Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2122

2026-07-30 Strafrecht 23-000066-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23-000066-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.360 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000066-26
datum uitspraak: 30 juli 2026


TEGENSPRAAK


Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-134633-25 tegen




[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978,
briefadres: [adres] .


Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2026.



De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.





Tenlastelegging


Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:



primairhij op of omstreeks 7 februari 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Duits rijbewijs op naam van [verdachte] met nummer [nummer] , waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad;



subsidiairhij op of omstreeks 7 februari 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een (foto van een) Duits rijbewijs op naam van [verdachte] met nummer [nummer] , als ware het echt en onvervalst, door (een foto van) dit geschrift bij een verkeerscontrole aan een politieagent te tonen;





Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.





Vonnis waarvan beroep


Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.





Vrijspraak


Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De tenlastelegging van het primair ten laste gelegde ziet immers niet op een kopie van het Duitse rijbewijs dat door de verdachte is getoond.





Bewijsoverweging


De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.



De raadsman heeft zich – voor wat betreft de bewezenverklaring – gerefereerd aan het oordeel van het hof.



De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat hij de fotokopie van het Duitse rijbewijs via Photoshop heeft laten vervalsen. De verdachte heeft deze (valse) fotokopie van het rijbewijs vervolgens bij een verkeerscontrole door de politie getoond.



Het hof is van oordeel dat de verdachte door zo te handelen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse kopie van een rijbewijs en komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.





Bewezenverklaring


Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:



subsidiairhij op 7 februari 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een foto van een Duits rijbewijs op naam van [verdachte] met nummer [nummer] , als ware het echt en onvervalst, door dit geschrift bij een verkeerscontrole aan een politieagent te tonen;



Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.



Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Volgens de wetgeschiedenis bij artikel 231 Sr vormt artikel 231 Sr een specialis ten opzichte van artikel 225 Sr. Daarbij is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55, tweede lid Sr en geldt de regel dat de bijzondere bepaling van artikel 231 Sr de werking van de algemene bepaling van artikel 225 Sr uitsluit.



Bewezen is verklaard, dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse kopie van een Duits rijbewijs. Het bestanddeel in het tweede lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht – het gebruikmaken van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs – is naar het oordeel van het hof ook vervuld als iemand opzettelijk gebruik maakt van een valse kopie van een reisdocument of identiteitsbewijs als ware het onvervalst. Het hof vindt voor dit oordeel steun in de Memorie van Toelichting bij de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden, bij de invoering waarvan dit artikel voor het laatst is gewijzigd. Daarin wordt door de wetgever overwogen (Kamerstukken II, 2011-2012, 33352. nr. 3, p. 16):




“Het aangepaste artikel 231, tweede lid, Sr biedt, als dit wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, ook uitkomst indien iemand opzettelijk gebruik maakt van een kopie van een (…) identiteitsbewijs. (…) Door het afschrift gebruikt hij bij wijze van spreken het origineel.”




Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een valse kopie van een Duits rijbewijs (welk rijbewijs kan worden aangemerkt als een identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) valt onder de reikwijdte van artikel 231 Sr.



Het hof is van oordeel, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021;1627, r.o. 2.4.3), dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd onder artikel 231 tweede lid Sr, welke bepaling hetzelfde strafmaximum heeft als artikel 225 tweede lid Sr.



Evenmin is een andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.



Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.






Strafbaarheid van de verdachte


De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.





Oplegging van straf


De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair ten laste gelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.



De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.



De raadsman heeft het hof verzocht geen gevangenisstraf op te leggen. De verdachte staat op dit moment op de urgentielijst voor een woning en heeft een nieuwe baan. Daarnaast verzoekt de raadsman rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht ondanks dat die eerdere veroordelingen overtredingen betreffen. Om genoemde redenen kan worden volstaan met enkel een onvoorwaardelijke taakstraf.



Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



Het hof acht van belang dat de verdachte tijdens een verkeerscontrole een kopie van een rijbewijs heeft getoond, waarvan hij wist dat deze vals was. Dergelijk gebruik van identiteitsdocumenten verhindert een effectieve identiteitscontrole en tast het vertrouwen aan, dat in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen moet kunnen worden gesteld. Gelet op de aard en de ernst van het feit, is het hof van oordeel dat het enkel opleggen van een taakstraf zoals door de raadsman is bepleit, geen recht doet aan het feit zoals bewezenverklaard.



Het hof overweegt in het voordeel van de verdachte dat de verdachte samen met een foto van het valse rijbewijs ook een foto van zijn Nederlandse paspoort liet zien. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte door het tonen van het valse rijbewijs niet zijn identiteit wilde verhullen, maar dit gebruikte als bewijs van zijn (vermeende) rijbevoegdheid. Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zal om die reden afwijken van het oriëntatiepunt voor gebruik maken van een vals identiteitsbewijs (te weten twee maanden gevangenisstraf). Nu niet is gebleken dat de verdachte eerder (voor dit bewezenverklaarde feit) of nadien onherroepelijk voor een dergelijk feit is veroordeeld, is naar het oordeel van het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.



Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.





Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 231 van het Wetboek van Strafrecht.









BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.



Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.



Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.



Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden, mr. M.F.J.M. de Werd, mr. B.E. Dijkers en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
30 juli 2026.




=========================================================================


[…]