Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2017:102
2017-01-12
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
16/5556 AW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In hoger beroep geen inhoudelijke gronden. Proceskostenveroordeling. Onder verwijzing naar arresten Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, heeft rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Geen recht op vergoeding van in beroep betaalde griffierecht omdat bij verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn geen griffierecht verschuldigd is.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2015:660 Hoge Raad 20-03-2015
Geciteerd door (47)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3761 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3680 Gerechtshof Amsterdam 13-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4550 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1995 Gerechtshof Amsterdam 17-07-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:642 Gerechtshof Amsterdam 11-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:641 Gerechtshof Amsterdam 11-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:281 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-02-2025
- ECLI:NL:CBB:2024:917 College van Beroep voor het bedrijfsleven 17-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2248 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2249 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2346 Gerechtshof Amsterdam 01-08-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2517 Gerechtshof Amsterdam 04-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1644 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1459 Gerechtshof Amsterdam 14-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3359 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1229 Gerechtshof Amsterdam 07-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2862 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2860 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2057 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2056 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2173 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2169 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2172 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7331 Rechtbank Noord-Holland 06-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:699 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7325 Rechtbank Noord-Holland 06-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1504 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1207 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1208 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-02-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3068 Gerechtshof Amsterdam 12-12-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1860 Centrale Raad van Beroep 28-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2949 Raad van State 02-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2021:1813 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:918 Rechtbank Den Haag 11-02-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2020:5779 Rechtbank Oost-Brabant 20-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1540 Centrale Raad van Beroep 21-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6763 Rechtbank Den Haag 09-07-2019
- ECLI:NL:CRVB:2017:3254 Centrale Raad van Beroep 21-09-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:2603 Centrale Raad van Beroep 27-07-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:2276 Centrale Raad van Beroep 29-06-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1314 Centrale Raad van Beroep 06-04-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:962 Centrale Raad van Beroep 09-03-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (5.506 tekens)
16/5556 AW
Datum uitspraak: 12 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
1 augustus 2016, 14/1784 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie Operationeel Expert Observatie, gewaardeerd in schaal 9. Bij besluit van 25 april 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
3. De Raad komt naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen inhoudelijke gronden tegen het bestreden besluit aangevoerd, maar heeft volstaan met het betoog dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling. Dit betoog slaagt.
3.2.
Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, in het bijzonder rechtsoverwegingen 3.14.1 en 3.14.2. De Hoge Raad heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat indien de rechter het (hoger) beroep op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekent, er aanleiding is, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende
(vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). Indien de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden en die overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan de rechter, zal de vergoeding van deze bedragen moeten plaatsvinden door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie). De Raad ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval te komen tot een ander oordeel. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
3.3.
Anders dan appellant heeft betoogd bestaat echter geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Awb van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd.
3.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover geen proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog overgaan tot toekenning van een proceskostenvergoeding in beroep (1 punt voor het ter zitting indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, wegingsfactor 0,5 (licht)), ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie).
4. Aanleiding bestaat voorts voor veroordeling van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). Voorts bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is
toegekend;
- bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 251,-
terugbetaalt;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de
proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 742,50.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) P.W.J. Hospel
HD
Datum uitspraak: 12 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
1 augustus 2016, 14/1784 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie Operationeel Expert Observatie, gewaardeerd in schaal 9. Bij besluit van 25 april 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
3. De Raad komt naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen inhoudelijke gronden tegen het bestreden besluit aangevoerd, maar heeft volstaan met het betoog dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling. Dit betoog slaagt.
3.2.
Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, in het bijzonder rechtsoverwegingen 3.14.1 en 3.14.2. De Hoge Raad heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat indien de rechter het (hoger) beroep op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekent, er aanleiding is, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende
(vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). Indien de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden en die overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan de rechter, zal de vergoeding van deze bedragen moeten plaatsvinden door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie). De Raad ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval te komen tot een ander oordeel. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
3.3.
Anders dan appellant heeft betoogd bestaat echter geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Awb van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd.
3.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover geen proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog overgaan tot toekenning van een proceskostenvergoeding in beroep (1 punt voor het ter zitting indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, wegingsfactor 0,5 (licht)), ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie).
4. Aanleiding bestaat voorts voor veroordeling van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). Voorts bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is
toegekend;
- bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 251,-
terugbetaalt;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de
proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 742,50.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) P.W.J. Hospel
HD