College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:405
2026-09-01
Bestuursrecht
24/307
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CBB:2026:405 → ECLI:NL:RBROT:2024:1011 overig
Inhoudsindicatie
Hoger beroep, Whc, last onder dwangsom, invordering en publicatie. Sprake van oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden door de beperkingen in de opzegmogelijkheden. Het informeren van de leden over deze oneerlijke handelspraktijk hangt samen met de (deels door de rechtbank vernietigde) overige lastonderdelen. Omdat de leden niet tijdig op de juiste manier zijn geïnformeerd. is niet aan de last voldaan en zijn de dwangsommen verbeurd. Dat deels aan de last is voldaan is in dit geval geen reden voor matiging. Hoger beroep slaagt niet.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBROT:2024:1011 Rechtbank Rotterdam 15-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2022:8232 Rechtbank Rotterdam 04-10-2022
- ECLI:NL:CBB:2019:99 College van Beroep voor het bedrijfsleven 12-03-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (43.215 tekens)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/307
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2026 op het hoger beroep van
Privilege B.V., te Haarlem (Privilege)
(gemachtigde: mr. N.J. Linssen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024, kenmerk 23/27 en 23/29, in het geding tussen
Privilege
en
de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
(gemachtigden: mr. J.M. Meindertsma en mr. E.L.M. Vos)
Procesverloop in hoger beroep
Privilege heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:1011)
De ACM heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 9 juni 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Waar gaat deze zaak over
1.1 De ACM is in juli 2021 een onderzoek gestart naar de handelspraktijken van Privilege naar aanleiding van meldingen over het Privileges Lidmaatschap (het lidmaatschap) dat consumenten hebben afgesloten bij Privilege via de website www.mijnprivileges.nl (de website). Uit de meldingen kwam naar voren dat Privilege de opzegmogelijkheden voor consumenten op meerdere manieren heeft beperkt. Klanten konden niet elektronisch opzeggen, terwijl zij het lidmaatschap wel elektronisch waren aangegaan en opzeggingen werden niet verwerkt, of pas verwerkt één jaar na de opzegging. Daarnaast hebben consumenten gemeld dat zij brieven van Privilege ontvingen wanneer zij hun lidmaatschap opzegden en besloten om niet te betalen voor een extra jaar. In deze brieven is gedreigd met oplopende extra kosten op grond van een boeteclausule in de algemene voorwaarden als consumenten niet zouden betalen en de opzegging niet zouden annuleren. Dit boetebedrag bedroeg € 495.
1.2 Volgens de ACM heeft Privilege gehandeld in strijd met de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc), doordat zij onredelijke voorwaarden heeft gehanteerd en zich schuldig heeft gemaakt aan agressieve handelspraktijken. Daarom heeft de ACM aan Privilege op 1 juni 2022 een last onder dwangsom opgelegd, gericht op het beëindigen van de overtredingen (dwangsombesluit). Deze last hield het volgende in:
“Privilege dient de overtredingen van 8.3 Whc jo. artikel 6:236, aanhef en onder j en o, BW, artikel 6:233 BW en 8.8 Whc jo. artikel 6:193h, eerste lid BW te beëindigen en beëindigd te houden. Privilege kan dat doen door:
Artikelen 5.2, 9.2 en 9.3 in de algemene voorwaarden van het Privileges Lidmaatschap te verwijderen of zodanig aan te passen dat ze geen onredelijk bezwarende bedingen meer bevatten.
Dit kan Privilege bijvoorbeeld doen door in de algemene voorwaarden te vermelden dat opzeggen mogelijk is op dezelfde wijze als waarop de overeenkomst tot stand is gebracht en daar geen beperkende voorwaarden aan te verbinden. Dit betekent dat de consument een elektronisch aangegaan abonnement ook elektronisch kan opzeggen. En in de algemene voorwaarden te vermelden dat indien het lidmaatschap stilzwijgend wordt verlengd, de opzegtermijn maximaal één maand bedraagt. Het moment van opzeggen kan niet worden beperkt.
Informatie te geven, bijvoorbeeld via haar website op een duidelijke plek en begrijpelijke tekst over het opzeggen van het Privileges Lidmaatschap.
Dit kan bijvoorbeeld met een verwijzing naar een e-mailadres en/of een elektronisch opzegformulier. Hierbij mogen geen drempels worden opgeworpen, zoals de voorwaarde stellen dat dit alleen mogelijk is via een ondertekende opzegbrief.
Te stoppen met het innen van of dreigen met, op welke wijze dan ook, de boete uit de boeteclausule van artikel 5.2 uit de algemene voorwaarden.
Daarnaast zal Privilege al haar bestaande klanten informeren over de aanpassingen in de algemene voorwaarden. Privilege meldt hierbij dat de oude artikelen 5.2, 9.2 en 9.3 onredelijk bezwarend zijn, de consument daarom niet binden aan de verlenging, en consumenten recht hebben op terugbetaling van lidmaatschapsgelden. Privilege verstrekt haar klanten tevens de nieuwe, aangepaste algemene voorwaarden.
Voor de geconstateerde overtredingen legt de ACM aan Privilege een last onder dwangsom op die
uiterlijk 19 juli 2022 moet zijn uitgevoerd. In geval Privilege op die datum de overtredingen nog niet volledig heeft beëindigd verbeurt zij een dwangsom van 15.000 euro per week met een maximum van 240.000 euro.”
1.3 Op 15 juni 2022 heeft de ACM besloten tot openbaarmaking van de lastoplegging (publicatiebesluit).
1.4 Met het besluit van 29 augustus 2022 heeft de ACM de informatieverplichting in het dwangsombesluit als volgt gewijzigd (wijzigingsbesluit 1):
“Daarnaast informeert Privilege bestaande klanten dat zij niet zijn gebonden aan bedingen 5.2, 9.2 en 9.3. Privilege verstrekt hierbij de tekst van deze bedingen zoals genoemd in randnummers 23 en 24 van de last onder dwangsom.’’
1.5 Met de uitspraak van 4 oktober 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:8232) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening getroffen.
1.6 Met het besluit van 22 november 2022 (bestreden besluit 1) heeft de ACM het bezwaar van Privilege tegen het dwangsombesluit, zoals dat is gewijzigd met wijzigingsbesluit 1, ongegrond verklaard.
1.7 Met het besluit van 14 december 2022 (bestreden besluit 2) heeft de ACM – voor zover hier van belang – het bezwaar van Privilege tegen het publicatiebesluit ongegrond verklaard. Verder is besloten dat de ACM pas zal overgaan tot integrale publicatie van bestreden besluit 1 als is vastgesteld dat de beroepstermijn ongebruikt is verstreken.
1.8 Met het besluit van 12 juli 2023 is de ACM overgegaan tot invordering van de maximaal verbeurde dwangsommen plus rente tot een bedrag van in totaal € 245.189,59 (invorderingsbesluit).
1.9 Privilege heeft de vaststelling van de wettelijke rente over de verbeurde dwangsommen (besluit van 12 maart 2024) en de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling (besluit van 11 april 2024) betwist, zodat het hoger beroep, gelet op artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook betrekking heeft op deze besluiten.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 (last onder dwangsom) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover de ACM heeft verzuimd de maatregelen II en III te herroepen, en maatregel I te herroepen wat betreft aanpassing van de artikelen 5.2 en 9.3 van de algemene voorwaarden. De rechtbank heeft zelf voorzien in de zaak door deze lastonderdelen te herroepen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 (over de publicatie) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Verder heeft zij zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ACM deze uitspraak op haar website plaatst naast de lastoplegging en het bestreden besluit 1, die zijn gepubliceerd zoals is voorzien met bestreden besluit 2.
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in bijlage I bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College is het eens met de uitkomst van de beoordeling door de rechtbank, voor zover in hoger beroep aangevochten, en licht dit hieronder toe.
Standpunt van partijen
5.1 Privilege heeft in hoger beroep dertien gronden aangevoerd. Kort weergegeven houden die gronden het volgende in:
1) Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ten onrechte ongegrond verklaard.
2) Door de herroeping van maatregel II had de last onder dwangsom vernietigd of gematigd moeten worden.
3) De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat clustering van overtredingen en maatregelen met één dwangsom was toegestaan.
4) De rechtbank had het verzoek om de dwangsommen te matigen moeten beoordelen.
5) De overweging ten overvloede over (gewijzigde) maatregel I houdt geen stand.
6) De rechtbank had wijzigingsbesluit 2 bij de beoordeling van het beroep moeten betrekken.
7) De rechtbank passeert ten onrechte het beroep op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8) De rechtbank verwerpt ten onrechte het beroep op onzorgvuldige besluitvorming.
9) De rechtbank komt terecht tot de conclusie dat Privilege tijdig aan maatregelen I (wat betreft de artikelen 9.3 en 5.2 van de algemene voorwaarden), II en III heeft voldaan, maar betrekt hierbij ten onrechte het buiten de omvang van het geschil vallende wijzigingsbesluit 2.
10) De rechtbank concludeert ten onrechte dat maatregelen I en III terecht waren opgelegd.
11) De ACM heeft de wettelijke rente onjuist vastgesteld, dan wel is het onevenredig om aan te nemen dat deze is verschuldigd vanaf 8 december 2022.
12) De ACM heeft het verzoek om uitstel van betaling ten onrechte afgewezen.
13) De publicatie is onrechtmatig omdat de verschillende bestreden besluiten onrechtmatig zijn.
5.2 De ACM heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Omvang van het geschil in hoger beroep
6.1 Volgens de rechtbank en de ACM heeft Privilege oneerlijke bedingen gehanteerd door het verplichten tot schriftelijk opzeggen, het moeilijk maken van tussentijds opzeggen en het dreigen met boetes bij niet rechtmatige opzeggingen door leden en heeft daarmee artikel 8.3 van de Whc in samenhang met de artikelen 6:236, aanhef en onder j en o, en 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 8.8 van de Whc in samenhang met artikel 6:193h van het BW overtreden. De ACM heeft handhavend opgetreden door een last onder dwangsom op te leggen en heeft vervolgens de volgens haar verbeurde dwangsommen ingevorderd.
6.2 De rechtbank heeft een deel van de last (maatregelen II en III volledig en maatregel I deels) herroepen en geen van de partijen heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft maatregel IV geheel in stand gelaten en geconstateerd dat die maatregel niet (tijdig) is uitgevoerd. Volgens de rechtbank zijn de dwangsommen daarom verbeurd en mochten zij worden ingevorderd. De last zoals die in hoger beroep aan de orde is, houdt in:
Privilege dient de overtreding van 8.3 van de Whc juncto artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW, te beëindigen en beëindigd te houden. Privilege kan dat doen door:
Artikel 9.2 uit de algemene voorwaarden van het Privileges Lidmaatschap te verwijderen of zodanig aan te passen dat ze geen onredelijk bezwarende bedingen meer bevatten. [maatregel I, voor zover door de rechtbank in stand gelaten]
Daarnaast informeert Privilege bestaande klanten dat zij niet zijn gebonden aan bedingen 5.2, 9.2 en 9.3. Privilege verstrekt hierbij de tekst van deze bedingen zoals genoemd in randnummers 23 en 24 van de last onder dwangsom. [maatregel IV]
Als Privilege op 19 oktober 2022 de overtredingen nog niet volledig heeft beëindigd, verbeurt zij een dwangsom van 15.000 euro per week met een maximum van 240.000 euro.
6.3 Het College zal hierna eerst de overtredingen bespreken die aan de last ten grondslag liggen, namelijk de gestelde oneerlijke handelspraktijken, voor zover die in hoger beroep nog van belang zijn. Daarna zal de oplegging en de inhoud van de last worden besproken. Aansluitend zullen onderscheidenlijk aan de orde komen de invordering van de verbeurde dwangsommen, de publicatie en de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling. Bij de bespreking zal, waar dat relevant is, bijzondere aandacht worden besteed aan de volgens Privilege in dit hoger beroep belangrijkste vraag of de ACM maatregel IV aan Privilege heeft mogen opleggen en of Privilege (tijdig) aan deze maatregel heeft voldaan. De hogerberoepsgronden die betrekking hebben op de last, voor zover die door de rechtbank in stand is gelaten, zullen bij de bespreking van het hoger beroep aan de orde komen.
6.4 De bepalingen van de algemene voorwaarden zijn opgenomen in bijlage II bij deze uitspraak.
Overtredingen: Oneerlijke handelspraktijken in de algemene voorwaarden?
Verlenging met een jaar en tussentijdse opzegging
7.1 Met de rechtbank is het College van oordeel dat uit het “oude” artikel 9.2 van de algemene voorwaarden volgde dat overeenkomsten stilzwijgend na een jaar worden verlengd en dat het niet mogelijk is om vanaf die verlenging maandelijks op te zeggen, althans dat een opzegging geen effect heeft gedurende een lidmaatschapsjaar en dat geen gedeeltelijke restitutie van de contributie plaatsvindt door een opzegging. Het niet tussentijds kunnen opzeggen en/of de stilzwijgende verlenging met steeds een jaar staat op de zogenoemde zwarte lijst van onredelijk bezwarende bedingen van artikel 6:236 van het BW. Een dergelijk beding is op grond van artikel 6:233 van het BW vernietigbaar.
7.2 In artikel 8.3 van de Whc is bepaald dat degene die algemene voorwaarden gebruikt in een overeenkomst met een consument, die consument niet aan een onredelijk bezwarend beding bindt. Omdat Privilege dat wel heeft gedaan door het hanteren van artikel 9.2 van haar algemene voorwaarden, is sprake van een overtreding van artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW in verbinding met artikel 8.3 van de Whc.
Schriftelijke opzegging
8 In artikel 9.3 van de algemene voorwaarden was bepaald dat de opzegging ten minste één maand tegen de einddatum van de lopende jaartermijn moet plaatsvinden en dat een opzegging via een ondertekende schriftelijke kennisgeving plaatsheeft, terwijl die eis niet geldt voor het aangaan van de overeenkomst. Het College is met de rechtbank van oordeel dat deze eis van een schriftelijke en ondertekende opzegging betekent dat uitsluitend per brief kon worden opgezegd. Dat uit het dossier kan worden afgeleid dat Privilege ook voorafgaand aan de lastoplegging in sommige gevallen opzeggingen per e-mail heeft geaccepteerd, maakt dit niet anders. De combinatie van de destijds in algemene voorwaarden opgenomen voorwaarde in combinatie met enkele verklaringen van deelnemers dat hen door Privilege telefonisch of op een andere manier is meegedeeld dat alleen per brief kon worden opgezegd, is voldoende om aan te nemen dat Privilege toepassing gaf aan de voorwaarde dat schriftelijk moest worden opgezegd. Dat is een onredelijk bezwarende bepaling in de zin van artikel 6:236, aanhef en onder o, van het BW en daarmee een overtreding van artikel 8.3 van de Whc.
Boeteclausule bij onrechtmatige opzegging
9 Niet in geschil is dat Privilege in brieven aan leden heeft gewezen op de boete die moest worden betaald bij opzegging. Dit was ook opgenomen in het “oude” artikel 9.4 van de algemene voorwaarden. Privilege stelt dat zij die brieven niet meer stuurde ten tijde van de handhaving door de ACM. Dit neemt niet weg dat Privilege deze brieven wel heeft gestuurd en een boetebeding in de algemene voorwaarden had staan en haar leden hieraan heeft gehouden. Deze praktijk heeft in ieder geval geduurd tot mei/juni 2021. Een gemiddelde consument had een ander besluit kunnen nemen over een eventuele opzegging zonder dreiging van een boete. Het College is dan ook van oordeel dat sprake is van een agressieve handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193h, eerste lid, van het BW, wat gelet op artikel 6:193b, eerste en derde lid, aanhef en onder b, van het BW een onrechtmatige handelwijze oplevert. Dit is ook een overtreding van artikel 8.8 van de Whc.
Oplegging en inhoud van de last onder dwangsom
Opleggen van een last onder dwangsom
10 Gelet op deze overtredingen, was sprake van een inbreuk in de zin van artikel 1.1 van de Whc en was de ACM bevoegd om op grond van artikel 2.9 van de Whc handhavend op te treden, zoals het opleggen van een last onder dwangsom.
11 Een last onder dwangsom is een herstelsanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, of tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding (artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Dit betekent dat het opleggen van een last onder dwangsom zowel kan zien op ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, als op het voorkomen van herhaling van een overtreding.
12.1 Het College stelt vast dat de last onder dwangsom waar het in deze zaak om gaat, is gericht op het beëindigen en het beëindigd houden van de overtredingen en het voorkomen van herhaling van deze overtredingen van boek 6 van het BW en de Whc door het hanteren van oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden en de agressieve handelspraktijk door het toepassen van deze algemene voorwaarden. Wat betreft de maatregelen I, II en III uit de oorspronkelijke last is, gelet op de formulering daarvan, evident dat zij hierop zijn gericht. Maatregel IV zag op het informeren van de leden over het wijzigen van deze voorwaarden en het niet langer toepassen van de oneerlijk bedingen. Deze maatregel hangt naar het oordeel van het College nauw samen met de andere maatregelen, omdat ze alle vier zien op het wegnemen van belemmeringen bij het opzeggen. Maatregel IV past daarom ook binnen de strekking van de last om de vastgestelde overtredingen te beëindigen, beëindigd te houden en herhaling daarvan te voorkomen. Het gaat hier niet om een los staande maatregel, zoals Privilege betoogt, waarvoor een afzonderlijke wettelijke basis of de vaststelling van een afzonderlijke overtreding nodig zou zijn.
12.2 Wat betreft het beroep van Privilege op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en op onzorgvuldige besluitvorming verwijst het College naar de overwegingen van de rechtbank hierover. Uit artikel 41 van het handvest vloeit niet voort dat de ACM in dit geval stukken te laat ter beschikking heeft gesteld en voor zover dat wel het geval zou zijn, valt niet in te zien dat Privilege niet in staat is geweest haar rechten in de loop van de procedure afdoende uit te oefenen.
Evenredigheid
13.1 Bij de beslissing om, nadat een overtreding is vastgesteld, gebruik te maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden, dient de ACM zich te houden aan het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarbij geldt in het geval van herstelsancties als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Gebruikmaking van de handhavingsbevoegdheid is onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig groot gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Het College heeft in de hogerberoepsgronden geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan van oplegging van een last onder dwangsom op zichzelf had moeten worden afgezien.
13.2 Het hoger beroep spitst zich in het bijzonder toe op de vraag of de ACM maatregel IV, die betrekking heeft op het informeren van de bestaande klanten van Privilege, heeft mogen opleggen, dus of oplegging daarvan evenredig was. Het gaat daarbij dus om de modaliteit van de last.
13.2 Uitgangspunt in deze zaak is dat handhaving met een last onder dwangsom in geval van overtreding van de Whc voldoet aan de eis van geschiktheid, omdat de wetgever heeft voorzien in de bevoegdheid van de ACM om in een geval als dit daartoe over te gaan, terwijl de doelstelling van de Whc is dat bestuurlijk nalevingstoezicht plaatsheeft van bepalingen uit het BW over onder andere onredelijk bezwarende algemene voorwaarden en agressieve handelspraktijken, voor zover sprake is van een mogelijke schending van collectieve belangen van consumenten (Kamerstukken II 2005/06, 30 411, nr. 3, blz. 18 - 21). Het informeren van bestaande klanten past in die doelstelling.
13.3 De hoger beroepsgronden richten zich vooral tegen het ontbreken van de noodzakelijkheid voor het opleggen van maatregel IV. Deze maatregel was naar het oordeel van het College noodzakelijk. Het informeren van de leden is nodig, omdat zij geconfronteerd zijn geweest met onredelijk bezwarende bedingen in de algemene voorwaarden. Niet valt uit te sluiten dat er bestaande klanten zijn die op basis van deze onredelijk bezwarende bedingen andere keuzes hebben gemaakt. Daarom moeten de leden op de hoogte worden gebracht van de gewijzigde algemene voorwaarden. De ACM kon hier niet met een minder belastende maatregel volstaan.
13.4 Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat in dit geval het opleggen van maatregel IV, onevenwichtig zou zijn.
13.5 Dit betekent dat het opleggen van de last onder dwangsom, voor zover in hoger beroep aan de orde, evenredig was.
Duidelijkheid last
14 Voor zover Privilege betoogt dat de last geen stand kan houden, omdat het voor haar onduidelijk was wat maatregel IV inhield, slaagt dit betoog niet. Zoals besproken op de zitting, was het voor alle partijen duidelijk dat Privilege moest voldoen aan maatregel IV op de manier waarop de voorzieningenrechter deze had ge(her)formuleerd.
Hoogte van de dwangsommen
15.1 Naar het oordeel van het College staat, mede gelet op wat hierboven is overwogen, de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Van de hoogte van de dwangsom moet namelijk een voldoende prikkel uitgaan om de overtreding ongedaan te maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de ACM, gelet op artikel 5:32b van de Awb, een zekere vrijheid toekomt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom(men) en zij niet is gehouden om de dwangsom op te splitsen naar lastonderdelen.
15.2 Zoals hiervoor ook overwogen, hangen de verschillende lastonderdelen samen en draagt het informeren van de leden bij aan het herstel van de overtreding. Ook om deze reden bestaat er geen aanleiding om de dwangsom per onderdeel van de last vast te stellen.
15.3 Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 1 was er deels voldaan aan de last. Vanwege de onderlinge samenhang van de verschillende onderdelen vormde ook het deels voldoen aan de last geen aanleiding om de dwangsommen lager vast te stellen. Bovendien was op dat moment de termijn om te voldoen aan de last nog niet afgelopen, zodat ook hierin voor de ACM geen aanleiding was om de hoogte van de dwangsommen te matigen.
15.4 Het College neemt ook in overweging dat Privilege zich weinig bereidwillig toonde om de algemene voorwaarden aan te passen. Zo heeft zij onder andere in haar zienswijze naar aanleiding van het voornemen van de last onder dwangsom verklaard geen aanleiding te zien om de algemene voorwaarden aan te passen.
15.5 Op de zitting heeft Privilege gewezen op een aantal andere zaken waarin de ACM handhavend heeft opgetreden bij oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden, maar deze voorbeelden maken niet duidelijk dat een dwangsom van € 15.000,- per week per overtreding ongebruikelijk zou zijn. De maximale hoogte van de dwangsom is, zoals de ACM heeft toegelicht, mede gebaseerd op het aantal leden en de omzet van Privilege.
15.6 De hoger beroepsgrond dat de dwangsommen hadden moeten worden gematigd mede omdat – ten tijde van het nemen van bestreden besluit 1 – deels was voldaan aan de last, slagen dan ook niet.
Invordering verbeurde dwangsommen
16 Partijen zijn verdeeld over de verbeurte van de maximale dwangsom vanwege de niet (volledige) naleving van maatregel IV. Het College wijst er allereerst op dat – naar ook partijen menen – Privilege op het van belang zijnde moment moest voldoen aan de last zoals de voorzieningenrechter die heeft geherformuleerd (hierboven beschreven).
16.1 Privilege heeft betoogd dat zij (tijdig) aan de last heeft voldaan door het plaatsen van een pop-up bericht. Dit pop-upbericht verscheen zodra een lid inlogde op zijn account, vóórdat hij op de homepagina van MijnPrivileges.nl voor leden terecht kwam. In het pop-upbericht werd gemeld dat de Voorwaarden Privileges Lidmaatschap zijn aangepast. Dit bericht werd getoond bij de eerste twee keer dat een lid inlogde, ongeacht wanneer het inloggen plaatsvond. Privilege heeft bestaande klanten alleen via het dit pop-upbericht geïnformeerd over de gewijzigde algemene voorwaarden.
16.1 Naar het oordeel van het College heeft Privilege met dit pop-upbericht niet voldaan aan maatregel IV. Privilege heeft hiermee niet actief haar leden geïnformeerd dat de algemene voorwaarden zijn gewijzigd. Leden zagen dit bericht alleen als zij inlogden op de website van Privilege. Hiermee is niet voldaan aan de verplichting om de gewijzigde algemene voorwaarden toe te zenden aan de consumenten die een lopend lidmaatschap hebben (de door de voorzieningenrechter gewijzigde maatregel IV).
16.2 Omdat dit onderdeel van de last onder dwangsom niet is uitgevoerd, zijn de maximale dwangsommen verbeurd. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van invordering een groot gewicht worden toegekend. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:99)). Slechts in bijzondere omstandigheden blijft de invordering geheel of gedeeltelijk achterwege. Van zodanige bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Zoals op de zitting is gebleken, was het voor Privilege duidelijk dat zij moest voldoen aan de last op de manier waarop de voorzieningenrechter deze had gewijzigd.
16.3 Dit betekent dat de ACM gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid om de gehele dwangsom in te vorderen.
Publicatie
17 Omdat de hoger beroepsgronden tegen het opleggen van de last onder dwangsom en de invordering van de verbeurde dwangsommen niet slagen, en er geen afzonderlijke gronden tegen de publicatie zijn aangevoerd, slaagt het hoger beroep hiertegen ook niet.
Verzoek uitstel betaling en inning wettelijke rente
18 Op de zitting is gebleken dat partijen een betalingsregeling hebben getroffen, zodat de afwijzing van het verzoek tot uitstel van betaling geen bespreking behoeft. Privilege heeft een bedrag ter hoogte van € 60.000,- voldaan.
19.1 In de periode van 19 oktober 2022 tot en met 8 februari 2023 zijn er dwangsommen verbeurd. De eerste dwangsom (ter hoogte van €15.000,-) had uiterlijk zes weken na 19 oktober 2022, te weten 8 december 2022, moeten worden betaald en de laatste dwangsom had uiterlijk zes weken na 8 februari 2023, te weten 23 maart 2023, moeten worden betaald.
19.2 De ACM heeft dan ook terecht vastgesteld dat de wettelijke rente is gaan lopen vanaf 8 december 2022. Dit gebeurt van rechtswege (zie de artikelen 4:87 en 4:98 van de Awb en artikel 6:119 van het BW).
Slotsom
20 Gelet op het vorenstaande slagen de hogerberoepsgronden die betrekking hebben op de last, voor zover die door de rechtbank in stand is gelaten, niet. Aan bespreking van de overige gronden, die dus betrekking hebben op de door de rechtbank herroepen maatregelen I (gedeeltelijk), II en III (de gronden 2, 5, 6, 9 en 10), komt het College niet toe. Ook als deze gronden zouden slagen, zouden ze niet leiden tot een andere beslissing dan die al door de rechtbank is genomen. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
21 De ACM hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. R.C. Stam en mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.S. de Waal
BIJLAGE I
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
Artikel 3
1. Een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met het vereiste van goede trouw, ten nadele van de consument een aanzienlijk onevenwicht veroorzaakt in de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen.
2. Een beding wordt altijd geacht niet afzonderlijk te zijn onderhandeld wanneer het vooraf is opgesteld en de consument derhalve geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud van het beding, met name in het kader van een vooraf opgestelde standaardovereenkomst.
Het feit dat over bepaalde aspecten van een beding of een specifieke termijn afzonderlijk is onderhandeld, sluit de toepassing van dit artikel op de rest van een overeenkomst niet uit indien uit een algemene beoordeling van de overeenkomst blijkt dat het niettemin om een vooraf opgestelde standaardovereenkomst gaat.
Wanneer een verkoper beweert dat er individueel over een standaardtermijn is onderhandeld, rust de bewijslast in dit verband op hem.
3. De bijlage bevat een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden beschouwd.
Artikel 7
1. De lidstaten zorgen ervoor dat er in het belang van de consumenten en van de concurrenten passende en doeltreffende middelen bestaan om te voorkomen dat oneerlijke bedingen in door verkopers met consumenten gesloten overeenkomsten worden gebruikt.
(…)
BIJLAGE
IN ARTIKEL 3, LID 3, BEDOELDE TERMEN
1. Voorwaarden die tot doel of tot gevolg hebben dat:
(…)
e) van elke consument die zijn verplichting niet nakomt, te verlangen dat hij een onevenredig hoog bedrag aan schadevergoeding betaalt;
(…)
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt
Artikel 11
Handhaving
(…)
2. Krachtens de in lid 1 bedoelde wettelijke bepalingen verlenen de lidstaten de rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden die hen in staat stellen, in gevallen waarin zij dergelijke maatregelen noodzakelijk achten, rekening houdend met alle betrokken belangen en met name het algemeen belang:
a. a) de beëindiging van oneerlijke handelspraktijken te gelasten of een passende gerechtelijke procedure in te leiden voor een bevel tot beëindiging van oneerlijke handelspraktijken;
of
b) indien de oneerlijke handelspraktijk nog niet is uitgevoerd, maar op handen is, het verbod op de praktijk te gelasten of een passende gerechtelijke procedure in te stellen voor een verbod op de praktijk;
zelfs zonder bewijs van daadwerkelijk verlies of schade of van opzet of nalatigheid van de kant van de handelaar.
(…)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:8
1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
(…)
Artikel 4:87
1. De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
2. Bij of krachtens wettelijk voorschrift kan een andere termijn voor de betaling worden vastgesteld.
Artikel 4:94
1. Het bestuursorgaan kan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.
2. Gedurende het uitstel kan het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen.
3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
4. Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.
Artikel 4:98
1. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
[…]
Artikel 4:125
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een bijkomende beschikking heeft mede betrekking op een latere bijkomende beschikking met betrekking tot dezelfde geldschuld, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
(…)
Artikel 5:2
1. In deze wet wordt verstaan onder:
(…)
b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;
(...)
Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
Artikel 5:13
Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 5:20
1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
(…)
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32a
1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:32b
1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Wet handhaving consumentenbescherming
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
inbreuk: elke overtreding van een wettelijke bepaling als bedoeld in de bijlage bij deze wet, welke schade toebrengt of kan toebrengen aan de collectieve belangen van consumenten;
[…]
Artikel 2.9
Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat een inbreuk of inbreuk binnen de Unie heeft plaatsgevonden, kan zij de overtreder opleggen:
a. een last onder dwangsom;
[…]
Artikel 8.3
Degene die algemene voorwaarden gebruikt in een overeenkomst met een consument, bindt die consument niet aan een beding indien dat beding vernietigbaar is volgens afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 8.8
Het is een handelaar als bedoeld in artikel 193a, eerste lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk wetboek niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken te verrichten als bedoeld in Afdeling 3A van Titel 3 van dat boek.
Boek 6 Burgerlijk Wetboek
Artikel 119
1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.
2. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
3. Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de vorige leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.
Artikel 193b
1. Een handelaar handelt onrechtmatig jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.
[…]
3. Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk indien een handelaar:
[…]
b. een agressieve handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 193h en 193i.
[…]
Artikel 193h
1. Een handelspraktijk is in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, agressief indien door intimidatie, dwang, waaronder het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk wordt beperkt of kan worden beperkt waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
Artikel 233
Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar
a. indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij; of
b. indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Artikel 236
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding
[…]
j. dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren van zaken, elektriciteit, warmte en koude daaronder begrepen en dag-, nieuws- en weekbladen en tijdschriften niet daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende verlenging of vernieuwing in een overeenkomst voor bepaalde duur, dan wel tot een stilzwijgende voortzetting in een overeenkomst voor onbepaalde duur zonder dat de wederpartij de bevoegdheid heeft om de voortgezette overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand;
[…]
Artikel 237
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding
[…]
k. dat voor een overeenkomst als bedoeld in artikel 236 onder j of p respectievelijk q een duur bepaalt van meer dan een jaar, tenzij de wederpartij na een jaar de bevoegdheid heeft de overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand;
[…]
Artikel 246
Noch van de artikelen 231-244, noch van de bepalingen van de in artikel 239 lid 1 bedoelde algemene maatregelen van bestuur kan worden afgeweken. De bevoegdheid om een beding krachtens deze afdeling door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen, kan niet worden uitgesloten.
BIJLAGE II
Voorwaarden Privileges Lidmaatschap
5. Lidmaatschapsovereenkomst
[…]
5.2
indien een Privileges Lid zonder geldige opzegging van de Lidmaatschapsovereenkomst
de Incasso van Contributie tegenwerkt, is hel Privileges Lid een boete verschuldigd van
driemaal de reguliere Contributie onverminderd het recht van Privileges op vergoeding
van de geleden schade
[…]
5.5
Bij beëindiging/ontbinding van de lidmaatschapsovereenkomst heeft het Privileges Lid nooit recht op gehele of gedeeltelijke terugbetaling van betaalde contributie.
[…]
9 Duur en beëindiging
9.1.
De Lidmaatschapsovereenkomst wordt aangegaan voor een Jaartermijn (tenzij in een Speciaal Aanbod een andere termijn is genoemd) en vangt aan:
a. a) voor Lidmaatschapsovereenkomsten die zijn gesloten vóór de zestiende dag van een kalendermaand op de eerste dag van die maand, of
b) voor lidmaatschapsovereenkomsten die zijn gesloten vanaf de zestiende dag van een kalendermaand op de eerste dag van de daarop volgende maand.
9.2.
De Lidmaatschapsovereenkomst wordt na het verstrijken van een Jaartermijn (dan wel de afwijkende termijn die was genoemd in het Speciaal Aanbod) stilzwijgend verlengd met telkens een Jaartermijn tot wederopzegging.
9.3.
Opzegging door het Privileges Lid is alleen geldig als het gebeurt via een ondertekende schriftelijke kennisgeving aan Privileges en daarbij een opzegtermijn van tenminste één maand tegen de einddatum van de lopende Jaartermijn in acht wordt genomen.
[…]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/307
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2026 op het hoger beroep van
Privilege B.V., te Haarlem (Privilege)
(gemachtigde: mr. N.J. Linssen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024, kenmerk 23/27 en 23/29, in het geding tussen
Privilege
en
de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
(gemachtigden: mr. J.M. Meindertsma en mr. E.L.M. Vos)
Procesverloop in hoger beroep
Privilege heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:1011)
De ACM heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 9 juni 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Waar gaat deze zaak over
1.1 De ACM is in juli 2021 een onderzoek gestart naar de handelspraktijken van Privilege naar aanleiding van meldingen over het Privileges Lidmaatschap (het lidmaatschap) dat consumenten hebben afgesloten bij Privilege via de website www.mijnprivileges.nl (de website). Uit de meldingen kwam naar voren dat Privilege de opzegmogelijkheden voor consumenten op meerdere manieren heeft beperkt. Klanten konden niet elektronisch opzeggen, terwijl zij het lidmaatschap wel elektronisch waren aangegaan en opzeggingen werden niet verwerkt, of pas verwerkt één jaar na de opzegging. Daarnaast hebben consumenten gemeld dat zij brieven van Privilege ontvingen wanneer zij hun lidmaatschap opzegden en besloten om niet te betalen voor een extra jaar. In deze brieven is gedreigd met oplopende extra kosten op grond van een boeteclausule in de algemene voorwaarden als consumenten niet zouden betalen en de opzegging niet zouden annuleren. Dit boetebedrag bedroeg € 495.
1.2 Volgens de ACM heeft Privilege gehandeld in strijd met de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc), doordat zij onredelijke voorwaarden heeft gehanteerd en zich schuldig heeft gemaakt aan agressieve handelspraktijken. Daarom heeft de ACM aan Privilege op 1 juni 2022 een last onder dwangsom opgelegd, gericht op het beëindigen van de overtredingen (dwangsombesluit). Deze last hield het volgende in:
“Privilege dient de overtredingen van 8.3 Whc jo. artikel 6:236, aanhef en onder j en o, BW, artikel 6:233 BW en 8.8 Whc jo. artikel 6:193h, eerste lid BW te beëindigen en beëindigd te houden. Privilege kan dat doen door:
Artikelen 5.2, 9.2 en 9.3 in de algemene voorwaarden van het Privileges Lidmaatschap te verwijderen of zodanig aan te passen dat ze geen onredelijk bezwarende bedingen meer bevatten.
Dit kan Privilege bijvoorbeeld doen door in de algemene voorwaarden te vermelden dat opzeggen mogelijk is op dezelfde wijze als waarop de overeenkomst tot stand is gebracht en daar geen beperkende voorwaarden aan te verbinden. Dit betekent dat de consument een elektronisch aangegaan abonnement ook elektronisch kan opzeggen. En in de algemene voorwaarden te vermelden dat indien het lidmaatschap stilzwijgend wordt verlengd, de opzegtermijn maximaal één maand bedraagt. Het moment van opzeggen kan niet worden beperkt.
Informatie te geven, bijvoorbeeld via haar website op een duidelijke plek en begrijpelijke tekst over het opzeggen van het Privileges Lidmaatschap.
Dit kan bijvoorbeeld met een verwijzing naar een e-mailadres en/of een elektronisch opzegformulier. Hierbij mogen geen drempels worden opgeworpen, zoals de voorwaarde stellen dat dit alleen mogelijk is via een ondertekende opzegbrief.
Te stoppen met het innen van of dreigen met, op welke wijze dan ook, de boete uit de boeteclausule van artikel 5.2 uit de algemene voorwaarden.
Daarnaast zal Privilege al haar bestaande klanten informeren over de aanpassingen in de algemene voorwaarden. Privilege meldt hierbij dat de oude artikelen 5.2, 9.2 en 9.3 onredelijk bezwarend zijn, de consument daarom niet binden aan de verlenging, en consumenten recht hebben op terugbetaling van lidmaatschapsgelden. Privilege verstrekt haar klanten tevens de nieuwe, aangepaste algemene voorwaarden.
Voor de geconstateerde overtredingen legt de ACM aan Privilege een last onder dwangsom op die
uiterlijk 19 juli 2022 moet zijn uitgevoerd. In geval Privilege op die datum de overtredingen nog niet volledig heeft beëindigd verbeurt zij een dwangsom van 15.000 euro per week met een maximum van 240.000 euro.”
1.3 Op 15 juni 2022 heeft de ACM besloten tot openbaarmaking van de lastoplegging (publicatiebesluit).
1.4 Met het besluit van 29 augustus 2022 heeft de ACM de informatieverplichting in het dwangsombesluit als volgt gewijzigd (wijzigingsbesluit 1):
“Daarnaast informeert Privilege bestaande klanten dat zij niet zijn gebonden aan bedingen 5.2, 9.2 en 9.3. Privilege verstrekt hierbij de tekst van deze bedingen zoals genoemd in randnummers 23 en 24 van de last onder dwangsom.’’
1.5 Met de uitspraak van 4 oktober 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:8232) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening getroffen.
1.6 Met het besluit van 22 november 2022 (bestreden besluit 1) heeft de ACM het bezwaar van Privilege tegen het dwangsombesluit, zoals dat is gewijzigd met wijzigingsbesluit 1, ongegrond verklaard.
1.7 Met het besluit van 14 december 2022 (bestreden besluit 2) heeft de ACM – voor zover hier van belang – het bezwaar van Privilege tegen het publicatiebesluit ongegrond verklaard. Verder is besloten dat de ACM pas zal overgaan tot integrale publicatie van bestreden besluit 1 als is vastgesteld dat de beroepstermijn ongebruikt is verstreken.
1.8 Met het besluit van 12 juli 2023 is de ACM overgegaan tot invordering van de maximaal verbeurde dwangsommen plus rente tot een bedrag van in totaal € 245.189,59 (invorderingsbesluit).
1.9 Privilege heeft de vaststelling van de wettelijke rente over de verbeurde dwangsommen (besluit van 12 maart 2024) en de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling (besluit van 11 april 2024) betwist, zodat het hoger beroep, gelet op artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook betrekking heeft op deze besluiten.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 (last onder dwangsom) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover de ACM heeft verzuimd de maatregelen II en III te herroepen, en maatregel I te herroepen wat betreft aanpassing van de artikelen 5.2 en 9.3 van de algemene voorwaarden. De rechtbank heeft zelf voorzien in de zaak door deze lastonderdelen te herroepen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 (over de publicatie) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Verder heeft zij zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ACM deze uitspraak op haar website plaatst naast de lastoplegging en het bestreden besluit 1, die zijn gepubliceerd zoals is voorzien met bestreden besluit 2.
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in bijlage I bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College is het eens met de uitkomst van de beoordeling door de rechtbank, voor zover in hoger beroep aangevochten, en licht dit hieronder toe.
Standpunt van partijen
5.1 Privilege heeft in hoger beroep dertien gronden aangevoerd. Kort weergegeven houden die gronden het volgende in:
1) Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ten onrechte ongegrond verklaard.
2) Door de herroeping van maatregel II had de last onder dwangsom vernietigd of gematigd moeten worden.
3) De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat clustering van overtredingen en maatregelen met één dwangsom was toegestaan.
4) De rechtbank had het verzoek om de dwangsommen te matigen moeten beoordelen.
5) De overweging ten overvloede over (gewijzigde) maatregel I houdt geen stand.
6) De rechtbank had wijzigingsbesluit 2 bij de beoordeling van het beroep moeten betrekken.
7) De rechtbank passeert ten onrechte het beroep op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8) De rechtbank verwerpt ten onrechte het beroep op onzorgvuldige besluitvorming.
9) De rechtbank komt terecht tot de conclusie dat Privilege tijdig aan maatregelen I (wat betreft de artikelen 9.3 en 5.2 van de algemene voorwaarden), II en III heeft voldaan, maar betrekt hierbij ten onrechte het buiten de omvang van het geschil vallende wijzigingsbesluit 2.
10) De rechtbank concludeert ten onrechte dat maatregelen I en III terecht waren opgelegd.
11) De ACM heeft de wettelijke rente onjuist vastgesteld, dan wel is het onevenredig om aan te nemen dat deze is verschuldigd vanaf 8 december 2022.
12) De ACM heeft het verzoek om uitstel van betaling ten onrechte afgewezen.
13) De publicatie is onrechtmatig omdat de verschillende bestreden besluiten onrechtmatig zijn.
5.2 De ACM heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Omvang van het geschil in hoger beroep
6.1 Volgens de rechtbank en de ACM heeft Privilege oneerlijke bedingen gehanteerd door het verplichten tot schriftelijk opzeggen, het moeilijk maken van tussentijds opzeggen en het dreigen met boetes bij niet rechtmatige opzeggingen door leden en heeft daarmee artikel 8.3 van de Whc in samenhang met de artikelen 6:236, aanhef en onder j en o, en 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 8.8 van de Whc in samenhang met artikel 6:193h van het BW overtreden. De ACM heeft handhavend opgetreden door een last onder dwangsom op te leggen en heeft vervolgens de volgens haar verbeurde dwangsommen ingevorderd.
6.2 De rechtbank heeft een deel van de last (maatregelen II en III volledig en maatregel I deels) herroepen en geen van de partijen heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft maatregel IV geheel in stand gelaten en geconstateerd dat die maatregel niet (tijdig) is uitgevoerd. Volgens de rechtbank zijn de dwangsommen daarom verbeurd en mochten zij worden ingevorderd. De last zoals die in hoger beroep aan de orde is, houdt in:
Privilege dient de overtreding van 8.3 van de Whc juncto artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW, te beëindigen en beëindigd te houden. Privilege kan dat doen door:
Artikel 9.2 uit de algemene voorwaarden van het Privileges Lidmaatschap te verwijderen of zodanig aan te passen dat ze geen onredelijk bezwarende bedingen meer bevatten. [maatregel I, voor zover door de rechtbank in stand gelaten]
Daarnaast informeert Privilege bestaande klanten dat zij niet zijn gebonden aan bedingen 5.2, 9.2 en 9.3. Privilege verstrekt hierbij de tekst van deze bedingen zoals genoemd in randnummers 23 en 24 van de last onder dwangsom. [maatregel IV]
Als Privilege op 19 oktober 2022 de overtredingen nog niet volledig heeft beëindigd, verbeurt zij een dwangsom van 15.000 euro per week met een maximum van 240.000 euro.
6.3 Het College zal hierna eerst de overtredingen bespreken die aan de last ten grondslag liggen, namelijk de gestelde oneerlijke handelspraktijken, voor zover die in hoger beroep nog van belang zijn. Daarna zal de oplegging en de inhoud van de last worden besproken. Aansluitend zullen onderscheidenlijk aan de orde komen de invordering van de verbeurde dwangsommen, de publicatie en de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling. Bij de bespreking zal, waar dat relevant is, bijzondere aandacht worden besteed aan de volgens Privilege in dit hoger beroep belangrijkste vraag of de ACM maatregel IV aan Privilege heeft mogen opleggen en of Privilege (tijdig) aan deze maatregel heeft voldaan. De hogerberoepsgronden die betrekking hebben op de last, voor zover die door de rechtbank in stand is gelaten, zullen bij de bespreking van het hoger beroep aan de orde komen.
6.4 De bepalingen van de algemene voorwaarden zijn opgenomen in bijlage II bij deze uitspraak.
Overtredingen: Oneerlijke handelspraktijken in de algemene voorwaarden?
Verlenging met een jaar en tussentijdse opzegging
7.1 Met de rechtbank is het College van oordeel dat uit het “oude” artikel 9.2 van de algemene voorwaarden volgde dat overeenkomsten stilzwijgend na een jaar worden verlengd en dat het niet mogelijk is om vanaf die verlenging maandelijks op te zeggen, althans dat een opzegging geen effect heeft gedurende een lidmaatschapsjaar en dat geen gedeeltelijke restitutie van de contributie plaatsvindt door een opzegging. Het niet tussentijds kunnen opzeggen en/of de stilzwijgende verlenging met steeds een jaar staat op de zogenoemde zwarte lijst van onredelijk bezwarende bedingen van artikel 6:236 van het BW. Een dergelijk beding is op grond van artikel 6:233 van het BW vernietigbaar.
7.2 In artikel 8.3 van de Whc is bepaald dat degene die algemene voorwaarden gebruikt in een overeenkomst met een consument, die consument niet aan een onredelijk bezwarend beding bindt. Omdat Privilege dat wel heeft gedaan door het hanteren van artikel 9.2 van haar algemene voorwaarden, is sprake van een overtreding van artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW in verbinding met artikel 8.3 van de Whc.
Schriftelijke opzegging
8 In artikel 9.3 van de algemene voorwaarden was bepaald dat de opzegging ten minste één maand tegen de einddatum van de lopende jaartermijn moet plaatsvinden en dat een opzegging via een ondertekende schriftelijke kennisgeving plaatsheeft, terwijl die eis niet geldt voor het aangaan van de overeenkomst. Het College is met de rechtbank van oordeel dat deze eis van een schriftelijke en ondertekende opzegging betekent dat uitsluitend per brief kon worden opgezegd. Dat uit het dossier kan worden afgeleid dat Privilege ook voorafgaand aan de lastoplegging in sommige gevallen opzeggingen per e-mail heeft geaccepteerd, maakt dit niet anders. De combinatie van de destijds in algemene voorwaarden opgenomen voorwaarde in combinatie met enkele verklaringen van deelnemers dat hen door Privilege telefonisch of op een andere manier is meegedeeld dat alleen per brief kon worden opgezegd, is voldoende om aan te nemen dat Privilege toepassing gaf aan de voorwaarde dat schriftelijk moest worden opgezegd. Dat is een onredelijk bezwarende bepaling in de zin van artikel 6:236, aanhef en onder o, van het BW en daarmee een overtreding van artikel 8.3 van de Whc.
Boeteclausule bij onrechtmatige opzegging
9 Niet in geschil is dat Privilege in brieven aan leden heeft gewezen op de boete die moest worden betaald bij opzegging. Dit was ook opgenomen in het “oude” artikel 9.4 van de algemene voorwaarden. Privilege stelt dat zij die brieven niet meer stuurde ten tijde van de handhaving door de ACM. Dit neemt niet weg dat Privilege deze brieven wel heeft gestuurd en een boetebeding in de algemene voorwaarden had staan en haar leden hieraan heeft gehouden. Deze praktijk heeft in ieder geval geduurd tot mei/juni 2021. Een gemiddelde consument had een ander besluit kunnen nemen over een eventuele opzegging zonder dreiging van een boete. Het College is dan ook van oordeel dat sprake is van een agressieve handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193h, eerste lid, van het BW, wat gelet op artikel 6:193b, eerste en derde lid, aanhef en onder b, van het BW een onrechtmatige handelwijze oplevert. Dit is ook een overtreding van artikel 8.8 van de Whc.
Oplegging en inhoud van de last onder dwangsom
Opleggen van een last onder dwangsom
10 Gelet op deze overtredingen, was sprake van een inbreuk in de zin van artikel 1.1 van de Whc en was de ACM bevoegd om op grond van artikel 2.9 van de Whc handhavend op te treden, zoals het opleggen van een last onder dwangsom.
11 Een last onder dwangsom is een herstelsanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, of tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding (artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Dit betekent dat het opleggen van een last onder dwangsom zowel kan zien op ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, als op het voorkomen van herhaling van een overtreding.
12.1 Het College stelt vast dat de last onder dwangsom waar het in deze zaak om gaat, is gericht op het beëindigen en het beëindigd houden van de overtredingen en het voorkomen van herhaling van deze overtredingen van boek 6 van het BW en de Whc door het hanteren van oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden en de agressieve handelspraktijk door het toepassen van deze algemene voorwaarden. Wat betreft de maatregelen I, II en III uit de oorspronkelijke last is, gelet op de formulering daarvan, evident dat zij hierop zijn gericht. Maatregel IV zag op het informeren van de leden over het wijzigen van deze voorwaarden en het niet langer toepassen van de oneerlijk bedingen. Deze maatregel hangt naar het oordeel van het College nauw samen met de andere maatregelen, omdat ze alle vier zien op het wegnemen van belemmeringen bij het opzeggen. Maatregel IV past daarom ook binnen de strekking van de last om de vastgestelde overtredingen te beëindigen, beëindigd te houden en herhaling daarvan te voorkomen. Het gaat hier niet om een los staande maatregel, zoals Privilege betoogt, waarvoor een afzonderlijke wettelijke basis of de vaststelling van een afzonderlijke overtreding nodig zou zijn.
12.2 Wat betreft het beroep van Privilege op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en op onzorgvuldige besluitvorming verwijst het College naar de overwegingen van de rechtbank hierover. Uit artikel 41 van het handvest vloeit niet voort dat de ACM in dit geval stukken te laat ter beschikking heeft gesteld en voor zover dat wel het geval zou zijn, valt niet in te zien dat Privilege niet in staat is geweest haar rechten in de loop van de procedure afdoende uit te oefenen.
Evenredigheid
13.1 Bij de beslissing om, nadat een overtreding is vastgesteld, gebruik te maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden, dient de ACM zich te houden aan het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarbij geldt in het geval van herstelsancties als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Gebruikmaking van de handhavingsbevoegdheid is onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig groot gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Het College heeft in de hogerberoepsgronden geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan van oplegging van een last onder dwangsom op zichzelf had moeten worden afgezien.
13.2 Het hoger beroep spitst zich in het bijzonder toe op de vraag of de ACM maatregel IV, die betrekking heeft op het informeren van de bestaande klanten van Privilege, heeft mogen opleggen, dus of oplegging daarvan evenredig was. Het gaat daarbij dus om de modaliteit van de last.
13.2 Uitgangspunt in deze zaak is dat handhaving met een last onder dwangsom in geval van overtreding van de Whc voldoet aan de eis van geschiktheid, omdat de wetgever heeft voorzien in de bevoegdheid van de ACM om in een geval als dit daartoe over te gaan, terwijl de doelstelling van de Whc is dat bestuurlijk nalevingstoezicht plaatsheeft van bepalingen uit het BW over onder andere onredelijk bezwarende algemene voorwaarden en agressieve handelspraktijken, voor zover sprake is van een mogelijke schending van collectieve belangen van consumenten (Kamerstukken II 2005/06, 30 411, nr. 3, blz. 18 - 21). Het informeren van bestaande klanten past in die doelstelling.
13.3 De hoger beroepsgronden richten zich vooral tegen het ontbreken van de noodzakelijkheid voor het opleggen van maatregel IV. Deze maatregel was naar het oordeel van het College noodzakelijk. Het informeren van de leden is nodig, omdat zij geconfronteerd zijn geweest met onredelijk bezwarende bedingen in de algemene voorwaarden. Niet valt uit te sluiten dat er bestaande klanten zijn die op basis van deze onredelijk bezwarende bedingen andere keuzes hebben gemaakt. Daarom moeten de leden op de hoogte worden gebracht van de gewijzigde algemene voorwaarden. De ACM kon hier niet met een minder belastende maatregel volstaan.
13.4 Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat in dit geval het opleggen van maatregel IV, onevenwichtig zou zijn.
13.5 Dit betekent dat het opleggen van de last onder dwangsom, voor zover in hoger beroep aan de orde, evenredig was.
Duidelijkheid last
14 Voor zover Privilege betoogt dat de last geen stand kan houden, omdat het voor haar onduidelijk was wat maatregel IV inhield, slaagt dit betoog niet. Zoals besproken op de zitting, was het voor alle partijen duidelijk dat Privilege moest voldoen aan maatregel IV op de manier waarop de voorzieningenrechter deze had ge(her)formuleerd.
Hoogte van de dwangsommen
15.1 Naar het oordeel van het College staat, mede gelet op wat hierboven is overwogen, de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Van de hoogte van de dwangsom moet namelijk een voldoende prikkel uitgaan om de overtreding ongedaan te maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de ACM, gelet op artikel 5:32b van de Awb, een zekere vrijheid toekomt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom(men) en zij niet is gehouden om de dwangsom op te splitsen naar lastonderdelen.
15.2 Zoals hiervoor ook overwogen, hangen de verschillende lastonderdelen samen en draagt het informeren van de leden bij aan het herstel van de overtreding. Ook om deze reden bestaat er geen aanleiding om de dwangsom per onderdeel van de last vast te stellen.
15.3 Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 1 was er deels voldaan aan de last. Vanwege de onderlinge samenhang van de verschillende onderdelen vormde ook het deels voldoen aan de last geen aanleiding om de dwangsommen lager vast te stellen. Bovendien was op dat moment de termijn om te voldoen aan de last nog niet afgelopen, zodat ook hierin voor de ACM geen aanleiding was om de hoogte van de dwangsommen te matigen.
15.4 Het College neemt ook in overweging dat Privilege zich weinig bereidwillig toonde om de algemene voorwaarden aan te passen. Zo heeft zij onder andere in haar zienswijze naar aanleiding van het voornemen van de last onder dwangsom verklaard geen aanleiding te zien om de algemene voorwaarden aan te passen.
15.5 Op de zitting heeft Privilege gewezen op een aantal andere zaken waarin de ACM handhavend heeft opgetreden bij oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden, maar deze voorbeelden maken niet duidelijk dat een dwangsom van € 15.000,- per week per overtreding ongebruikelijk zou zijn. De maximale hoogte van de dwangsom is, zoals de ACM heeft toegelicht, mede gebaseerd op het aantal leden en de omzet van Privilege.
15.6 De hoger beroepsgrond dat de dwangsommen hadden moeten worden gematigd mede omdat – ten tijde van het nemen van bestreden besluit 1 – deels was voldaan aan de last, slagen dan ook niet.
Invordering verbeurde dwangsommen
16 Partijen zijn verdeeld over de verbeurte van de maximale dwangsom vanwege de niet (volledige) naleving van maatregel IV. Het College wijst er allereerst op dat – naar ook partijen menen – Privilege op het van belang zijnde moment moest voldoen aan de last zoals de voorzieningenrechter die heeft geherformuleerd (hierboven beschreven).
16.1 Privilege heeft betoogd dat zij (tijdig) aan de last heeft voldaan door het plaatsen van een pop-up bericht. Dit pop-upbericht verscheen zodra een lid inlogde op zijn account, vóórdat hij op de homepagina van MijnPrivileges.nl voor leden terecht kwam. In het pop-upbericht werd gemeld dat de Voorwaarden Privileges Lidmaatschap zijn aangepast. Dit bericht werd getoond bij de eerste twee keer dat een lid inlogde, ongeacht wanneer het inloggen plaatsvond. Privilege heeft bestaande klanten alleen via het dit pop-upbericht geïnformeerd over de gewijzigde algemene voorwaarden.
16.1 Naar het oordeel van het College heeft Privilege met dit pop-upbericht niet voldaan aan maatregel IV. Privilege heeft hiermee niet actief haar leden geïnformeerd dat de algemene voorwaarden zijn gewijzigd. Leden zagen dit bericht alleen als zij inlogden op de website van Privilege. Hiermee is niet voldaan aan de verplichting om de gewijzigde algemene voorwaarden toe te zenden aan de consumenten die een lopend lidmaatschap hebben (de door de voorzieningenrechter gewijzigde maatregel IV).
16.2 Omdat dit onderdeel van de last onder dwangsom niet is uitgevoerd, zijn de maximale dwangsommen verbeurd. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van invordering een groot gewicht worden toegekend. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:99)). Slechts in bijzondere omstandigheden blijft de invordering geheel of gedeeltelijk achterwege. Van zodanige bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Zoals op de zitting is gebleken, was het voor Privilege duidelijk dat zij moest voldoen aan de last op de manier waarop de voorzieningenrechter deze had gewijzigd.
16.3 Dit betekent dat de ACM gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid om de gehele dwangsom in te vorderen.
Publicatie
17 Omdat de hoger beroepsgronden tegen het opleggen van de last onder dwangsom en de invordering van de verbeurde dwangsommen niet slagen, en er geen afzonderlijke gronden tegen de publicatie zijn aangevoerd, slaagt het hoger beroep hiertegen ook niet.
Verzoek uitstel betaling en inning wettelijke rente
18 Op de zitting is gebleken dat partijen een betalingsregeling hebben getroffen, zodat de afwijzing van het verzoek tot uitstel van betaling geen bespreking behoeft. Privilege heeft een bedrag ter hoogte van € 60.000,- voldaan.
19.1 In de periode van 19 oktober 2022 tot en met 8 februari 2023 zijn er dwangsommen verbeurd. De eerste dwangsom (ter hoogte van €15.000,-) had uiterlijk zes weken na 19 oktober 2022, te weten 8 december 2022, moeten worden betaald en de laatste dwangsom had uiterlijk zes weken na 8 februari 2023, te weten 23 maart 2023, moeten worden betaald.
19.2 De ACM heeft dan ook terecht vastgesteld dat de wettelijke rente is gaan lopen vanaf 8 december 2022. Dit gebeurt van rechtswege (zie de artikelen 4:87 en 4:98 van de Awb en artikel 6:119 van het BW).
Slotsom
20 Gelet op het vorenstaande slagen de hogerberoepsgronden die betrekking hebben op de last, voor zover die door de rechtbank in stand is gelaten, niet. Aan bespreking van de overige gronden, die dus betrekking hebben op de door de rechtbank herroepen maatregelen I (gedeeltelijk), II en III (de gronden 2, 5, 6, 9 en 10), komt het College niet toe. Ook als deze gronden zouden slagen, zouden ze niet leiden tot een andere beslissing dan die al door de rechtbank is genomen. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
21 De ACM hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. R.C. Stam en mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.S. de Waal
BIJLAGE I
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
Artikel 3
1. Een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met het vereiste van goede trouw, ten nadele van de consument een aanzienlijk onevenwicht veroorzaakt in de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen.
2. Een beding wordt altijd geacht niet afzonderlijk te zijn onderhandeld wanneer het vooraf is opgesteld en de consument derhalve geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud van het beding, met name in het kader van een vooraf opgestelde standaardovereenkomst.
Het feit dat over bepaalde aspecten van een beding of een specifieke termijn afzonderlijk is onderhandeld, sluit de toepassing van dit artikel op de rest van een overeenkomst niet uit indien uit een algemene beoordeling van de overeenkomst blijkt dat het niettemin om een vooraf opgestelde standaardovereenkomst gaat.
Wanneer een verkoper beweert dat er individueel over een standaardtermijn is onderhandeld, rust de bewijslast in dit verband op hem.
3. De bijlage bevat een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden beschouwd.
Artikel 7
1. De lidstaten zorgen ervoor dat er in het belang van de consumenten en van de concurrenten passende en doeltreffende middelen bestaan om te voorkomen dat oneerlijke bedingen in door verkopers met consumenten gesloten overeenkomsten worden gebruikt.
(…)
BIJLAGE
IN ARTIKEL 3, LID 3, BEDOELDE TERMEN
1. Voorwaarden die tot doel of tot gevolg hebben dat:
(…)
e) van elke consument die zijn verplichting niet nakomt, te verlangen dat hij een onevenredig hoog bedrag aan schadevergoeding betaalt;
(…)
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt
Artikel 11
Handhaving
(…)
2. Krachtens de in lid 1 bedoelde wettelijke bepalingen verlenen de lidstaten de rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden die hen in staat stellen, in gevallen waarin zij dergelijke maatregelen noodzakelijk achten, rekening houdend met alle betrokken belangen en met name het algemeen belang:
a. a) de beëindiging van oneerlijke handelspraktijken te gelasten of een passende gerechtelijke procedure in te leiden voor een bevel tot beëindiging van oneerlijke handelspraktijken;
of
b) indien de oneerlijke handelspraktijk nog niet is uitgevoerd, maar op handen is, het verbod op de praktijk te gelasten of een passende gerechtelijke procedure in te stellen voor een verbod op de praktijk;
zelfs zonder bewijs van daadwerkelijk verlies of schade of van opzet of nalatigheid van de kant van de handelaar.
(…)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:8
1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
(…)
Artikel 4:87
1. De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
2. Bij of krachtens wettelijk voorschrift kan een andere termijn voor de betaling worden vastgesteld.
Artikel 4:94
1. Het bestuursorgaan kan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.
2. Gedurende het uitstel kan het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen.
3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
4. Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.
Artikel 4:98
1. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
[…]
Artikel 4:125
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een bijkomende beschikking heeft mede betrekking op een latere bijkomende beschikking met betrekking tot dezelfde geldschuld, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
(…)
Artikel 5:2
1. In deze wet wordt verstaan onder:
(…)
b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;
(...)
Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
Artikel 5:13
Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 5:20
1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
(…)
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32a
1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:32b
1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Wet handhaving consumentenbescherming
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
inbreuk: elke overtreding van een wettelijke bepaling als bedoeld in de bijlage bij deze wet, welke schade toebrengt of kan toebrengen aan de collectieve belangen van consumenten;
[…]
Artikel 2.9
Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat een inbreuk of inbreuk binnen de Unie heeft plaatsgevonden, kan zij de overtreder opleggen:
a. een last onder dwangsom;
[…]
Artikel 8.3
Degene die algemene voorwaarden gebruikt in een overeenkomst met een consument, bindt die consument niet aan een beding indien dat beding vernietigbaar is volgens afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 8.8
Het is een handelaar als bedoeld in artikel 193a, eerste lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk wetboek niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken te verrichten als bedoeld in Afdeling 3A van Titel 3 van dat boek.
Boek 6 Burgerlijk Wetboek
Artikel 119
1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.
2. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
3. Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de vorige leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.
Artikel 193b
1. Een handelaar handelt onrechtmatig jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.
[…]
3. Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk indien een handelaar:
[…]
b. een agressieve handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 193h en 193i.
[…]
Artikel 193h
1. Een handelspraktijk is in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, agressief indien door intimidatie, dwang, waaronder het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk wordt beperkt of kan worden beperkt waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
Artikel 233
Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar
a. indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij; of
b. indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Artikel 236
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding
[…]
j. dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren van zaken, elektriciteit, warmte en koude daaronder begrepen en dag-, nieuws- en weekbladen en tijdschriften niet daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende verlenging of vernieuwing in een overeenkomst voor bepaalde duur, dan wel tot een stilzwijgende voortzetting in een overeenkomst voor onbepaalde duur zonder dat de wederpartij de bevoegdheid heeft om de voortgezette overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand;
[…]
Artikel 237
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding
[…]
k. dat voor een overeenkomst als bedoeld in artikel 236 onder j of p respectievelijk q een duur bepaalt van meer dan een jaar, tenzij de wederpartij na een jaar de bevoegdheid heeft de overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand;
[…]
Artikel 246
Noch van de artikelen 231-244, noch van de bepalingen van de in artikel 239 lid 1 bedoelde algemene maatregelen van bestuur kan worden afgeweken. De bevoegdheid om een beding krachtens deze afdeling door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen, kan niet worden uitgesloten.
BIJLAGE II
Voorwaarden Privileges Lidmaatschap
5. Lidmaatschapsovereenkomst
[…]
5.2
indien een Privileges Lid zonder geldige opzegging van de Lidmaatschapsovereenkomst
de Incasso van Contributie tegenwerkt, is hel Privileges Lid een boete verschuldigd van
driemaal de reguliere Contributie onverminderd het recht van Privileges op vergoeding
van de geleden schade
[…]
5.5
Bij beëindiging/ontbinding van de lidmaatschapsovereenkomst heeft het Privileges Lid nooit recht op gehele of gedeeltelijke terugbetaling van betaalde contributie.
[…]
9 Duur en beëindiging
9.1.
De Lidmaatschapsovereenkomst wordt aangegaan voor een Jaartermijn (tenzij in een Speciaal Aanbod een andere termijn is genoemd) en vangt aan:
a. a) voor Lidmaatschapsovereenkomsten die zijn gesloten vóór de zestiende dag van een kalendermaand op de eerste dag van die maand, of
b) voor lidmaatschapsovereenkomsten die zijn gesloten vanaf de zestiende dag van een kalendermaand op de eerste dag van de daarop volgende maand.
9.2.
De Lidmaatschapsovereenkomst wordt na het verstrijken van een Jaartermijn (dan wel de afwijkende termijn die was genoemd in het Speciaal Aanbod) stilzwijgend verlengd met telkens een Jaartermijn tot wederopzegging.
9.3.
Opzegging door het Privileges Lid is alleen geldig als het gebeurt via een ondertekende schriftelijke kennisgeving aan Privileges en daarbij een opzegtermijn van tenminste één maand tegen de einddatum van de lopende Jaartermijn in acht wordt genomen.
[…]