Conclusie AG. Afwijzing aanhoudingsverzoek van verdachte die in Colombia is gedetineerd in afwachting van vervolgingsuitlevering aan de VS. Aanwezigheidsrecht ex art. 6 EVRM in het licht van EHRM Hokkeling v. Nederland. Samenhang met 16/05038, 16/05216 en 17/00331.
Wetboek van Strafvordering
Art. 66 Sv
Genoemd in 35 uitspraken · Officiële wettekst
35 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
HR: art. 80a RO. Klacht over beslissingen Hof inzake de voorlopige hechtenis van verdachte. In aanmerking genomen dat niet is gesteld en uit de stukken waarvan de HR kennisneemt ook niet is gebleken dat verdachte zich (nog) in voorlopige hechtenis bevindt, is het belang van verda
veelpleger winkeldiefstal, voorwaardelijke isd-maatregel.
Ontslag van alle rechtsvervolging voor poging tot zware mishandeling. Het bewezen feit kan niet aan de verdachte worden toegerekend, omdat ten tijde van het plegen van het feit er sprake was van ziekelijke stoornissen van de geestvermogens. Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
Namens verdachte is betoogd dat de advocaat-generaal niet ontvankelijk moet worden verklaard primair omdat de advocaat-generaal de verlenging van de gevangenhouding heeft gevorderd, terwijl geen bevel tot gevangenhouding, maar van gevangenneming is afgegeven, zodat wordt verzocht
Conclusie AG. OM-cassatie tegen een beschikking van het hof waarbij de AG bij het hof n-o is verklaard in zijn vorderingen om a. de schorsing van een bevel tot bewaring op te heffen en b. vervolgens de gevangenhouding te bevelen. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Besprek
Vordering tot cassatie in het belang der wet. De vordering richt zich tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 2 mei 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4314). Centraal staat de vraag of de zittingsrechter de gevangenneming kan bevelen als
Formele bezwaren verworpen tegen verlenging gevangenneming buiten zitting. Wel termen voor schorsing
Afwijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis miv VI-datum. Ter terechtzitting is namens de verdachte verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen met ingang van de fictieve V.I. datum. Het hof overweegt dat, nu het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, uit
Verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis
Eiseres vordert onmiddellijke invrijheidstelling, omdat er volgens haar geen titel meer is voor haar voorlopige hechtenis nadat bleek dat de laatste terechtzitting in de strafzaak nietig was. De vordering is niet-ontvankelijk verklaard, omdat er een met voldoende waarborgen omkle
HR: art. 80a RO. Klacht over beslissingen Hof inzake de voorlopige hechtenis van verdachte. In aanmerking genomen dat niet is gesteld en uit de stukken waarvan de HR kennisneemt ook niet is gebleken dat verdachte zich (nog) in voorlopige hechtenis bevindt, is het belang van verda
De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat de strafrechter de huidige vrijheidsbeneming van eiseres onrechtmatig zal achten. De vorderingen tot onmiddellijke invrijheidstelling worden afgewezen.
Art. 445 Sv. Verdachte niet-ontvankelijk, omdat geen cassatie openstaat tegen de bestreden beslissing.
Bevoegdheid raadkamer verzoek schorsing voorlopige hechtenis na zitting Op grond van het systeem van het Wetboek van Strafvordering zijn de beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis in beginsel beslissingen die in raadkamer worden genomen. Anders dan in geval van ee
1. Cassatieberoep tegen beslissing tot verwijzing ex art. 423.2 Sv niet-ontvankelijk. 2. Verzoeken o.g.v. bij advocaat bezorgde anonieme brief tot horen van daarin genoemde getuige en tot onderzoek naar het bestaan van daarin genoemd Rijksrechercherapport en toevoeging daarvan aa
Verzoeker, verdacht van zware mishandeling ten opzichte van zijn (ex-)echtgenote, verkeert vanaf 9 augustus 2004 in voorlopige hechtenis. Verzoekers zaak is op zitting geweest op de MK van 15 november 2004 en 24 januari 2005. Op laatst genoemde datum bleek dat de behandeling van
Beslissing op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis na de einduitspraak, maar voor het instellen van hoger beroep. De twaalf-jaarsgrond is door partiële vrijspraak in het vonnis niet meer van toepassing en de herhalingsgrond kan niet in dit stadium worden toegevoe