Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2063

2026-07-28 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.364.306/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.364.306/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

informatieregeling. Artikel: 1:253a lid 2 BW

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.486 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)


zaaknummer: 200.364.306/01
zaaknummer rechtbank: C/15/316568 / FA RK 21-2489



beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van





[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C.M. Sent te Amsterdam,
(voorheen: mr. C.C. Sneper te Baarn)



en





[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A. Krim te Haarlem.



Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .


Het hof heeft als informant aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [plaats B] , hierna: de GI.


In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.






1De zaak in het kort


De zaak gaat over de informatieregeling ten aanzien van [minderjarige] (13 jaar). De rechtbank heeft bepaald dat de moeder de vader – kort gezegd – eenmaal per twee maanden schriftelijk moet informeren over [minderjarige] en eenmaal per vier maanden foto’s en een videofilmpje van [minderjarige] moet verstrekken. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat bepaald wordt dat zij niet gehouden is om periodiek persoonlijke informatie, foto’s en videomateriaal van [minderjarige] aan de vader te verstrekken.






2De procedure in hoger beroep


2.1
De moeder is op 28 januari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).



2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 17 maart 2026 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 3 juni 2026 met bijlagen.



2.3

[minderjarige] heeft in een brief (met bijlagen) laten weten wat zij van de zaak vindt. Daarnaast heeft de voorzitter voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van de brief en het gesprek zakelijk weergegeven.



2.4
De zitting heeft op 15 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

De GI is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.
Ter zitting heeft de advocaat van de moeder het door de vader in eerste aanleg ingediende aanvullende verzoekschrift tot vaststelling van een informatieverplichting overgelegd.







3De feiten


3.1

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2013 te [plaats A] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .




3.2

[minderjarige] woont bij de moeder.



3.3

[minderjarige] en de vader hebben elkaar sinds december 2021 niet meer gezien.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op het verzoek van de vader, bepaald, voor zover hier van belang, dat de moeder de vader eenmaal per twee maanden op de eerste dag van de maand schriftelijk informeert over [minderjarige] , waarbij deze informatie minstens 300 woorden bevat en betreffende de onderwerpen:
- gezondheid;
- bezoeken aan huisarts, tandarts, medische specialisten en dergelijke;
- stukken en informatie met betrekking tot de betrokken hulpverlening;
- school- en studievoortgang;
- schoolresultaten;
- schoolactiviteiten, waaronder de activiteiten in het eerstvolgende kwartaal waaraan [minderjarige] zal deelnemen;
- dagelijkse bezigheden, sporten, interesses, sociale contacten en hobby’s;
- geplande vakanties.
Daarnaast is bepaald dat de moeder aan de vader eenmaal per vier maanden een op dat moment gelijkende/recente foto van [minderjarige] en een videofilmpje van [minderjarige] verstrekt, waarbij zij volledig in beeld is en haar gezicht goed duidelijk te zien is.



4.2

De moeder verzoekt:
I. de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarbij een informatieverplichting aan haar is opgelegd;
II. te bepalen dat zij niet gehouden is om periodiek persoonlijke informatie, foto’s en videomateriaal van [minderjarige] aan de vader te verstrekken;
III. althans een beslissing te nemen zoals het hof juist en in het belang van [minderjarige] acht.




4.3
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd.






5De motivering van de beslissing



De ontvankelijkheid



5.1

De advocaat van de vader heeft voorafgaand aan de zitting gesteld dat de moeder niet het volledige procesdossier in eerste aanleg heeft aangeleverd, ondanks meerdere verzoeken daartoe, en dat het hof daaraan gevolgen dient te verbinden. Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Krim verklaard dat de vader, hoewel het dossier nog steeds niet compleet is, wel graag een inhoudelijke beslissing van het hof wenst.
Zoals ter zitting is medegedeeld aan partijen bestaat geen, althans onvoldoende, aanleiding de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, ondanks het ontbreken van stukken uit het procesdossier in eerste aanleg. Daarbij neemt het hof in overweging dat de ouders en [minderjarige] belang hebben bij een inhoudelijke beslissing op de verzoeken van de moeder. Daarnaast beschikt het hof over voor de beoordeling relevante stukken. Het hof zal hierna dan ook inhoudelijk ingaan op de verzoeken van de moeder.




Het wettelijk kader




5.2
Uit artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.



De standpunten




5.3
De moeder stelt dat de opgelegde informatieverplichting disproportioneel, onnodig belastend en strijdig is met het belang van [minderjarige] , zodat deze op grond van artikel 1:377b BW dient te worden vernietigd. De vergaande informatieverplichting leidt tot stress, angst, weerstand, boosheid, spanning en emotionele ontregeling bij [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] dient de eerste en zwaarstwegende overweging te zijn en de moeder wordt door de beschikking in een loyaliteitsconflict geplaatst, wat in strijd is met haar zorgplicht (artikel 1:247 BW). Daarnaast wordt de vertrouwensband tussen [minderjarige] en de moeder ondermijnd door de voortdurende dreiging van rapportage. De bestreden beschikking is innerlijk tegenstrijdig en daarmee onvoldoende gemotiveerd in de zin van artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), aangezien het verzoek tot omgang is afgewezen wegens strijd met het belang van [minderjarige] , maar tegelijkertijd een structurele betrokkenheid van/contact met de vader wordt afgedwongen via een informatieverplichting. De regeling vormt een inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven van [minderjarige] en de moeder en is in strijd met het beginsel van vrijwillige instemming dat besloten ligt in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), aangezien persoonlijke gegevens over gezondheid, school en sociale omgeving moeten worden gedeeld en [minderjarige] alleen onder dwang van de uitspraak heeft meegewerkt aan het maken van beeldmateriaal. Er is onvoldoende gewicht toegekend aan de wens van [minderjarige] (artikel 12 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)) en door haar wens te negeren is in strijd met artikel 3 IVRK gehandeld. Onvoldoende is gemotiveerd waarom de informatieregeling noodzakelijk is; er is in strijd gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel en de kinderrechter heeft nagelaten te onderzoeken of minder ingrijpende alternatieven mogelijk waren (artikel 8 EVRM). De noodzaak voor een structurele informatievoorziening ontbreekt, nu de vader geen opvoedkundige rol vervult. [minderjarige] ervaart het structureel rapporteren over haar leven als een vorm van controle en toezicht, hetgeen haar emotionele ontwikkeling belemmert en strijdig is met haar recht op persoonlijke autonomie. Bovendien voelt zij zich beperkt in haar vrijheid en ontwikkeling. De opgelegde verplichting creëert een voortdurende aanwezigheid van de vader in het leven van [minderjarige] , terwijl juist is vastgesteld dat contact schadelijk is. Zij heeft recht op rust en stabiliteit. De rechtbank heeft miskend dat artikel 1:377b BW expliciet bepaalt dat de informatieplicht kan worden beperkt of uitgesloten indien deze strijdig is met het belang van het kind en de rechtbank heeft deze correctiemogelijkheid ten onrechte niet toegepast. Het structureel delen van medische gegevens is in strijd met het medisch beroepsgeheim ex artikel 7:457 BW. De justitiële documentatie van de vader toont een strafrechtelijk verleden, wat een veiligheidsrisico oplevert en het verplicht delen van beeldmateriaal met hem is onverenigbaar met de beschermingsplicht van de staat jegens minderjarigen.



5.4
De vader stelt dat [minderjarige] te veel wordt betrokken in deze zaak. Zij weet vanaf het begin wat er speelt tussen de ouders. De zaak loopt al zes jaar en de situatie is van kwaad tot erger geworden. De vader is [minderjarige] in de loop der jaren steeds meer kwijtgeraakt. Vóór de bestreden beschikking ontving hij beperkt informatie van de moeder en daarom heeft hij in eerste aanleg verzocht om een informatieregeling waarbij hij in minstens 300 woorden wordt geïnformeerd over [minderjarige] . De informatie die hij nu over [minderjarige] ontvangt is goed, maar hij ontvangt liever geen filmpjes als ze gemaakt worden op de manier zoals ze nu gemaakt worden. Het voelt voor hem alsof de filmpjes in scene gezet worden. Hoewel hij het leuk vindt om te zien hoe [minderjarige] opgroeit, vond hij de foto’s en filmpjes die hij eerder heeft ontvangen niet prettig om te zien. Als de moeder weet dat [minderjarige] weerstand heeft tegen het maken van een foto of filmpje, dan kan zij die op een andere manier maken, bijvoorbeeld tijdens het spelen. Ook kan de moeder de vader informeren als [minderjarige] slaapt. De vader is [minderjarige] steeds meer aan het loslaten, maar dat is heel moeilijk voor hem. Zijn deur zal altijd open staan voor haar. De beschuldigingen die geuit worden over hem zijn niet bewezen. Verder ontvangt de vader de rapporten van [minderjarige] via haar school.



Het advies van de raad




5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat [minderjarige] niet kan ontsnappen aan de angst van de moeder voor de vader. Duidelijk is dat zij daarmee belast wordt en dat is ook de reden dat geen omgang met de vader mogelijk is. Als de foto’s en filmpjes afgedwongen worden dan blijft [minderjarige] aan angst blootgesteld, terwijl zij zich moet ontwikkelen op andere gebieden. De raad vraagt zich af of de strijd die hierover nu gevoerd wordt wel in het belang van [minderjarige] is en of het belang bij het maken van foto’s en filmpjes, waartegen [minderjarige] zich verzet, in verhouding staat tot de stress die het [minderjarige] geeft. De raad acht het in haar belang dat de vader wel informatie over haar krijgt, omdat zij een slim meisje is en op een dag nieuwsgierig zal zijn naar de vader. Dan helpt het haar als de vader weet wie zij is, hoe zij eruit ziet en wat haar interesses zijn. Op de lange termijn is dat in haar belang, ook al ziet zij dat nu niet in. Verder kan de vader foto’s van [minderjarige] inzien via school.



De beoordeling




5.6

Het hof onderschrijft de overweging van de kinderrechter dat het geïnformeerd worden over [minderjarige] een belangrijk middel voor de vader is om de band met zijn kind te behouden nu er geen contact is tussen [minderjarige] en de vader. De vader heeft ook een wettelijk recht om geïnformeerd te worden. Dat weegt zwaar. Het hof is het dan ook eens met het advies van de raad. Met een informatieregeling kan de vader toch nog van het leven van [minderjarige] op de hoogte blijven en kan hij beter bij haar aansluiten mocht op enig moment alsnog contactherstel plaatsvinden. Dat is ook in het belang van [minderjarige] . De noodzaak van een informatieregeling is daarmee gegeven. De moeder heeft aangevoerd dat zij door de informatieregeling in een loyaliteitsconflict terecht komt en dat de vertrouwensband tussen [minderjarige] en haar wordt ondermijnd door de voortdurende dreiging van rapportage, maar dit legt onvoldoende gewicht in de schaal. In de eerste plaats heeft zij de door haar gestelde gevolgen onvoldoende (feitelijk) onderbouwd. Maar zelfs als het (moeten) informeren enig ongemak en druk teweeg zou brengen, dan weegt dat niet op tegen het belang van de vader om geïnformeerd te worden. Daarbij komt dat het aan de moeder is om [minderjarige] hier niet onnodig mee te belasten. Het hof heeft geconstateerd dat de moeder [minderjarige] betrekt bij de informatieverstrekking aan de vader, hetgeen bij [minderjarige] levende gevoelens van dwang met betrekking tot die informatieverstrekking onnodig versterkt. Zoals ook met de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken, ligt het op haar weg als ouder om de vader te informeren op een voor [minderjarige] níet belastende wijze. Daarmee dient de moeder het belang van [minderjarige] , doordat zij haar niet belast, terwijl zij ook tegemoetkomt aan het belang van de vader om als ouder op de hoogte te blijven van het wel en wee van [minderjarige] .
Met betrekking tot het standpunt van de moeder dat het structureel delen van medische gegevens in strijd is met het medisch beroepsgeheim, overweegt het hof als volgt. Artikel 7:457 BW gaat over de geheimhoudingsplicht van de hulpverlener. Het is geen handvat voor de ene ouder met gezag om de andere ouder met gezag informatie te onthouden waarover deze als ouder met gezag moet (kunnen) beschikken. Overigens vormt artikel 7:457, lid 3 BW ten aanzien van de ouders die het gezag uitoefenen met het oog op de toestemmingsverplichting van artikel 7:450, lid 2 BW juist een uitzondering op de geheimhoudingsplicht van de hulpverlener. Zoals tijdens de zitting in hoger beroep met de moeder besproken kan zij de vader gewoon informeren over huisartsbezoeken van [minderjarige] , bepaalde verwijzingen of behandelingen. Zij hoeft daarbij niet diep inhoudelijk in te gaan op gesprekken tussen hulpverlener(s) en [minderjarige] , voor zover de inhoud daarvan voor de vader niet nodig is om zijn verantwoordelijkheid als gezagdragende ouder te kunnen uitoefenen en te voldoen aan zijn in dat verband bestaande plichten.
Het hof acht de vastgestelde informatieregeling, waarbij is bepaald dat de moeder de vader eenmaal per twee maanden op de eerste dag van de maand schriftelijk over [minderjarige] informeert in minstens 300 woorden over bepaalde onderwerpen, passend. Hetgeen de moeder verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.




5.7
Wat betreft de foto’s en filmpjes van [minderjarige] overweegt het hof als volgt. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige] met name veel weerstand laat zien tegen de foto’s en filmpjes van haar die de moeder met de vader dient te delen. Uit de door de moeder overgelegde foto’s (die zij naar de vader heeft gestuurd naar aanleiding van de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling) blijkt dat het gaat om een door [minderjarige] diep gevoelde weerstand. Ook in het gesprek met de voorzitter heeft [minderjarige] duidelijk kenbaar gemaakt dat zij niet wil dat er foto’s en filmpjes van haar naar de vader gestuurd worden. [minderjarige] is inmiddels dertien jaar oud en mede gezien haar leeftijd komt aan haar mening gewicht toe. Daarbij komt nog dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader in het ouderportaal van de school van [minderjarige] haar schoolfoto’s kan inzien. Gelet op dit alles zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de moeder foto’s en videofilmpjes van [minderjarige] aan de vader dient te verstrekken.



5.8
Uit het voorgaande volgt dat het hof de vastgestelde informatieregeling deels zal bekrachtigen en deels zal vernietigen. Het hof is van oordeel dat de door het hof vastgestelde informatieregeling tegemoet komt aan het belang van de vader en geen disproportionele inbreuk maakt op het privéleven van [minderjarige] en de moeder. Er is bij deze regeling ook rekening gehouden met de wens van [minderjarige] (ten aanzien van de foto’s en de filmpjes). Het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK stuit hierop af.



5.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.






6De beslissing


Het hof:



vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de moeder eenmaal per vier maanden een op dat moment gelijkende/recente foto’s van [minderjarige] en een videofilmpje van [minderjarige] , waarbij zij volledig in beeld is en haar gezicht goed duidelijk te zien is, aan de vader verstrekt, en in zoverre opnieuw rechtdoende:



wijst af het verzoek van de vader te bepalen dat de moeder hem eenmaal per maand, op elke eerste van de maand, twee op dat moment gelijkende/recente foto’s van [minderjarige] en een videofilmpje van [minderjarige] , waarbij zij volledig in beeld is en haar gezicht goed duidelijk te zien is, dient te verstrekken;



bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;



wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. H.A. van den Berg en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.