Ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep. Bij de stukken bevindt zich een mededeling uitspraak met daaraan gehecht een akte van uitreiking die inhoudt dat na vergeefse aanbieding die mededeling is teruggezonden aan de afzender. Nu zich bij de stukken geen andere akte van uitrei
Wetboek van Strafvordering
Art. 408 Sv
Genoemd in 178 uitspraken · Officiële wettekst
178 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 7 · live
Kort geding. De inleidende dagvaarding om ter zitting te verschijnen is niet aan de verdachte, maar aan zijn vader betekend. Verdachte is op de zititng niet aanwezig geweest. Het veroordelend vonnis is eveneens aan de vader van eiser betekend. Eiser heeft voldoende aannemelijk ge
Beklag. Aanvang termijn art. 552a.3. Sv. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de termijn van art. 552a.3.Sv eerst aanvangt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de inbeslagneming de klager redelijkerwijs bekend moet zijn. I.c. is het oordeel van
Art. 408.2 Sv. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de kennisneming door verdachte van de inleidende dagvaarding na de dag van de tz. in e.a. een omstandigheid inhoud waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, a.b.i. art. 408.2. Sv, getuigt van een onjuist
Verschoonbare termijnoverschrijding bij instellen h.b. HR: Anders dan het middel wil, was het Hof niet gehouden een onderzoek te verrichten “naar de reden van verstrijken van de opvallend lange termijn tussen datum verzenden volmacht en de uiteindelijke ontvangst”, zodat het midd
Niet-ontvankelijkheid hb. Profijtontneming. Het verkorte pv van de ttz. in e.a. is in strijd met art. 327 Sv jo. art. 511d Sv niet ondertekend. Daardoor mist het pv rechtskracht. Dit brengt mee dat het Hof aan dit pv niet kon ontlenen dat de Pr na sluiting van het onderzoek aan d
Art. 408 Sv. Klacht over niet-ontvankelijkheid hb. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat verdachte na de dag van de ttz. in e.a. heeft kennisgenomen van de inleidende dagvaarding. Het Hof heeft waar het overweegt dat verdachte binnen veertien dagen nadat hij kennis had genomen
Antilliaanse zaak. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een t
Onrechtmatige overheidsdaad? Strafrechtelijk; onmiddellijke invrijheidstelling; artikel 557 lid lid 3 onder 2 Sv; uitleg wijziging voorzieningenrechter. Vordering afgewezen.
Verdachte n-o in hb nu het hem middels een door hem ontvangen krantenbericht duidelijk moet zijn geweest dat er vonnis was gewezen. HR herhaalt HR LJN BB3055 m.b.t. omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. ’s Hofs oordeel dat verdachte na ken
Art. 4a Sr. Afgeleide rechtsmacht. 1. “Vreemde staat” i.d.z.v. art. 4a Sr. 2. Grondslag voor overname strafvervolging. Het gaat i.c. om een Rwandees die ervan wordt beschuldigd dat hij – vzv. in cassatie van belang - in 1994 in Rwanda misdrijven i.d.z.v. art. 1 Uitvoeringswet gen
OM-cassatie. Bouwfraude-zaak. “Wetende dat” i.d.z.v. de artt. 362 en 363 (oud) Sr. De geschiedenis van de totstandkoming van de artt. 362 en 363 (oud) Sr bevat geen aanwijzingen voor de precieze betekenis van het bestanddeel "wetende dat" in die bepalingen. Met de uitdrukking "we
N-o verdachte in cassatie. Gelet op art. 432.1.c en 432.3 Sv had verdachte binnen 14 dagen na ‘s Hofs einduitspraak van 26-4-2006 beroep in cassatie moeten instellen. Nu verdachte blijkens de stukken op 26-10-2006 beroep in cassatie heeft ingesteld, kan hij in dat beroep niet wor
OM-cassatie. Ontvankelijkheid appel. Ogv art. 408.1.a Sv moet appel binnen 14 dgn na de einduitspraak worden ingesteld, indien de dgv om ttz te verschijnen aan verdachte in persoon is betekend. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de dgv van verdachte in 1e aanleg in de zaak
Het recht tot strafvordering is i.c. niet vervallen indien het cassatieberoep tegen ’s Hofs niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn hoger beroep niet slaagt, zie tussenarrest HR LJN AZ3286. ’s Hofs niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel dat hetgeen doo
Herzieningsaanvrage na EHRM-uitspraak ex art. 457.1.3° Sv. De aanvrage moet ex art. 458.2 Sv zijn ingediend binnen 3 maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het EHRM op grond waarvan de aanvrage is gedaan, de veroordeelde bek
Cassatieberoep tardief ingesteld. De in cassatie als verontschuldiging voor de termijnoverschrijding aangevoerde omstandigheid dat verdachte psychiatrisch patiënt is levert zonder nadere onderbouwing die in de cassatieschriftuur ontbreekt, niet een zodanige bijzondere, verdachte
Ontnemingszaak; appèltermijn; verhouding art. 511e.2 tot 408 Sv. Art. 511e.2 Sv bepaalt o.m. dat indien de dag van de uitspraak op de terechtzitting wordt bepaald maar betrokkene niet aanwezig is, deze aan hem wordt betekend. Dit voorschrift strekt ertoe te voorkomen dat betrokke
Tardief appèl na ongegrondverklaard bezwaarschrift tegen dagvaarding. 1. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de
OM-cassatie. Het hof oordeelde de op art. 240b (oud) Sr (kinderporno) toegesneden tenlastelegging onvoldoende feitelijk. HR: tenlastelegging voldoet aan art. 261 Sv behoudens voorzover de beschrijvingen niet meer inhouden dan dat sprake is van "een seksuele gedraging" bestaande u
Aanwenden rechtsmiddel door gedetineerde. Een gedetineerde verdachte kan een rechtsmiddel aanwenden d.m.v. een schriftelijke verklaring – waaraan verder geen vormvereisten zijn gesteld – die hij doet toekomen aan het hoofd van het gesticht. Daarmee strookt niet het systeem waarbi
Vertaling verstekmededeling. Verdachte, die de Nederlandse taal niet beheerst, komt te laat in appèl na betekening onvertaalde verstekmededeling. De opvatting dat een verstekmededeling ex art. 366 Sv moet worden aangemerkt als mededeling ex art. 6.3.a EVRM aan de verdachte omtren
In dit kort geding vordert [appellante] een verbod aan de Staat om een aan haar dochter opgelegde werkstraf ten uitvoer te leggen. Zij stelt dat uitvoering van die straf onrechtmatig is omdat de termijn daarvoor is verstreken en het recht tot uitvoering van deze straf is verjaard
Verdachte niet-ontvankelijk in te laat ingesteld appèl. Het hof heeft vastgesteld dat a) verdachte bekend was met de eerste terechtzitting van de politierechter, b) op die terechtzitting het onderzoek voor bepaalde tijd is geschorst, c) de politierechter op de nadere terechtzitti
Einduitspraak in de zin van art. 138 Sv? In eerste aanleg wordt bij vonnis (30/08/2001) de OvJ niet-ontvankelijk verklaard voor de feiten 1 t/m 4; voor feit 5 wordt de heropening van het onderzoek bevolen. De OvJ gaat eerst na de einduitspraak voor feit 5 (02/05/2002) in hoger be