Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2017:5693
2017-10-31
Strafrecht
23-001162-17
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHAMS:2017:5693 → ECLI:NL:RBAMS:2017:1830 overig
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin gedwongen om prostitutiewerk te doen en al de verdiensten uit die werkzaamheden van haar afgenomen en zich voorts schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden uit te geven aan onder meer (luxe)goederen, de huur van auto's en vakanties.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (60.009 tekens)
•i>
arrest
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001162-17
datum uitspraak: 31 oktober 2017 TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de
rechtbank Amsterdam van 23 maart 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-728132-16 (hierna: zaak A) en 13-731002-17 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
thans gedetineerd in [detentieadres].
Ontvankeliikheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.
Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2017 en 17 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.
Parketnummer: 23-001162-17 2
Tenlastegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
ZaakA:
1.
hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en),
(sub 1)
door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, en/of
(sub 2)
heeft geworven, vervoerd, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en)
en/of (sub 4)
voornoemde [slachtoffer] en/of en/of één of meer andere vrouw(en) (telkens) met één van de voornoemde
middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
dan wel
onder genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) en/of
die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) met of voor een derde,
immers heeft hij, verdachte,
- die [slachtoffer] (meermalen) onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of gebracht om in de prostitutie te blijven werken en/of
�
Parketnummer: 23-001162-17 3
een (seksuele) relatie met die [slachtoffer] aangegaan en/of gekregen en/of onderhouden en/of in stand gehouden en/of
die [slachtoffer] ertoe aangezet in de prostitutie te werken en/ofte blijven werken en/of
die [slachtoffer] weggebracht naar haar (prostitutie)werkzaamheden en/of opgehaald na afloop van haar (prostitutie)werkzaamheden en/of
die [slachtoffer] onderdak geboden in de huurwoning van zijn moeder en/of
die [slachtoffer] er toe aangezet door haar verdiende geldbedragen te storten op zijn (gevangenis)rekening,
alle verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden afgepakt en/of afgenomen van die [slachtoffer] en/of
die [slachtoffer] (meermalen) mishandeld, waardoor zij letsel heeft opgelopen (waarvoor zij in het ziekenhuis is behandeld), als zij niet voldoende geld had verdiend met de prostitutiewerkzaamheden en/of
die [slachtoffer] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/oflaten controleren, onder meer door die [slachtoffer] te laten sms-en hoeveel geld zij heeft verdiend en/of de inhoud van haar telefoon te controleren,
die [slachtoffer] onder druk gezet meer geld te verdienen met haar prostitutiewerkzaamheden door onder
andere de kleding van die [slachtoffer] kapot te maken en/of afte pakken en/of uit de auto te gooien en/of
die [slachtoffer] geregeld van telefoonnummer laten wisselen,
die [slachtoffer] (nadat hij haar had mishandeld) één of meermalen voorgehouden dat hij van haar houdt en/of zij bij elkaar horen en/of hij zal veranderen,
die [slachtoffer] één of meermalen gedreigd de relatie te verbreken en/of een ander meisje te zoeken wanneer zij niet genoeg verdiende
die [slachtoffer] zeven dagen per week laten werken en/of die [slachtoffer] naar een andere kamerverhuurder laten gaan om extra prostitutiewerkzaamheden te verrichten;
2.
hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander te weten [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij haar ([slachtoffer]'s) moeder en/of stiefvader en/of broertje iets aan zou doen, althans woorden van gelijke aard of strekking;
3.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2013 tot en met 16 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] letsel (waaronder (een) zwelling(en) op het hoofd en/of een gebroken neus en/of bloedingen aan de oorschelp en/of (een) rode plek(ken) en/of (een) blauwe plek(ken) en/of een litteken) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
ZaakB:
hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2012 tot en met 16juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer voorwerpen (waaronder op de beslaglijst vermeld; grijze en zwarte spijkerbroek(en), zwarte herenjack merk Dolce Gabana, (nep) Rolex horloge Submariner, een Black Berry, een zwarte iPhone, 29 simkaarten Lycamobile, schoenen merk Valantino Garavani, schoenen Dolce Gabana Sport, Zonnebril
Antony Morato Genco, schoenen Louis Orlato), en/of (contante) geldbedrag(en), althans 70.674,35 euro, te weten onder meer in ieder geval (een groot deel van) de verdiensten uit de door [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouw(en) verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruikt gemaakt terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Overweging ten aanzien van de tenlastelegging van feit 1 in zaak A
In zaak A onder feit 1 is aan de verdachte, kort gezegd, mensenhandel tenlastegelegd. Mensenhandel kent verschillende delictsomschrijvingen. Deze staan opgesomd in artikel 273f, eerste lid, aanhef, onderdelen 1 tot en met 9. Aan de verdachte is onder meer onderdeel (sub) 1 tenlastegelegd. Dit onderdeel valt uiteen in een drietal elementen, te weten een aantal dwangmiddelen, een aantal gedragingen en het oogmerk van uitbuiting. In de tenlastelegging van onderdeel 1 zijn tussen de opgesomde dwangmiddelen en de opgesomde gedragingen de woorden 'en/of (sub 2) ' opgenomen.
Het hof beschouwt deze bewoordingen, bezien in samenhang met de tekst van de wet, als een kennelijke misslag en herstelt dit door in het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit, tussen de zinsneden 'door misbruik van een kwetsbare positie' en 'heeft geworven, vervoerd, gehuisvest of opgenomen, de woorden
'en/of (sub 2 ï weg te laten. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De tekst van de tenlastelegging van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit komt vanaf de zinsnede 'die [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouw(en) met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen' tot en met de zinsnede 'met of voor een derde' woordelijk overeen met de delictsomschrijving van artikel 273f, eerste lid, aanhef, onderdeel 9 Sr. Daaruit leidt het hof af dat de opsteller van de tenlastelegging kennelijk ook onderdeel 9 aan de verdachte heeft ten laste gelegd. In de tenlastelegging van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit is echter nagelaten om voorafgaand aan de zinsnede 'die [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouw(en) met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen' de woorden '(sub 9)' op te nemen. Het hof leest deze woorden alsnog in. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
Het hof overweegt in dit verband dat gezien de uitleg van de officier van justitie en de advocaat-generaal ter terechtzittingen in beide instanties niet is gebleken dat bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan omtrent hetgeen hem werd verweten of dat de betreffende onderdelen van de tenlastelegging anderszins tot discussie aanleiding zouden hebben kunnen geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze eveneens verbeterd lezen. De verdachte is hierdoor evenmin in zijn verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot andere bewezenverklaringen komt dan de rechtbank.
De geldigheid van de inleidende dagvaarding
Aan de verdachte is, kort gezegd, in zaak A onder feit 1 menshandel ten laste gelegd en in zaak B dat hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het hof zal de tenlastelegging ten aanzien van beide feiten partieel nietig verklaren voor zover deze ziet op de zinsnede "een of meer andere vrouwen". Nu uit het dossier niet valt af te leiden op welke andere vrouwen de tenlastelegging betrekking heeft, is het hof van oordeel dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en concreet is met betrekking tot de vraag ter zake van welke specifieke feiten de verdachte zich dient te verdedigen. Om die reden voldoet de omschrijving van dit onderdeel van de tenlastelegging van beide feiten niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Zoals gevorderd door de advocaat-generaal en bepleit door de raadsvrouw zal het hof de verdachte van het medeplegen van het onder A 1 en A 3 en onder B ten laste gelegde vrijspreken, nu het wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.
Bespreking van ter terechtzitting gevoerde verweren
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de belastende verklaringen van de aangeefster, met name waar deze inhouden dat de verdachte opzet op uitbuiting had, niet worden ondersteund door voldoende ander redengevend bewijs, en dat de onderzoeksresultaten steeds uit dezelfde bron komen: aangeefster zelf.
Noch de verklaringen van de familieleden noch de verklaringen van anderen noch andere onderdelen van het dossier geven steun aan de verklaring van de aangeefster dat zij door de verdachte onder meer met behulp van geweld is uitgebuit. De verdachte heeft bekend dat hij zijn vriendin [slachtoffer] gedurende de tenlastegelegde periode heeft mishandeld, maar van enig verband tussen de mishandelingen en de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster is geen sprake. Ook overigens kan niet worden bewezen dat de verdachte het oogmerk van, dan wel het opzet op, de uitbuiting had. Ten onrechte heeft de rechtbank ook het vonnis van 11 januari 2013 bij de bewijswaardering gebruikt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat naast de belastende, consistente verklaringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde te kunnen komen. De advocaat-generaal wijst daarbij op de eerdere veroordeling van de verdachte, het feit dat de verdachte de mishandelingen heeft bekend, de letselverklaringen, de verklaringen van de moeder en stiefvader van de aangeefster en de verklaringen van de getuigen Baseq, Frowijn en Khavari dat de verdachte in de telefoonwinkels waar zij werkten een aantal malen gratis prepaidkaarten heeft gehaald.
Oordeel van het hof.
Uit de bewijsmiddelen, zoals ook in de bijlage bij dit arrest opgenomen, is het volgende af te leiden.
De verdachte is op 29 augustus 2013 vrijgekomen. Nadat enige tijd later zijn enkelband verwijderd werd, wilde de verdachte niet meer dat aangeefster bij kamerverhuurster [persoon 1] werkte. De aangeefster
heeft verklaard dat zij toen is overgestapt naar [verhuurbedrijf 1]. Uit de kamerverhuurgegevens blijkt dat de aangeefster met ingang van 26 september 2013 bij [verhuurbedrijf 1] een kamer huurde.
De aangeefster heeft voorts verklaard dat de verdachte bepaalde wanneer zij werkte en wanneer zij voldoende had verdiend.
De verdachte werd boos als ze niet genoeg had verdiend. Hij mishandelde haar dan, verscheurde geld dat • zij had verdiend, vernielde kleding die hij voor haar met haar geld had gekocht of gooide haar schoenen uit de auto. Op initiatief van de verdachte werkte de aangeefster naast de toegestane zes dagen bij [verhuurbedrijf 1], de zevende dag van de week bij [verhuurbedrijf 2]. De aangeefster kon het niet zeggen als ze niet wilde werken, want dan werd de verdachte boos en dan kreeg ze klappen.
Toen een arts haar vroeg of ze mishandeld werd, heeft de aangeefster geantwoord dat dat niet het geval was. Ze was namelijk bang dat het dan 'over' zou gaan met de verdachte en dat zij dan zonder geld op straat zou komen te staan.
De mishandelingen zijn uiteindelijk de reden geweest dat aangeefster aangifte heeft gedaan. Zij had die dag namelijk zo'n pijn vanwege een mishandeling door de verdachte, dat zij niet kon werken. Zij was bang opnieuw door hem mishandeld te worden, omdat ze niet genoeg zou verdienen. De verklaringen van de stiefvader, moeder en broer van de aangeefster bevestigen dat de aangeefster onder strikte controle stond van de verdachte. De verdachte was zeer dominant en hij controleerde steeds wat aangeefster aan het doen was. Dat de aangeefster mishandeld werd, wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte dat hij aangeefster herhaaldelijk heeft mishandeld, door de vele letselverklaringen in het dossier en door de verklaring van de moeder die blauwe plekken bij aangeefster heeft gezien. De stiefvader heeft bovendien verklaard dat hij aangeefster van een spontaan meisje in een "hoopje ellende" zag veranderen, en dat zij flink in gewicht was afgenomen.
De verdachte heeft erkend dat hij de aangeefster wel eens haar werk bracht en haar daar na het werk ook weer ophaalde, en gebruik maakte van het door haar met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld.
De aangeefster heeft verklaard dat zij al haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden aan de verdachte moest afstaan en niet de beschikking had over haar verdiensten. Zodra ze thuis kwam, moest aangeefster het geld op de keukentafel leggen, aldus de aangeefster. Zij kreeg van de verdachte geen geld in handen. De verdachte bepaalde vervolgens wat er met het geld gebeurde. Zo huurde hij er auto's van, boekte vakanties en kocht hij dure kleding en schoenen. De stiefvader, moeder en broer van aangeefster bevestigen dat de verdachte over veel geld beschikte, hetgeen de broer verbaasde, nu de verdachte geen werk had. Aangeefster had enkel schulden. Uit onderzoeksgegevens blijkt dat de verdachte in een vrijwel aaneengesloten periode van 22 juli 2014 tot en met 11 januari 2016 personenauto's heeft gehuurd bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] BV. Hij heeft hiervoor in totaal€ 24.435,05 contant betaald. In de periode van 23 november 2013 tot en met 12 augustus 2015 heeft de verdachte voor€ 12.790,00 aan transacties uitgevoerd bij GWK Travelex in Amsterdam. Verder heeft de verdachte blijkens informatie van [reisbureau] in De Bilt op 8 juni 2016 een reis naar Griekenland contant betaald. Ook heeft hij een vakantie naar Turkije van het geld van de aangeefster betaald.
De verdachte heeft verklaard dat hij een eigen inkomstenbron had, te weten de inkomsten uit illegale wiethandel. De verdachte heeft deze stelling evenwel niet onderbouwd en geweigerd verdere informatie omtrent dit inkomen te geven. Nu overigens het bestaan van deze inkomstenbron niet aannemelijk is geworden, gaat het hof ervan uit dat - gelet op de inhoud van het dossier - de verdachte enkel kon beschikken over een zorgtoeslag (een totaalbedrag ad € 2.219,00 over de jaren 2012, 2014, 2015 en 2016) en verder geen eigen inkomsten had.
Het hof is dan ook gelet op het voorgaande van oordeel dat de 'gezamenlijke pot' waarover de verdachte spreekt, enkel, dan wel voor het overgrote deel, gevuld werd met de verdiensten van de aangeefster uit prostitutie en dat de verdachte daar de volledige beschikking over had.
Gelet op het voorgaande en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is voldoende steunbewijs aanwezig voor de verklaringen van aangeefster, voor zover deze inhouden dat de verdachte de aangeefster onder meer met behulp van geweld heeft uitgebuit, waarbij de verdachte bepaalde waar en wanneer werd gewerkt en hij al de verdiensten van de aangeefster afpakte en/of afnam. Het verweer dat aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv niet is voldaan, wordt daarom verworpen.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit blijkt uit het voorgaande en de gebezigde bewijsmiddelen dat het door de verdachte toegepaste geweld gericht was op het dwingen en bewegen van aangeefster in de prostitutie te (blijven) werken.
Het veroordelend vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2013 zal, anders dan de rechtbank heeft gedaan, door het hof niet voor het bewijs worden gebezigd, nu deze veroordeling niet redengevend is voor hetgeen de verdachte in de onderhavige zaak is ten laste gelegd.
Overweging ten aanzien van de tenlastegelegde periode
Het openbaar ministerie heeft aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, mensenhandel van [slachtoffer] en gewoontewitwassen van de uit die mensenhandel verkregen geldbedragen.
De aangeefster [slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris op 13 december 2016 verklaard dat zij in mei 2012, terwijl de verdachte gedetineerd was vanwege de eerdere veroordeling vanwege mensenhandel jegens haar, weer is gaan werken in de prostitutie. Zij deed dit omdat ze geen geld had en iets moest doen. Het was een eigen keuze, heeft zij verklaard. Nadat de verdachte op 29 augustus 2013 was vrijgekomen en enige tijd daarna zijn enkelband werd verwijderd ging het mis. De mishandelingen begonnen.
Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich reeds sinds 1 juni 2012 schuldig heeft gemaakt aan voornoemde feiten. Pas nadat zijn enkelband werd verwijderd, is er een uitbuitingssituatie ontstaan. [slachtoffer] beschrijft dat zij toen van de verdachte ook geen kamer meer bij [persoon 1] mocht huren en sindsdien een kamer heeft gehuurd bij [verhuurbedrijf 1]. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] sinds 26 september 2013 een kamer heeft gehuurd bij [verhuurbedrijf 1] zal het hof bewezen verklaren dat de verdachte zich vanaf die datum heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel en gewoontewitwassen.
Voorwaardeliik verzoek tot het doen van nader onderzoek en het horen van de aangeefster
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar aanleiding van het door de advocaat-generaal in het geding gebrachte aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2017 het voorwaardelijk verzoek gedaan dat, indien het hof dit aanvullend proces-verbaal voor het bewijs zal bezigen, de inhoud van de telefoon van aangeefster nader wordt uitgelezen om in kaart te brengen wat de volledige communicatie tussen de verdachte en de aangeefster is geweest en dat de aangeefster omtrent
genoemd proces-verbaal van 22 augustus 2017 en de resultaten van het nog uit te voeren onderzoek aan haar telefoon nader wordt gehoord.
Het hof zal dit proces-verbaal niet voor het bewijs bezigen. Gelet daarop wordt de voorwaarde die verbonden is aan de verzoeken niet vervuld, en behoeven deze verzoeken derhalve geen verdere bespreking.
Bewezenyerklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.
hij in de periode van 26 september 2013 tot en met 16 juni 2016 in Nederland [slachtoffer]
(sub 1)
door dwang en geweld en andere feitelijkheden en door dreiging met andere feitelijkheden, heeft vervoerd en gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer]
en (sub 4)
voornoemde [slachtoffer] met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en bewogen zich
beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) en
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] en
(sub 9)
die [slachtoffer] met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde,
immers heeft hij, verdachte,
een (seksuele) relatie met die [slachtoffer] aangegaan en onderhouden en in stand gehouden en
die [slachtoffer] weggebracht naar haar prostitutiewerkzaamheden en opgehaald na afloop van haar prostitutiewerkzaamheden en
die [slachtoffer] onderdak geboden in de woning van zijn moeder en
alle verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden afgepakt en/of afgenomen van die [slachtoffer] en
die [slachtoffer] meermalen mishandeld, waardoor zij letsel heeft opgelopen (waarvoor zij in het ziekenhuis
is behandeld), als zij niet voldoende geld had verdiend met de prostitutiewerkzaamheden en
de inhoud van haar telefoon gecontroleerd en
die [slachtoffer] onder druk gezet meer geld te verdienen met haar prostitutiewerkzaamheden door de kleding van die [slachtoffer] kapot te maken en/of af te pakken en
die [slachtoffer] geregeld van telefoonnummer laten wisselen,
die [slachtoffer] gedreigd de relatie te verbreken en een ander meisje te zoeken wanneer zij niet genoeg verdiende en
die [slachtoffer] zeven dagen per week laten werken.
3.
hij in de periode van 01 december 2013 tot en met 16 juni 2016 in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] letsel (waaronder zwellingen op het hoofd en een gebroken neus en bloedingen aan de oorschelp en rode plekken en blauwe plekken en een litteken heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;
Zaak B:
hij in de periode van 26 september 2013 tot en met 16 juni 2016 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, geldbedragen, te weten verdiensten uit de door [slachtoffer] verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en voorhanden gehad en overgedragen en/of omgezet en daarvan gebruik gemaakt terwijl hij wist dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van mensenhandel en van mishandeling, meermalen gepleegd.
Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:
een gewoonte maken van witwassen.
Strafbaarheid_yan de yerdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de verdachte een contactverbod voor de duur van drie jaar oplegt beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] gedurende een periode van bijna drie jaar gedwongen om prostitutiewerk te doen en al de verdiensten uit die werkzaamheden van haar afgenomen Hiermee bekostigde de verdachte zijn dure levensstijl. [slachtoffer] mocht van hem niet beschikken over haar eigen geld. Zij was voor het doen van uitgaven afhankelijk van de verdachte. De verdachte had zelf geen noemenswaardig inkomen.
Mensenhandel is een vergaande manier van uitbuiting waarbij een zeer ernstige inbreuk wordt gemaakt op fundamentele rechten als menselijke waardigheid en persoonlijke vrijheid. De verdachte heeft de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] volledig miskend en zijn eigen financiële gewin op de voorgrond gesteld. De verdachte is hierbij zeer manipulatief te werk gegaan door zich voor te doen als een liefdevolle, gelijkwaardige partner.
Het hof neemt het de verdachte zeer kwalijk en laat als strafverzwarend meewegen dat hij jegens [slachtoffer] geweld heeft toegepast en op die wijze de druk op haar heeft opgevoerd. De verdachte heeft [slachtoffer] diverse keren fors mishandeld. Het letsel was in een aantal gevallen dermate ernstig dat zij hiervoor naar het ziekenhuis moest. Hij heeft [slachtoffer] eenmaal zelfs terwijl zij herstellende was van een neusoperatie vanwege een eerdere door hem gepleegde mishandeling haar opnieuw op haar neus geslagen.
Daarnaast heeft [slachtoffer] door de gedragingen van de verdachte lange tijd nadelige psychische gevolgen ondervonden, zoals valt op te maken uit de schriftelijke onderbouwing van haar vordering als benadeelde partij en de mondelinge aanvulling daarop die haar advocaat op de terechtzitting in hoger beroep heeft gegeven.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer], die hij door misdrijf onder zich had, uit te geven aan onder meer (luxe)goederen, de huur van auto's en vakanties. Door aldus te handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie werden onttrokken. Witwassen kan de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate aantasten.
Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 september 2017 volgt dat de verdachte in 2013 reeds eenmaal eerder is veroordeeld wegens mensenhandel jegens [slachtoffer]. Dat hij uit de daarvoor opgelegde straf geen lering heeft getrokken, en hij vrijwel direct na zijn vrijlating door is gegaan met het uitbuiten van [slachtoffer], rekent het hof hem zeer aan.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Contactverbod
Het hof acht voorts, net als de advocaat-generaal, termen aanwezig om een maatregel op te leggen strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer]. Het hof overweegt daarbij dat het hof de verdachte veroordeelt wegens, kort gezegd, mensenhandel jegens en meerdere mishandelingen van [slachtoffer]. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte en [slachtoffer] nog altijd contact met elkaar hebben. Nu de verdachte eerder wegens mensenhandel jegens [slachtoffer] is veroordeeld, acht het hof de gevorderde maatregel noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er, gelet op het voorgaande, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens haar.
Beslag
De inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 2, 6, 7 en 12 op de beslaglijst en het
inbeslaggenomen geldbedrag zijn van of uit de baten van het in zaak A onder l bewezenverklaarde feit verkregen. Zij behoren de verdachte toe. Het hof zal deze voorwerpen en het geldbedrag verbeurd verklaren.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen Toyota Aygo onder 1 en het daarbij behorende kentekenbewijs onder 4 overweegt het hof dat deze auto niet aan de verdachte, maar aan zijn moeder in eigendom toebehoort. Uit het dossier blijkt dat niet de moeder van de verdachte, maar de verdachte overwegend gebruik maakte van dit voertuig, en dat hij met behulp van deze auto (een van) de thans bewezen geachte misdrijven heeft begaan. Echter, niet is gebleken dat zijn moeder daarvan op de hoogte was in de zin van artikel 33a, tweede lid, aanhef onder a, Sr. Het hof is aldus van oordeel dat de auto en de bijbehorende autopapieren geretourneerd dienen te worden aan de moeder van de verdachte, te weten [persoon 2].
Ten aanzien van de inbeslaggenomen kledingstukken en schoenen onder de nummers 3, 3a, 3b, 3c, 5, 8, 9, I 0 en 11 heeft het hof niet kunnen vaststellen aan wie zij toebehoren en zal daarom de bewaring ervan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Inleiding
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal€ 397.134,49, bestaande uit een bedrag van € 372.134,49 aan materiële schade en een bedrag van€ 25.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
De rechtbank heeft een bedrag van€ 154.658,50 (aan materiële en immateriële schade) toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2016. De rechtbank heeft voorts de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de schadevergoeding tot een bedrag van€ 227.958,50 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat het hof de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] meermalen heeft mishandeld. Hij acht daarom een bedrag van
€ 10.000,00 een redelijke en billijke vergoeding voor de door [slachtoffer] als gevolg van die mishandeling geleden immateriële schade. Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering nu primair niet is bewezen dat [slachtoffer] door de verdachte is uitgebuit, en subsidiair het bestaan en de omvang van de door haar gestelde schade als gevolg van de uitbuiting niet deugdelijk is onderbouwd.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële gevorderde schade primair op het standpunt gesteld dat de post 'gederfde inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden', dient te worden afgewezen omdat de verdachte [slachtoffer] niet heeft uitgebuit.
De verdediging heeft voorts de omvang van deze gevorderde schade betwist. De verdediging stelt dat de benadeelde partij in de bewezenverklaarde periode een lagere gemiddelde dagopbrengst had, dat zij niet alle dagen van de week werkte, en dat er bij het bepalen van de omvang ten onrechte geen rekening is gehouden met een aantal aftrekposten en de eigen schuld van aangeefster.
Oordeel van het hof
Materiële schade; afgedragen verdiensten ad€ 363.500,00
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde pa1tij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof begroot de materiële schadevergoeding als volgt.
Het hof gaat bij het bepalen van het aantal door [slachtoffer] gewerkte dagen uit van de kamerverhuurgegevens van [verhuurbedrijf 1]. Daaruit volgt dat [slachtoffer] in de bewezen verklaarde periode 788 dagen een raam heeft gehuurd. Het hof gaat ervan uit dat zij op die dagen ook daadwerkelijk gewerkt heeft. Het hof laat de dagen dat [slachtoffer] een kamer huurde via een ander verhuurbedrijf buiten beschouwing omdat hiervan concrete gegevens ontbreken.
Het hof schat de gemiddelde dagopbrengst na aftrek van kosten van [slachtoffer] op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en de overige inhoud van het dossier op € 300,00 Het hof gaat er van uit dat [slachtoffer] dit bedrag moest afstaan, en dat de verdachte de helft daarvan aan goederen voor haar heeft besteed. Het hof schat de geleden schade derhalve op € 150,00 per gewerkte dag.
Op basis van het voorgaande, schat het hof dat [slachtoffer] in de bewezenverklaarde periode (788 x € 150,00
= € 118.200,00) aan inkomsten heeft afgestaan aan de verdachte. Het hof schat de omvang van de
materiële schade derhalve op dat bedrag. Het zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.
Materiële schade; medische kosten ad€ 7.812,49
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde mishandelingen medische kosten heeft gemaakt tot een
bedrag van€ 7.812,49. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Materiële schade; kosten kort geding ad€ 822,00
De kosten in verband met het voeren van een kort geding om de hond terug te krijgen ad € 822,00 komen niet in aanmerking voor vergoeding nu deze niet rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De benadeelde partij is ten aanzien van dit deel van haar vordering dan ook niet-ontvankelijk.
Immateriële schade ad€ 25.000,00
De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. De vaststelling geschiedt met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting en duur ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Het hof heeft ook gelet op de gederfde levensvreugde en de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde partij en daarnaast hetgeen in de rechtspraak aan schadevergoeding in de verschillende situaties wordt opgelegd. Gelet op deze omstandigheden en op hetgeen ter onderbouwing van de immateriële schade naar voren is gebracht schat het hof de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid op€ 25.000,00.
Tot slot
Het hof bepaalt dat het toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, waarbij het hof, nu sprake is van verschillende momenten waarop de materiele en immateriële schade is ontstaan, waarbij het hof de laatste dag van de bewezen verklaarde periode als vertrekpunt neemt, te weten 16 juni 2015..
Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36fvan het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 63, 273f, 300 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart de inleidende dagvaarding ten aanzien van het in zaak A onder 1 en het in zaak B ten laste gelegde nietig voor zover betrekking hebbend op de zinsneden: "en/of een of meer anderé vrouwen".
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren 6 juli 1992.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- (2) 1.00 STK BlackBerry (5203082);
- (6) 1.00 STK IPhone (5211722);
- (7) 29 (7) 29 STK Simkaarten Lycamobile (5211741 );
-(12) geldbedrag ad 1045 euro (5211154).
Gelast de teruggave aan [persoon 2] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
(1) 1.00 STK Toyota Aygo met kenteken [kenteken] (5211107);
(4) 1.00 STK Kentekenbewijs [kenteken] (5211228);
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
(3a) 1.00 STK Broek Pierre Balmain (5211227);
(3b) 1.00 STK Jas Dolce Gabanna (5211227);
(Je) 1.00 STK Zonnebril Antony Morato (5211227);
(3) 1.00 STK Broek Dolce Gabanna (5211227);
(5) 1.00 STK Horloge Rolex Submariner (5211834);
(8) 2.00 STK Schoenen Valentino Garavani (5211797);
(9) 2.00 STK Schoenen Dolce & Gabanna (5211822);
(10) 1.00 STK Zonnebril Antony Morato (5211888);
(11) 2.00 STK Schoenen Louis Orlato (5211986).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van€ 151.012,49 (honderdeenenvijftigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) bestaande uit€ 126.012,49 (honderdzesentwintigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) materiële schade en€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer], ter zake van het in zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 151.012,49 (honderd eenenvijftigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) bestaande uit
€ 126.012,49 (honderdzesentwintigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) materiële schade en
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. S.J. Riem, in tegenwoordigheid van
mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het gerechtshof van 31 oktober 2017.
BIJLAGE BEWIJSMIDDELEN
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
arrest
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001162-17
datum uitspraak: 31 oktober 2017 TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de
rechtbank Amsterdam van 23 maart 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-728132-16 (hierna: zaak A) en 13-731002-17 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
thans gedetineerd in [detentieadres].
Ontvankeliikheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.
Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2017 en 17 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.
Parketnummer: 23-001162-17 2
Tenlastegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
ZaakA:
1.
hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en),
(sub 1)
door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, en/of
(sub 2)
heeft geworven, vervoerd, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en)
en/of (sub 4)
voornoemde [slachtoffer] en/of en/of één of meer andere vrouw(en) (telkens) met één van de voornoemde
middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
dan wel
onder genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) en/of
die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouw(en) met of voor een derde,
immers heeft hij, verdachte,
- die [slachtoffer] (meermalen) onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of gebracht om in de prostitutie te blijven werken en/of
�
Parketnummer: 23-001162-17 3
een (seksuele) relatie met die [slachtoffer] aangegaan en/of gekregen en/of onderhouden en/of in stand gehouden en/of
die [slachtoffer] ertoe aangezet in de prostitutie te werken en/ofte blijven werken en/of
die [slachtoffer] weggebracht naar haar (prostitutie)werkzaamheden en/of opgehaald na afloop van haar (prostitutie)werkzaamheden en/of
die [slachtoffer] onderdak geboden in de huurwoning van zijn moeder en/of
die [slachtoffer] er toe aangezet door haar verdiende geldbedragen te storten op zijn (gevangenis)rekening,
alle verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden afgepakt en/of afgenomen van die [slachtoffer] en/of
die [slachtoffer] (meermalen) mishandeld, waardoor zij letsel heeft opgelopen (waarvoor zij in het ziekenhuis is behandeld), als zij niet voldoende geld had verdiend met de prostitutiewerkzaamheden en/of
die [slachtoffer] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/oflaten controleren, onder meer door die [slachtoffer] te laten sms-en hoeveel geld zij heeft verdiend en/of de inhoud van haar telefoon te controleren,
die [slachtoffer] onder druk gezet meer geld te verdienen met haar prostitutiewerkzaamheden door onder
andere de kleding van die [slachtoffer] kapot te maken en/of afte pakken en/of uit de auto te gooien en/of
die [slachtoffer] geregeld van telefoonnummer laten wisselen,
die [slachtoffer] (nadat hij haar had mishandeld) één of meermalen voorgehouden dat hij van haar houdt en/of zij bij elkaar horen en/of hij zal veranderen,
die [slachtoffer] één of meermalen gedreigd de relatie te verbreken en/of een ander meisje te zoeken wanneer zij niet genoeg verdiende
die [slachtoffer] zeven dagen per week laten werken en/of die [slachtoffer] naar een andere kamerverhuurder laten gaan om extra prostitutiewerkzaamheden te verrichten;
2.
hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander te weten [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij haar ([slachtoffer]'s) moeder en/of stiefvader en/of broertje iets aan zou doen, althans woorden van gelijke aard of strekking;
3.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2013 tot en met 16 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] letsel (waaronder (een) zwelling(en) op het hoofd en/of een gebroken neus en/of bloedingen aan de oorschelp en/of (een) rode plek(ken) en/of (een) blauwe plek(ken) en/of een litteken) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
ZaakB:
hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2012 tot en met 16juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer voorwerpen (waaronder op de beslaglijst vermeld; grijze en zwarte spijkerbroek(en), zwarte herenjack merk Dolce Gabana, (nep) Rolex horloge Submariner, een Black Berry, een zwarte iPhone, 29 simkaarten Lycamobile, schoenen merk Valantino Garavani, schoenen Dolce Gabana Sport, Zonnebril
Antony Morato Genco, schoenen Louis Orlato), en/of (contante) geldbedrag(en), althans 70.674,35 euro, te weten onder meer in ieder geval (een groot deel van) de verdiensten uit de door [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouw(en) verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruikt gemaakt terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Overweging ten aanzien van de tenlastelegging van feit 1 in zaak A
In zaak A onder feit 1 is aan de verdachte, kort gezegd, mensenhandel tenlastegelegd. Mensenhandel kent verschillende delictsomschrijvingen. Deze staan opgesomd in artikel 273f, eerste lid, aanhef, onderdelen 1 tot en met 9. Aan de verdachte is onder meer onderdeel (sub) 1 tenlastegelegd. Dit onderdeel valt uiteen in een drietal elementen, te weten een aantal dwangmiddelen, een aantal gedragingen en het oogmerk van uitbuiting. In de tenlastelegging van onderdeel 1 zijn tussen de opgesomde dwangmiddelen en de opgesomde gedragingen de woorden 'en/of (sub 2) ' opgenomen.
Het hof beschouwt deze bewoordingen, bezien in samenhang met de tekst van de wet, als een kennelijke misslag en herstelt dit door in het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit, tussen de zinsneden 'door misbruik van een kwetsbare positie' en 'heeft geworven, vervoerd, gehuisvest of opgenomen, de woorden
'en/of (sub 2 ï weg te laten. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De tekst van de tenlastelegging van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit komt vanaf de zinsnede 'die [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouw(en) met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen' tot en met de zinsnede 'met of voor een derde' woordelijk overeen met de delictsomschrijving van artikel 273f, eerste lid, aanhef, onderdeel 9 Sr. Daaruit leidt het hof af dat de opsteller van de tenlastelegging kennelijk ook onderdeel 9 aan de verdachte heeft ten laste gelegd. In de tenlastelegging van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit is echter nagelaten om voorafgaand aan de zinsnede 'die [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouw(en) met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen' de woorden '(sub 9)' op te nemen. Het hof leest deze woorden alsnog in. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
Het hof overweegt in dit verband dat gezien de uitleg van de officier van justitie en de advocaat-generaal ter terechtzittingen in beide instanties niet is gebleken dat bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan omtrent hetgeen hem werd verweten of dat de betreffende onderdelen van de tenlastelegging anderszins tot discussie aanleiding zouden hebben kunnen geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze eveneens verbeterd lezen. De verdachte is hierdoor evenmin in zijn verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot andere bewezenverklaringen komt dan de rechtbank.
De geldigheid van de inleidende dagvaarding
Aan de verdachte is, kort gezegd, in zaak A onder feit 1 menshandel ten laste gelegd en in zaak B dat hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het hof zal de tenlastelegging ten aanzien van beide feiten partieel nietig verklaren voor zover deze ziet op de zinsnede "een of meer andere vrouwen". Nu uit het dossier niet valt af te leiden op welke andere vrouwen de tenlastelegging betrekking heeft, is het hof van oordeel dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en concreet is met betrekking tot de vraag ter zake van welke specifieke feiten de verdachte zich dient te verdedigen. Om die reden voldoet de omschrijving van dit onderdeel van de tenlastelegging van beide feiten niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Zoals gevorderd door de advocaat-generaal en bepleit door de raadsvrouw zal het hof de verdachte van het medeplegen van het onder A 1 en A 3 en onder B ten laste gelegde vrijspreken, nu het wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.
Bespreking van ter terechtzitting gevoerde verweren
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de belastende verklaringen van de aangeefster, met name waar deze inhouden dat de verdachte opzet op uitbuiting had, niet worden ondersteund door voldoende ander redengevend bewijs, en dat de onderzoeksresultaten steeds uit dezelfde bron komen: aangeefster zelf.
Noch de verklaringen van de familieleden noch de verklaringen van anderen noch andere onderdelen van het dossier geven steun aan de verklaring van de aangeefster dat zij door de verdachte onder meer met behulp van geweld is uitgebuit. De verdachte heeft bekend dat hij zijn vriendin [slachtoffer] gedurende de tenlastegelegde periode heeft mishandeld, maar van enig verband tussen de mishandelingen en de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster is geen sprake. Ook overigens kan niet worden bewezen dat de verdachte het oogmerk van, dan wel het opzet op, de uitbuiting had. Ten onrechte heeft de rechtbank ook het vonnis van 11 januari 2013 bij de bewijswaardering gebruikt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat naast de belastende, consistente verklaringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde te kunnen komen. De advocaat-generaal wijst daarbij op de eerdere veroordeling van de verdachte, het feit dat de verdachte de mishandelingen heeft bekend, de letselverklaringen, de verklaringen van de moeder en stiefvader van de aangeefster en de verklaringen van de getuigen Baseq, Frowijn en Khavari dat de verdachte in de telefoonwinkels waar zij werkten een aantal malen gratis prepaidkaarten heeft gehaald.
Oordeel van het hof.
Uit de bewijsmiddelen, zoals ook in de bijlage bij dit arrest opgenomen, is het volgende af te leiden.
De verdachte is op 29 augustus 2013 vrijgekomen. Nadat enige tijd later zijn enkelband verwijderd werd, wilde de verdachte niet meer dat aangeefster bij kamerverhuurster [persoon 1] werkte. De aangeefster
heeft verklaard dat zij toen is overgestapt naar [verhuurbedrijf 1]. Uit de kamerverhuurgegevens blijkt dat de aangeefster met ingang van 26 september 2013 bij [verhuurbedrijf 1] een kamer huurde.
De aangeefster heeft voorts verklaard dat de verdachte bepaalde wanneer zij werkte en wanneer zij voldoende had verdiend.
De verdachte werd boos als ze niet genoeg had verdiend. Hij mishandelde haar dan, verscheurde geld dat • zij had verdiend, vernielde kleding die hij voor haar met haar geld had gekocht of gooide haar schoenen uit de auto. Op initiatief van de verdachte werkte de aangeefster naast de toegestane zes dagen bij [verhuurbedrijf 1], de zevende dag van de week bij [verhuurbedrijf 2]. De aangeefster kon het niet zeggen als ze niet wilde werken, want dan werd de verdachte boos en dan kreeg ze klappen.
Toen een arts haar vroeg of ze mishandeld werd, heeft de aangeefster geantwoord dat dat niet het geval was. Ze was namelijk bang dat het dan 'over' zou gaan met de verdachte en dat zij dan zonder geld op straat zou komen te staan.
De mishandelingen zijn uiteindelijk de reden geweest dat aangeefster aangifte heeft gedaan. Zij had die dag namelijk zo'n pijn vanwege een mishandeling door de verdachte, dat zij niet kon werken. Zij was bang opnieuw door hem mishandeld te worden, omdat ze niet genoeg zou verdienen. De verklaringen van de stiefvader, moeder en broer van de aangeefster bevestigen dat de aangeefster onder strikte controle stond van de verdachte. De verdachte was zeer dominant en hij controleerde steeds wat aangeefster aan het doen was. Dat de aangeefster mishandeld werd, wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte dat hij aangeefster herhaaldelijk heeft mishandeld, door de vele letselverklaringen in het dossier en door de verklaring van de moeder die blauwe plekken bij aangeefster heeft gezien. De stiefvader heeft bovendien verklaard dat hij aangeefster van een spontaan meisje in een "hoopje ellende" zag veranderen, en dat zij flink in gewicht was afgenomen.
De verdachte heeft erkend dat hij de aangeefster wel eens haar werk bracht en haar daar na het werk ook weer ophaalde, en gebruik maakte van het door haar met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld.
De aangeefster heeft verklaard dat zij al haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden aan de verdachte moest afstaan en niet de beschikking had over haar verdiensten. Zodra ze thuis kwam, moest aangeefster het geld op de keukentafel leggen, aldus de aangeefster. Zij kreeg van de verdachte geen geld in handen. De verdachte bepaalde vervolgens wat er met het geld gebeurde. Zo huurde hij er auto's van, boekte vakanties en kocht hij dure kleding en schoenen. De stiefvader, moeder en broer van aangeefster bevestigen dat de verdachte over veel geld beschikte, hetgeen de broer verbaasde, nu de verdachte geen werk had. Aangeefster had enkel schulden. Uit onderzoeksgegevens blijkt dat de verdachte in een vrijwel aaneengesloten periode van 22 juli 2014 tot en met 11 januari 2016 personenauto's heeft gehuurd bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] BV. Hij heeft hiervoor in totaal€ 24.435,05 contant betaald. In de periode van 23 november 2013 tot en met 12 augustus 2015 heeft de verdachte voor€ 12.790,00 aan transacties uitgevoerd bij GWK Travelex in Amsterdam. Verder heeft de verdachte blijkens informatie van [reisbureau] in De Bilt op 8 juni 2016 een reis naar Griekenland contant betaald. Ook heeft hij een vakantie naar Turkije van het geld van de aangeefster betaald.
De verdachte heeft verklaard dat hij een eigen inkomstenbron had, te weten de inkomsten uit illegale wiethandel. De verdachte heeft deze stelling evenwel niet onderbouwd en geweigerd verdere informatie omtrent dit inkomen te geven. Nu overigens het bestaan van deze inkomstenbron niet aannemelijk is geworden, gaat het hof ervan uit dat - gelet op de inhoud van het dossier - de verdachte enkel kon beschikken over een zorgtoeslag (een totaalbedrag ad € 2.219,00 over de jaren 2012, 2014, 2015 en 2016) en verder geen eigen inkomsten had.
Het hof is dan ook gelet op het voorgaande van oordeel dat de 'gezamenlijke pot' waarover de verdachte spreekt, enkel, dan wel voor het overgrote deel, gevuld werd met de verdiensten van de aangeefster uit prostitutie en dat de verdachte daar de volledige beschikking over had.
Gelet op het voorgaande en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is voldoende steunbewijs aanwezig voor de verklaringen van aangeefster, voor zover deze inhouden dat de verdachte de aangeefster onder meer met behulp van geweld heeft uitgebuit, waarbij de verdachte bepaalde waar en wanneer werd gewerkt en hij al de verdiensten van de aangeefster afpakte en/of afnam. Het verweer dat aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv niet is voldaan, wordt daarom verworpen.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit blijkt uit het voorgaande en de gebezigde bewijsmiddelen dat het door de verdachte toegepaste geweld gericht was op het dwingen en bewegen van aangeefster in de prostitutie te (blijven) werken.
Het veroordelend vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2013 zal, anders dan de rechtbank heeft gedaan, door het hof niet voor het bewijs worden gebezigd, nu deze veroordeling niet redengevend is voor hetgeen de verdachte in de onderhavige zaak is ten laste gelegd.
Overweging ten aanzien van de tenlastegelegde periode
Het openbaar ministerie heeft aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 16 juni 2016 zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, mensenhandel van [slachtoffer] en gewoontewitwassen van de uit die mensenhandel verkregen geldbedragen.
De aangeefster [slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris op 13 december 2016 verklaard dat zij in mei 2012, terwijl de verdachte gedetineerd was vanwege de eerdere veroordeling vanwege mensenhandel jegens haar, weer is gaan werken in de prostitutie. Zij deed dit omdat ze geen geld had en iets moest doen. Het was een eigen keuze, heeft zij verklaard. Nadat de verdachte op 29 augustus 2013 was vrijgekomen en enige tijd daarna zijn enkelband werd verwijderd ging het mis. De mishandelingen begonnen.
Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich reeds sinds 1 juni 2012 schuldig heeft gemaakt aan voornoemde feiten. Pas nadat zijn enkelband werd verwijderd, is er een uitbuitingssituatie ontstaan. [slachtoffer] beschrijft dat zij toen van de verdachte ook geen kamer meer bij [persoon 1] mocht huren en sindsdien een kamer heeft gehuurd bij [verhuurbedrijf 1]. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] sinds 26 september 2013 een kamer heeft gehuurd bij [verhuurbedrijf 1] zal het hof bewezen verklaren dat de verdachte zich vanaf die datum heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel en gewoontewitwassen.
Voorwaardeliik verzoek tot het doen van nader onderzoek en het horen van de aangeefster
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar aanleiding van het door de advocaat-generaal in het geding gebrachte aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2017 het voorwaardelijk verzoek gedaan dat, indien het hof dit aanvullend proces-verbaal voor het bewijs zal bezigen, de inhoud van de telefoon van aangeefster nader wordt uitgelezen om in kaart te brengen wat de volledige communicatie tussen de verdachte en de aangeefster is geweest en dat de aangeefster omtrent
genoemd proces-verbaal van 22 augustus 2017 en de resultaten van het nog uit te voeren onderzoek aan haar telefoon nader wordt gehoord.
Het hof zal dit proces-verbaal niet voor het bewijs bezigen. Gelet daarop wordt de voorwaarde die verbonden is aan de verzoeken niet vervuld, en behoeven deze verzoeken derhalve geen verdere bespreking.
Bewezenyerklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.
hij in de periode van 26 september 2013 tot en met 16 juni 2016 in Nederland [slachtoffer]
(sub 1)
door dwang en geweld en andere feitelijkheden en door dreiging met andere feitelijkheden, heeft vervoerd en gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer]
en (sub 4)
voornoemde [slachtoffer] met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en bewogen zich
beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) en
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] en
(sub 9)
die [slachtoffer] met gebruikmaking van eerder genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde,
immers heeft hij, verdachte,
een (seksuele) relatie met die [slachtoffer] aangegaan en onderhouden en in stand gehouden en
die [slachtoffer] weggebracht naar haar prostitutiewerkzaamheden en opgehaald na afloop van haar prostitutiewerkzaamheden en
die [slachtoffer] onderdak geboden in de woning van zijn moeder en
alle verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden afgepakt en/of afgenomen van die [slachtoffer] en
die [slachtoffer] meermalen mishandeld, waardoor zij letsel heeft opgelopen (waarvoor zij in het ziekenhuis
is behandeld), als zij niet voldoende geld had verdiend met de prostitutiewerkzaamheden en
de inhoud van haar telefoon gecontroleerd en
die [slachtoffer] onder druk gezet meer geld te verdienen met haar prostitutiewerkzaamheden door de kleding van die [slachtoffer] kapot te maken en/of af te pakken en
die [slachtoffer] geregeld van telefoonnummer laten wisselen,
die [slachtoffer] gedreigd de relatie te verbreken en een ander meisje te zoeken wanneer zij niet genoeg verdiende en
die [slachtoffer] zeven dagen per week laten werken.
3.
hij in de periode van 01 december 2013 tot en met 16 juni 2016 in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] letsel (waaronder zwellingen op het hoofd en een gebroken neus en bloedingen aan de oorschelp en rode plekken en blauwe plekken en een litteken heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;
Zaak B:
hij in de periode van 26 september 2013 tot en met 16 juni 2016 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, geldbedragen, te weten verdiensten uit de door [slachtoffer] verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en voorhanden gehad en overgedragen en/of omgezet en daarvan gebruik gemaakt terwijl hij wist dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van mensenhandel en van mishandeling, meermalen gepleegd.
Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:
een gewoonte maken van witwassen.
Strafbaarheid_yan de yerdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de verdachte een contactverbod voor de duur van drie jaar oplegt beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] gedurende een periode van bijna drie jaar gedwongen om prostitutiewerk te doen en al de verdiensten uit die werkzaamheden van haar afgenomen Hiermee bekostigde de verdachte zijn dure levensstijl. [slachtoffer] mocht van hem niet beschikken over haar eigen geld. Zij was voor het doen van uitgaven afhankelijk van de verdachte. De verdachte had zelf geen noemenswaardig inkomen.
Mensenhandel is een vergaande manier van uitbuiting waarbij een zeer ernstige inbreuk wordt gemaakt op fundamentele rechten als menselijke waardigheid en persoonlijke vrijheid. De verdachte heeft de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] volledig miskend en zijn eigen financiële gewin op de voorgrond gesteld. De verdachte is hierbij zeer manipulatief te werk gegaan door zich voor te doen als een liefdevolle, gelijkwaardige partner.
Het hof neemt het de verdachte zeer kwalijk en laat als strafverzwarend meewegen dat hij jegens [slachtoffer] geweld heeft toegepast en op die wijze de druk op haar heeft opgevoerd. De verdachte heeft [slachtoffer] diverse keren fors mishandeld. Het letsel was in een aantal gevallen dermate ernstig dat zij hiervoor naar het ziekenhuis moest. Hij heeft [slachtoffer] eenmaal zelfs terwijl zij herstellende was van een neusoperatie vanwege een eerdere door hem gepleegde mishandeling haar opnieuw op haar neus geslagen.
Daarnaast heeft [slachtoffer] door de gedragingen van de verdachte lange tijd nadelige psychische gevolgen ondervonden, zoals valt op te maken uit de schriftelijke onderbouwing van haar vordering als benadeelde partij en de mondelinge aanvulling daarop die haar advocaat op de terechtzitting in hoger beroep heeft gegeven.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer], die hij door misdrijf onder zich had, uit te geven aan onder meer (luxe)goederen, de huur van auto's en vakanties. Door aldus te handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie werden onttrokken. Witwassen kan de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate aantasten.
Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 september 2017 volgt dat de verdachte in 2013 reeds eenmaal eerder is veroordeeld wegens mensenhandel jegens [slachtoffer]. Dat hij uit de daarvoor opgelegde straf geen lering heeft getrokken, en hij vrijwel direct na zijn vrijlating door is gegaan met het uitbuiten van [slachtoffer], rekent het hof hem zeer aan.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Contactverbod
Het hof acht voorts, net als de advocaat-generaal, termen aanwezig om een maatregel op te leggen strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer]. Het hof overweegt daarbij dat het hof de verdachte veroordeelt wegens, kort gezegd, mensenhandel jegens en meerdere mishandelingen van [slachtoffer]. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte en [slachtoffer] nog altijd contact met elkaar hebben. Nu de verdachte eerder wegens mensenhandel jegens [slachtoffer] is veroordeeld, acht het hof de gevorderde maatregel noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er, gelet op het voorgaande, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens haar.
Beslag
De inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 2, 6, 7 en 12 op de beslaglijst en het
inbeslaggenomen geldbedrag zijn van of uit de baten van het in zaak A onder l bewezenverklaarde feit verkregen. Zij behoren de verdachte toe. Het hof zal deze voorwerpen en het geldbedrag verbeurd verklaren.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen Toyota Aygo onder 1 en het daarbij behorende kentekenbewijs onder 4 overweegt het hof dat deze auto niet aan de verdachte, maar aan zijn moeder in eigendom toebehoort. Uit het dossier blijkt dat niet de moeder van de verdachte, maar de verdachte overwegend gebruik maakte van dit voertuig, en dat hij met behulp van deze auto (een van) de thans bewezen geachte misdrijven heeft begaan. Echter, niet is gebleken dat zijn moeder daarvan op de hoogte was in de zin van artikel 33a, tweede lid, aanhef onder a, Sr. Het hof is aldus van oordeel dat de auto en de bijbehorende autopapieren geretourneerd dienen te worden aan de moeder van de verdachte, te weten [persoon 2].
Ten aanzien van de inbeslaggenomen kledingstukken en schoenen onder de nummers 3, 3a, 3b, 3c, 5, 8, 9, I 0 en 11 heeft het hof niet kunnen vaststellen aan wie zij toebehoren en zal daarom de bewaring ervan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Inleiding
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal€ 397.134,49, bestaande uit een bedrag van € 372.134,49 aan materiële schade en een bedrag van€ 25.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
De rechtbank heeft een bedrag van€ 154.658,50 (aan materiële en immateriële schade) toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2016. De rechtbank heeft voorts de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de schadevergoeding tot een bedrag van€ 227.958,50 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat het hof de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] meermalen heeft mishandeld. Hij acht daarom een bedrag van
€ 10.000,00 een redelijke en billijke vergoeding voor de door [slachtoffer] als gevolg van die mishandeling geleden immateriële schade. Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering nu primair niet is bewezen dat [slachtoffer] door de verdachte is uitgebuit, en subsidiair het bestaan en de omvang van de door haar gestelde schade als gevolg van de uitbuiting niet deugdelijk is onderbouwd.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële gevorderde schade primair op het standpunt gesteld dat de post 'gederfde inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden', dient te worden afgewezen omdat de verdachte [slachtoffer] niet heeft uitgebuit.
De verdediging heeft voorts de omvang van deze gevorderde schade betwist. De verdediging stelt dat de benadeelde partij in de bewezenverklaarde periode een lagere gemiddelde dagopbrengst had, dat zij niet alle dagen van de week werkte, en dat er bij het bepalen van de omvang ten onrechte geen rekening is gehouden met een aantal aftrekposten en de eigen schuld van aangeefster.
Oordeel van het hof
Materiële schade; afgedragen verdiensten ad€ 363.500,00
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde pa1tij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof begroot de materiële schadevergoeding als volgt.
Het hof gaat bij het bepalen van het aantal door [slachtoffer] gewerkte dagen uit van de kamerverhuurgegevens van [verhuurbedrijf 1]. Daaruit volgt dat [slachtoffer] in de bewezen verklaarde periode 788 dagen een raam heeft gehuurd. Het hof gaat ervan uit dat zij op die dagen ook daadwerkelijk gewerkt heeft. Het hof laat de dagen dat [slachtoffer] een kamer huurde via een ander verhuurbedrijf buiten beschouwing omdat hiervan concrete gegevens ontbreken.
Het hof schat de gemiddelde dagopbrengst na aftrek van kosten van [slachtoffer] op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en de overige inhoud van het dossier op € 300,00 Het hof gaat er van uit dat [slachtoffer] dit bedrag moest afstaan, en dat de verdachte de helft daarvan aan goederen voor haar heeft besteed. Het hof schat de geleden schade derhalve op € 150,00 per gewerkte dag.
Op basis van het voorgaande, schat het hof dat [slachtoffer] in de bewezenverklaarde periode (788 x € 150,00
= € 118.200,00) aan inkomsten heeft afgestaan aan de verdachte. Het hof schat de omvang van de
materiële schade derhalve op dat bedrag. Het zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.
Materiële schade; medische kosten ad€ 7.812,49
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde mishandelingen medische kosten heeft gemaakt tot een
bedrag van€ 7.812,49. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Materiële schade; kosten kort geding ad€ 822,00
De kosten in verband met het voeren van een kort geding om de hond terug te krijgen ad € 822,00 komen niet in aanmerking voor vergoeding nu deze niet rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De benadeelde partij is ten aanzien van dit deel van haar vordering dan ook niet-ontvankelijk.
Immateriële schade ad€ 25.000,00
De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. De vaststelling geschiedt met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting en duur ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Het hof heeft ook gelet op de gederfde levensvreugde en de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde partij en daarnaast hetgeen in de rechtspraak aan schadevergoeding in de verschillende situaties wordt opgelegd. Gelet op deze omstandigheden en op hetgeen ter onderbouwing van de immateriële schade naar voren is gebracht schat het hof de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid op€ 25.000,00.
Tot slot
Het hof bepaalt dat het toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, waarbij het hof, nu sprake is van verschillende momenten waarop de materiele en immateriële schade is ontstaan, waarbij het hof de laatste dag van de bewezen verklaarde periode als vertrekpunt neemt, te weten 16 juni 2015..
Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36fvan het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 63, 273f, 300 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart de inleidende dagvaarding ten aanzien van het in zaak A onder 1 en het in zaak B ten laste gelegde nietig voor zover betrekking hebbend op de zinsneden: "en/of een of meer anderé vrouwen".
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren 6 juli 1992.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- (2) 1.00 STK BlackBerry (5203082);
- (6) 1.00 STK IPhone (5211722);
- (7) 29 (7) 29 STK Simkaarten Lycamobile (5211741 );
-(12) geldbedrag ad 1045 euro (5211154).
Gelast de teruggave aan [persoon 2] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
(1) 1.00 STK Toyota Aygo met kenteken [kenteken] (5211107);
(4) 1.00 STK Kentekenbewijs [kenteken] (5211228);
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
(3a) 1.00 STK Broek Pierre Balmain (5211227);
(3b) 1.00 STK Jas Dolce Gabanna (5211227);
(Je) 1.00 STK Zonnebril Antony Morato (5211227);
(3) 1.00 STK Broek Dolce Gabanna (5211227);
(5) 1.00 STK Horloge Rolex Submariner (5211834);
(8) 2.00 STK Schoenen Valentino Garavani (5211797);
(9) 2.00 STK Schoenen Dolce & Gabanna (5211822);
(10) 1.00 STK Zonnebril Antony Morato (5211888);
(11) 2.00 STK Schoenen Louis Orlato (5211986).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van€ 151.012,49 (honderdeenenvijftigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) bestaande uit€ 126.012,49 (honderdzesentwintigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) materiële schade en€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer], ter zake van het in zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 151.012,49 (honderd eenenvijftigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) bestaande uit
€ 126.012,49 (honderdzesentwintigduizend twaalf euro en negenenveertig cent) materiële schade en
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. S.J. Riem, in tegenwoordigheid van
mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het gerechtshof van 31 oktober 2017.
BIJLAGE BEWIJSMIDDELEN
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]