Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2022:2330
2022-10-18
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
20 / 1898 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CRVB:2022:2330 → ECLI:NL:RBZWB:2020:1655 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Herroeping boete door het college. Geen belang. Ter zitting heeft het college meegedeeld dat hij het bestreden besluit en de boete van niet langer handhaaft omdat die niet op een deugdelijke grondslag berusten. Dat betekent dat het college het besluit heeft herroepen. Gelet hierop is het belang van appellant bij een beoordeling van het hoger beroep daaraan komen te ontvallen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.644 tekens)
201898 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 april 2020, 19/5074 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 18 oktober 2022
Zitting hebben: F. Hoogendijk, als voorzitter en M.F. Wagner en J.J. Janssen als leden
Griffier: B. Beerens
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2022.
Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.059,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In geding is het besluit van 22 augustus 2019, waarbij het college het besluit van 21 mei 2019, na bezwaar van appellant daartegen, heeft gehandhaafd. Bij dat besluit heeft het college appellant een boete opgelegd van € 711,83.
Ter zitting heeft het college meegedeeld dat hij het bestreden besluit en de boete van € 711,83 niet langer handhaaft omdat die niet op een deugdelijke grondslag berusten. Dat betekent dat het college het besluit van 21 mei 2019 heeft herroepen.
Gelet op het voorgaande is het belang van appellant bij een beoordeling van het hoger beroep daaraan komen te ontvallen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van bezwaar en de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 541,- in bezwaar, op € 759,- in beroep en op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.059,-.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) B. Beerens (getekend) F. Hoogendijk
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 april 2020, 19/5074 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 18 oktober 2022
Zitting hebben: F. Hoogendijk, als voorzitter en M.F. Wagner en J.J. Janssen als leden
Griffier: B. Beerens
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2022.
Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.059,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In geding is het besluit van 22 augustus 2019, waarbij het college het besluit van 21 mei 2019, na bezwaar van appellant daartegen, heeft gehandhaafd. Bij dat besluit heeft het college appellant een boete opgelegd van € 711,83.
Ter zitting heeft het college meegedeeld dat hij het bestreden besluit en de boete van € 711,83 niet langer handhaaft omdat die niet op een deugdelijke grondslag berusten. Dat betekent dat het college het besluit van 21 mei 2019 heeft herroepen.
Gelet op het voorgaande is het belang van appellant bij een beoordeling van het hoger beroep daaraan komen te ontvallen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van bezwaar en de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 541,- in bezwaar, op € 759,- in beroep en op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.059,-.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) B. Beerens (getekend) F. Hoogendijk