Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2015:1055
2015-03-20
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
13-1933 WAO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening van eerdere uitspraak. Rechtseenheid. Een verzoek mag niet onredelijk laat worden ingediend. Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2012:BW0190 Centrale Raad van Beroep 28-03-2012
- ECLI:NL:RVS:2015:310 Raad van State 28-01-2015
- ECLI:NL:HR:2015:357 Hoge Raad 20-02-2015
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:CRVB:2026:608 Centrale Raad van Beroep 15-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2025:887 Centrale Raad van Beroep 05-06-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:78 Centrale Raad van Beroep 10-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:76 Centrale Raad van Beroep 10-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2024:2285 Centrale Raad van Beroep 04-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1500 Centrale Raad van Beroep 24-07-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:565 Centrale Raad van Beroep 20-03-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:235 Centrale Raad van Beroep 01-02-2024
- ECLI:NL:CRVB:2023:2107 Centrale Raad van Beroep 10-11-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:854 Centrale Raad van Beroep 04-05-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:846 Centrale Raad van Beroep 03-05-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:237 Centrale Raad van Beroep 02-02-2023
- ECLI:NL:CRVB:2022:2623 Centrale Raad van Beroep 06-12-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2202 Centrale Raad van Beroep 13-10-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2155 Centrale Raad van Beroep 30-09-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2141 Centrale Raad van Beroep 29-09-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1667 Centrale Raad van Beroep 14-07-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1491 Centrale Raad van Beroep 30-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1259 Centrale Raad van Beroep 02-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1073 Centrale Raad van Beroep 25-04-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:854 Centrale Raad van Beroep 07-04-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:448 Centrale Raad van Beroep 24-02-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:387 Centrale Raad van Beroep 17-02-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:390 Centrale Raad van Beroep 17-02-2022
- ECLI:NL:CRVB:2021:3034 Centrale Raad van Beroep 03-12-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2858 Centrale Raad van Beroep 18-11-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1328 Centrale Raad van Beroep 03-06-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1047 Centrale Raad van Beroep 21-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:123 Centrale Raad van Beroep 14-01-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:3334 Centrale Raad van Beroep 27-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1309 Centrale Raad van Beroep 25-06-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:963 Centrale Raad van Beroep 16-04-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:20 Centrale Raad van Beroep 08-01-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:3117 Centrale Raad van Beroep 26-09-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2971 Centrale Raad van Beroep 12-09-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:1630 Centrale Raad van Beroep 16-05-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:376 Centrale Raad van Beroep 31-01-2019
- ECLI:NL:CRVB:2018:3515 Centrale Raad van Beroep 08-11-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2988 Centrale Raad van Beroep 27-09-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2973 Centrale Raad van Beroep 27-09-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2224 Centrale Raad van Beroep 20-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2290 Centrale Raad van Beroep 19-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2017:4060 Centrale Raad van Beroep 21-11-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:3514 Centrale Raad van Beroep 13-10-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:2204 Centrale Raad van Beroep 22-06-2017
- ECLI:NL:CRVB:2016:4299 Centrale Raad van Beroep 10-11-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3617 Centrale Raad van Beroep 29-09-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2151 Centrale Raad van Beroep 10-06-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2187 Centrale Raad van Beroep 10-06-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:968 Centrale Raad van Beroep 18-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2015:3542 Centrale Raad van Beroep 14-10-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:1377 Centrale Raad van Beroep 30-04-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (4.635 tekens)
13/1933 WAO
Datum uitspraak: 20 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij een op 10 april 2013 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0190.
Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.
OVERWEGINGEN
1.1.
Bij besluit van 10 oktober 1996 heeft het Uwv geweigerd verzoeker een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen. Bij besluit van
6 november 2009 heeft het Uwv afwijzend beslist op een verzoek van verzoeker om het besluit van 10 oktober 1996 te herzien. Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 januari 2010 ongegrond verklaard.
1.2.
Het door verzoeker tegen het besluit van 5 januari 2010 ingestelde beroep is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 21 december 2010, 10/447, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 maart 2012, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.
2. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.1.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015, nr. 201407367/2/A4, ECLI:NL:RVS:2015:310, en het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05686, ECLI:NL:HR:2015:357, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.1.2.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.1.3.
De hiervoor in 3.1.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.1.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.
3.2.
In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, is het herzieningsverzoek slechts onderbouwd met medische verklaringen die dateren van ver vóór de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Nu gesteld noch gebleken is dat verzoeker eerst minder dan een jaar voor de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden met deze verklaringen, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
3.3.
Gelet op 3.1.1 tot en met 3.2 moet het voorliggende herzieningsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) B. Fotchind
MK
Datum uitspraak: 20 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij een op 10 april 2013 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2012, 11/633 WAO, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0190.
Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.
OVERWEGINGEN
1.1.
Bij besluit van 10 oktober 1996 heeft het Uwv geweigerd verzoeker een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen. Bij besluit van
6 november 2009 heeft het Uwv afwijzend beslist op een verzoek van verzoeker om het besluit van 10 oktober 1996 te herzien. Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 januari 2010 ongegrond verklaard.
1.2.
Het door verzoeker tegen het besluit van 5 januari 2010 ingestelde beroep is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 21 december 2010, 10/447, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 maart 2012, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.
2. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.1.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015, nr. 201407367/2/A4, ECLI:NL:RVS:2015:310, en het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05686, ECLI:NL:HR:2015:357, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.1.2.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.1.3.
De hiervoor in 3.1.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.1.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.
3.2.
In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, is het herzieningsverzoek slechts onderbouwd met medische verklaringen die dateren van ver vóór de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Nu gesteld noch gebleken is dat verzoeker eerst minder dan een jaar voor de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden met deze verklaringen, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
3.3.
Gelet op 3.1.1 tot en met 3.2 moet het voorliggende herzieningsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) B. Fotchind
MK