OM-cassatie. “Hetzelfde feit”, art. 68 Sr, art. 255a Sv, art. 8 en 9 WVW 1994. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” i.d.z.v. art. 68 Sr en art. 255a Sv dient de rechter in een geval als het onderhavige de in de strafbeschikking en de tll. omschreven v
Wetboek van Strafvordering
Art. 68 Sv
Genoemd in 27 uitspraken · Officiële wettekst
27 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Conclusie AG. Liquidatieproces Passage. Verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van een moord en een doodslag. Art. 287 en 289 Sr. Middelen over o.m. uitleg en toepassing kroongetuigenregeling art. 226g e.v. Sv, de toelaatbaarheid van een levenslange gevangenisstraf in het l
Ontbreken van een wettelijke regeling voor parallelle tenuitvoerlegging van twee bevelen voorlopige hechtenis. In onderhavige zaak zijn OM en rechter er telkens van uitgegaan dat bevel gevangenhouding en bevel gevangenneming tegelijkertijd werden geëxecuteerd. In verband met over
Bopz, verlening van voorlopige machtiging na voortgezette inbewaringstelling; tijdige indiening verzoek (art. 31 lid 2); berekening einddatum machtiging, uitleg “na haar dagtekening” in art. 30.
Vervolging voor deelneming aan een criminele (drugs)organisatie na eerdere vervolging en onherroepelijke veroordeling voor het medeplegen voorhanden hebben van amfetamine. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk vanwege strijd met het ne bis in idem-begin
Kort geding. Uitleg van artikel 68 Sv. Verrekening van de dagen die eiser in de ene zaak te lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met zijn vrijheidsstraf in een andere zaak toegewezen. In de gegeven omstandigheden wordt alleen op die manier het "surplus" zoveel mogelijk
- Geen schending Protocol AAFD - Ne bis in idem-beginsel niet geschonden De door de verdediging (in dit verband) naar voren gebrachte argumentatie ter onderbouwing van de punten i (hetzelfde feit), ii (een dubbele vervolging) en iii (een samenvallende natuurlijke en rechtspersoon
Namens verdachte is betoogd dat de advocaat-generaal niet ontvankelijk moet worden verklaard primair omdat de advocaat-generaal de verlenging van de gevangenhouding heeft gevorderd, terwijl geen bevel tot gevangenhouding, maar van gevangenneming is afgegeven, zodat wordt verzocht
Kort geding: is de titel voor de voorlopige hechtenis geëxpireerd? Eiser niet-ontvankelijk omdat er (te zijner tijd) een andere rechtsgang voor hem openstaat.
Cassatie in het belang der wet. Faillissementsgijzeling (art. 87 Fw). In verzekerde bewaringstelling van bestuurder van gefailleerde vennootschappen (art. 87 Fw in verbinding met art. 106 Fw). Loopt wettelijke termijn van art. 87 lid 3 Fw door gedurende voorwaardelijke schorsing?
Raadkamer gevangenhouding. Termijn bevel tot gevangenhouding na opschorting van de tenuitvoerlegging in verband met de executie van een aan verdachte in een andere zaak opgelegde vrijheidsstraf.
Beslissing voorlopige hechtenis
Kort geding. Vordering om de Staat te veroordelen om de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf op te schorten totdat de detentietitel voorlopige hechtenis in een nieuwe strafzaak komt te vervallen wordt afgewezen. Systematiek van artikel 68 lid 1 Sv. Tenuitvoerlegging eerdere
Conclusie AG. Liquidatieproces Passage. Verdachte is veroordeeld voor betrokkenheid bij meerdere moorden en een poging daartoe. Art. 289 Sr. Middelen over o.m. uitleg en toepassing kroongetuigenregeling art. 226g e.v. Sv, de toelaatbaarheid van een levenslange gevangenisstraf in
Vordering tot cassatie in het belang der wet. De vordering richt zich tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 2 mei 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4314). Centraal staat de vraag of de zittingsrechter de gevangenneming kan bevelen als
Een 25-jarige man uit Lelystad is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. De man heeft vorig jaar een minderjarig meisje verkracht. Ook heeft hij haar bedreigd en haar lastig gevallen. De man en het meisje hebben e
faillissementsgijzeling en voorlopige hechtenis en strafexecutie; geen gerechtvaardigd vertrouwen op detentieregistratiekaart of e-mails; art.68 Sv
Zaak "Passage". De verdachte verzoekt schorsing van de voorlopige hechtenis teneinde een in een andere strafzaak onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te kunnen laten leggen. Hof wijst het verzoek af en wijst op de in art. 68 Sv. neergelegde wettelijke opdracht aan
Vordering wijziging tll. Art. 313 Sv. Art. 257f.3 Sv. Art. 68 Sr. ’s Hofs oordeel geeft – gelet op de relevante bepalingen en wetsgeschiedenis – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat een op de voet van art. 257f.3 Sv j
Vordering wijziging tll. Art. 313 Sv. Art. 257f.3 Sv. Art. 68 Sr. ’s Hofs oordeel geeft – gelet op de relevante bepalingen en wetsgeschiedenis – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat een op de voet van art. 257f.3 Sv j
Profijtontneming. Hof oordeelt -anders dan preliminair door verdediging is betoogd- dat OM ontvankelijk is ondanks schending van artikel 511b Sv (ontnemingszaak aanhangig maken binnen twee jaren op straffe van -volgens de MvT- niet-ontvankelijkheid van het OM) omdat ratio (rechts
Kort geding. Vordering tot verrekening voorarrest in ene zaak met opgelegde straf in een andere zaak afgewezen. Geen wettelijke grondslag. Verwijzing naar HR 13 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ4478) gaat niet op, andere situatie.
Medeplichtigheid aan diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen. Kwantitatief exces. Veroordeling tot gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk.
De rechter-commissaris verklaart verdachte niet ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing/schorsing van de bewaring. De rechter-commissaris beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.
Kort geding; vordering tot invrijheidstelling afgewezen, aangezien er geen wettelijke grond bestaat voor verrekening van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in de ene zaak met de tenuitvoerlegging van hechtenis in een andere zaak.