Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2018:1479
2018-05-17
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
17/684 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CRVB:2018:1479 → ECLI:NL:RBROT:2017:3 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering WW-uitkering en ZW-uitkering. Gefingeerd dienstverband.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (63)
- ECLI:NL:CRVB:2026:1055 Centrale Raad van Beroep 05-08-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:749 Centrale Raad van Beroep 18-06-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:3861 Rechtbank Oost-Brabant 05-06-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:3860 Rechtbank Oost-Brabant 05-06-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:498 Centrale Raad van Beroep 23-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2837 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-04-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:604 Centrale Raad van Beroep 08-04-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:231 Centrale Raad van Beroep 18-02-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:227 Centrale Raad van Beroep 18-02-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:230 Centrale Raad van Beroep 18-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5637 Rechtbank Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2025:7860 Rechtbank Oost-Brabant 02-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:1544 Centrale Raad van Beroep 22-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6137 Rechtbank Overijssel 17-10-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:1170 Centrale Raad van Beroep 01-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:4378 Rechtbank Oost-Brabant 11-07-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:3614 Rechtbank Oost-Brabant 26-06-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:3606 Rechtbank Oost-Brabant 25-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12132 Rechtbank Den Haag 25-06-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:953 Centrale Raad van Beroep 19-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9849 Rechtbank Den Haag 22-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8663 Rechtbank Den Haag 22-05-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:783 Centrale Raad van Beroep 14-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4766 Rechtbank Den Haag 25-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2427 Rechtbank Den Haag 19-02-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:797 Rechtbank Overijssel 12-02-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:141 Rechtbank Midden-Nederland 22-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:73 Centrale Raad van Beroep 08-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2024:2168 Centrale Raad van Beroep 20-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6082 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-08-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1618 Centrale Raad van Beroep 08-08-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1617 Centrale Raad van Beroep 08-08-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:407 Rechtbank Rotterdam 26-01-2024
- ECLI:NL:CRVB:2023:2227 Centrale Raad van Beroep 30-11-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1711 Centrale Raad van Beroep 31-08-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:3397 Rechtbank Oost-Brabant 07-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3561 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3564 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6806 Rechtbank Den Haag 17-05-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2203 Rechtbank Limburg 29-03-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2201 Rechtbank Limburg 29-03-2023
- ECLI:NL:RBROT:2022:11428 Rechtbank Rotterdam 23-12-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2548 Centrale Raad van Beroep 23-11-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:2722 Rechtbank Oost-Brabant 17-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4210 Rechtbank Den Haag 11-04-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:573 Rechtbank Oost-Brabant 22-02-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:11332 Rechtbank Rotterdam 24-11-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1883 Centrale Raad van Beroep 29-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1751 Centrale Raad van Beroep 15-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1503 Centrale Raad van Beroep 23-06-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1525 Centrale Raad van Beroep 23-06-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:871 Centrale Raad van Beroep 15-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:724 Centrale Raad van Beroep 31-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:337 Centrale Raad van Beroep 18-02-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:336 Centrale Raad van Beroep 12-02-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:343 Centrale Raad van Beroep 12-02-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:335 Centrale Raad van Beroep 12-02-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:3319 Centrale Raad van Beroep 23-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:3139 Centrale Raad van Beroep 10-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:3133 Centrale Raad van Beroep 10-12-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (10.465 tekens)
17684 ZW
Datum uitspraak: 17 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
5 januari 2017, 15/5767 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant heeft op 5 januari 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij laatstelijk werkzaam was bij [de BV] ([de BV]) te Rotterdam van 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010, op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden. Het Uwv heeft appellant met ingang van 3 januari 2011 in aanmerking gebracht voor een WW‑uitkering.
1.2.
Na een ziekmelding op 21 februari 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering gedurende dertien weken doorbetaald en appellant met ingang van 23 mei 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), die uiteindelijk tot en met 17 februari 2013 is uitbetaald.
1.3.
Het Uwv heeft in het kader van een onderzoek naar vermoedelijk gefingeerde dienstverbanden binnen [de BV] de rechtmatigheid van de verstrekte WW- en ZW-uitkeringen en de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsplicht van appellant onderzocht. Op basis van het ingestelde onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant niet bij [de BV] heeft gewerkt en daarom niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.
2.1.
Bij besluit van 26 januari 2015 (besluit 1) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 23 mei 2011 ingetrokken.
2.2.
Bij besluit van 28 januari 2015 (besluit 2) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 3 januari 2011.
2.3.
Bij besluit van 28 januari 2015 (besluit 3) heeft het Uwv de ZW-uitkering over de periode van 23 mei 2011 tot en met 17 februari 2013 ten bedrage van € 41.477,36 van appellant teruggevorderd.
2.4.
Bij besluit van 4 februari 2015 (besluit 4) heeft het Uwv de WW-uitkering over de periode van 3 januari 2011 tot en met 3 juni 2012 ten bedrage van € 16.735,25 van appellant teruggevorderd.
3. Bij besluit van 1 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellant tegen de besluiten 1 tot en met 4 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich
– kort gezegd – op het standpunt gesteld dat appellant niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, omdat feiten zijn aangedragen aan de hand waarvan aannemelijk is geworden dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [de BV]. Hieruit heeft het Uwv de conclusie getrokken dat sprake is van een gefingeerd dienstverband, dat appellant nooit persoonlijk arbeid heeft verricht voor [de BV] en dat appellant nooit loon heeft ontvangen van [de BV].
4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellant en [de BV] geen sprake is geweest van een dienstverband. De rechtbank heeft daarbij betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verhuurder van de winkelruimte waar [de BV] gevestigd was heeft verklaard dat [de BV] het betreffende winkelpand slechts enkele maanden heeft gehuurd, en daar al niet meer gevestigd was op het moment dat het vermeende dienstverband met appellant is aangegaan. Van enig ander vestigingsadres van [de BV] is niet gebleken. Daarnaast is door de in de arbeidsovereenkomst genoemde vertegenwoordiger van [de BV] verklaard dat de arbeidsovereenkomst vals is en dat de daarop geplaatste handtekening niet van hem is. Ten slotte heeft de rechtbank van belang geacht dat [de BV] voor appellant geen loonopgave heeft gedaan aan de Belastingdienst en [de BV] evenmin aangifte heeft gedaan van verschuldigde omzetbelasting. Volgens de rechtbank kan aan het feit dat appellant de beweerdelijke inkomsten uit zijn dienstverband met [de BV] heeft vermeld in zijn aangifte inkomstenbelasting (IB) over het jaar 2010 weinig (tegen)bewijswaarde worden toegekend, aangezien de inspecteur van de Belastingdienst zich inmiddels op het standpunt stelt dat de door appellant opgegeven loonbedragen niet zijn ontvangen.
5.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat er wel sprake is geweest van een dienstverband tussen hem en [de BV]. Dat hij nooit als werknemer is aangemeld en er voor hem geen premies zijn afgedragen is niet aan hem te wijten. Evenmin valt appellant aan te rekenen dat er tot op heden niemand is die kan bevestigen dat hij voor [de BV] heeft gewerkt. Appellant heeft herhaald dat hij de verdiensten uit zijn dienstverband heeft vermeld in zijn aangifte IB over het jaar 2010. De inspecteur van de Belastingdienst heeft geen zelfstandig onderzoek gedaan, maar is afgegaan op van het Uwv verkregen informatie.
5.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1.
Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er van 1 juli 2010 tot 1 januari 2011 geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en [de BV]. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW en de ZW heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
6.2.
Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren.
6.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op grond van de gegevens uit het ingestelde onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellant en [de BV]. De overwegingen en conclusies van de rechtbank worden geheel onderschreven. Hier wordt aan toegevoegd dat het Uwv in verband met de nog lopende strafrechtelijke onderzoeken weliswaar heeft volstaan met het overleggen van samenvattingen van (een deel van) de in zijn onderzoek afgelegde verklaringen, evenwel is de conclusie dat sprake is van een gefingeerd dienstverband niet alleen gebaseerd op de afgelegde verklaringen maar ook op de bevindingen uit het onderzoek in de administratieve bestanden. Voorts valt niet in te zien dat de ontbrekende verklaringen van andere – vermeende – werknemers van [de BV] voor appellant op enigerlei wijze ontlastend bewijs zouden kunnen opleveren, nu appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij niet bekend was met collega-werknemers.
6.4.
De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat appellant de onjuistheid van het standpunt van het Uwv niet met op objectieve en verifieerbare gegevens berustend tegenbewijs aannemelijk heeft gemaakt.
6.5.
Appellant heeft er opnieuw op gewezen dat hij de vermeende inkomsten uit zijn dienstverband bij [de BV] in zijn aangifte IB over 2010 heeft vermeld. Hiermee maakt appellant de onjuistheid van het standpunt van het Uwv niet aannemelijk. De Belastingdienst heeft zich op basis van het door het Uwv verrichte onderzoek op het standpunt gesteld dat zowel het aangegeven loon als de met de verschuldigde inkomstenbelasting als voorheffing verrekende loonheffing ten onrechte in het aangiftebiljet over 2010 zijn opgevoerd en heeft ter zake een correctie en vergrijpboete aangekondigd. Appellant heeft verder weliswaar salarisspecificaties overgelegd over de periode juli tot en met december 2010, maar heeft geen enkel bewijs verstrekt van de betalingen daarvan, terwijl volgens de salarisspecificaties betalingen zijn gedaan op een rekeningnummer. Ook van de – naar zijn zeggen – contante uitbetaling is geen bewijs geleverd.
6.6.
Dat door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de aangifte van het Uwv tot op heden kennelijk nog niet is beslist omtrent een eventuele strafrechtelijke vervolging van appellant, biedt geen aanknopingspunten om het standpunt van het Uwv onjuist te achten.
7. Uit wat in 6.1 tot en met 6.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2018.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) J.R. Trox
TM
Datum uitspraak: 17 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
5 januari 2017, 15/5767 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant heeft op 5 januari 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij laatstelijk werkzaam was bij [de BV] ([de BV]) te Rotterdam van 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010, op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden. Het Uwv heeft appellant met ingang van 3 januari 2011 in aanmerking gebracht voor een WW‑uitkering.
1.2.
Na een ziekmelding op 21 februari 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering gedurende dertien weken doorbetaald en appellant met ingang van 23 mei 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), die uiteindelijk tot en met 17 februari 2013 is uitbetaald.
1.3.
Het Uwv heeft in het kader van een onderzoek naar vermoedelijk gefingeerde dienstverbanden binnen [de BV] de rechtmatigheid van de verstrekte WW- en ZW-uitkeringen en de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsplicht van appellant onderzocht. Op basis van het ingestelde onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant niet bij [de BV] heeft gewerkt en daarom niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.
2.1.
Bij besluit van 26 januari 2015 (besluit 1) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 23 mei 2011 ingetrokken.
2.2.
Bij besluit van 28 januari 2015 (besluit 2) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 3 januari 2011.
2.3.
Bij besluit van 28 januari 2015 (besluit 3) heeft het Uwv de ZW-uitkering over de periode van 23 mei 2011 tot en met 17 februari 2013 ten bedrage van € 41.477,36 van appellant teruggevorderd.
2.4.
Bij besluit van 4 februari 2015 (besluit 4) heeft het Uwv de WW-uitkering over de periode van 3 januari 2011 tot en met 3 juni 2012 ten bedrage van € 16.735,25 van appellant teruggevorderd.
3. Bij besluit van 1 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellant tegen de besluiten 1 tot en met 4 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich
– kort gezegd – op het standpunt gesteld dat appellant niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, omdat feiten zijn aangedragen aan de hand waarvan aannemelijk is geworden dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [de BV]. Hieruit heeft het Uwv de conclusie getrokken dat sprake is van een gefingeerd dienstverband, dat appellant nooit persoonlijk arbeid heeft verricht voor [de BV] en dat appellant nooit loon heeft ontvangen van [de BV].
4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellant en [de BV] geen sprake is geweest van een dienstverband. De rechtbank heeft daarbij betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verhuurder van de winkelruimte waar [de BV] gevestigd was heeft verklaard dat [de BV] het betreffende winkelpand slechts enkele maanden heeft gehuurd, en daar al niet meer gevestigd was op het moment dat het vermeende dienstverband met appellant is aangegaan. Van enig ander vestigingsadres van [de BV] is niet gebleken. Daarnaast is door de in de arbeidsovereenkomst genoemde vertegenwoordiger van [de BV] verklaard dat de arbeidsovereenkomst vals is en dat de daarop geplaatste handtekening niet van hem is. Ten slotte heeft de rechtbank van belang geacht dat [de BV] voor appellant geen loonopgave heeft gedaan aan de Belastingdienst en [de BV] evenmin aangifte heeft gedaan van verschuldigde omzetbelasting. Volgens de rechtbank kan aan het feit dat appellant de beweerdelijke inkomsten uit zijn dienstverband met [de BV] heeft vermeld in zijn aangifte inkomstenbelasting (IB) over het jaar 2010 weinig (tegen)bewijswaarde worden toegekend, aangezien de inspecteur van de Belastingdienst zich inmiddels op het standpunt stelt dat de door appellant opgegeven loonbedragen niet zijn ontvangen.
5.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat er wel sprake is geweest van een dienstverband tussen hem en [de BV]. Dat hij nooit als werknemer is aangemeld en er voor hem geen premies zijn afgedragen is niet aan hem te wijten. Evenmin valt appellant aan te rekenen dat er tot op heden niemand is die kan bevestigen dat hij voor [de BV] heeft gewerkt. Appellant heeft herhaald dat hij de verdiensten uit zijn dienstverband heeft vermeld in zijn aangifte IB over het jaar 2010. De inspecteur van de Belastingdienst heeft geen zelfstandig onderzoek gedaan, maar is afgegaan op van het Uwv verkregen informatie.
5.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1.
Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er van 1 juli 2010 tot 1 januari 2011 geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en [de BV]. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW en de ZW heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
6.2.
Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren.
6.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op grond van de gegevens uit het ingestelde onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellant en [de BV]. De overwegingen en conclusies van de rechtbank worden geheel onderschreven. Hier wordt aan toegevoegd dat het Uwv in verband met de nog lopende strafrechtelijke onderzoeken weliswaar heeft volstaan met het overleggen van samenvattingen van (een deel van) de in zijn onderzoek afgelegde verklaringen, evenwel is de conclusie dat sprake is van een gefingeerd dienstverband niet alleen gebaseerd op de afgelegde verklaringen maar ook op de bevindingen uit het onderzoek in de administratieve bestanden. Voorts valt niet in te zien dat de ontbrekende verklaringen van andere – vermeende – werknemers van [de BV] voor appellant op enigerlei wijze ontlastend bewijs zouden kunnen opleveren, nu appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij niet bekend was met collega-werknemers.
6.4.
De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat appellant de onjuistheid van het standpunt van het Uwv niet met op objectieve en verifieerbare gegevens berustend tegenbewijs aannemelijk heeft gemaakt.
6.5.
Appellant heeft er opnieuw op gewezen dat hij de vermeende inkomsten uit zijn dienstverband bij [de BV] in zijn aangifte IB over 2010 heeft vermeld. Hiermee maakt appellant de onjuistheid van het standpunt van het Uwv niet aannemelijk. De Belastingdienst heeft zich op basis van het door het Uwv verrichte onderzoek op het standpunt gesteld dat zowel het aangegeven loon als de met de verschuldigde inkomstenbelasting als voorheffing verrekende loonheffing ten onrechte in het aangiftebiljet over 2010 zijn opgevoerd en heeft ter zake een correctie en vergrijpboete aangekondigd. Appellant heeft verder weliswaar salarisspecificaties overgelegd over de periode juli tot en met december 2010, maar heeft geen enkel bewijs verstrekt van de betalingen daarvan, terwijl volgens de salarisspecificaties betalingen zijn gedaan op een rekeningnummer. Ook van de – naar zijn zeggen – contante uitbetaling is geen bewijs geleverd.
6.6.
Dat door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de aangifte van het Uwv tot op heden kennelijk nog niet is beslist omtrent een eventuele strafrechtelijke vervolging van appellant, biedt geen aanknopingspunten om het standpunt van het Uwv onjuist te achten.
7. Uit wat in 6.1 tot en met 6.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2018.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) J.R. Trox
TM