht het dan ook van belang dat de vader betrokken blijft bij het leven van [minderjarige] . De moeder heeft ter zitting toegezegd de vader informatie over [minderjarige] te blijven verstrekken, omdat zij het belangrijk vindt dat de vader op die manier op de hoogte blijft van het leven van [minderjarige] . Het hof gaat ervan uit dat zij dit blijft doen, ook gelet op haar plicht daartoe vanwege het gezamenlijk gezag van de ouders. De vader kan daarnaast zijn betrokkenheid bij [minderjarige] blijven tonen door hem met enige regelmaat kaartjes te (blijven) sturen, zodat [minderjarige] weet dat de deur voor contact openstaat.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 9 januari 2026, voor zover de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd tot 15 september 2026;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd voor de periode van 15 september 2026 tot 10 januari 2027;
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen, voor zover het de periode vanaf 15 september 2026 betreft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.