Art. 197 Sr. Ongewenste vreemdeling. Het uitgangspunt dat voor strafbaarheid ter zake van art. 197 Sr is vereist dat verdachte ttv. de tlg gedraging tot ongewenst vreemdeling was verklaard en dat die ongewenstverklaring toen niet was ingetrokken of vervallen, is juist. Het middel
Wetboek van Strafrecht
Art. 197 Sr
Genoemd in 287 uitspraken · Officiële wettekst
287 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 11 · live
Overheid is verplicht een verdachte in de gelegenheid te stellen tijdens een strafvervolging zijn aanwezigheidsrecht te realiseren. I.c. inbreuk op aanwezigheidsrecht tijdens behandeling in hoger beroep door verdachte uit te zetten alvorens in strafzaak onherroepelijk uitspraak w
Afwijzing verzoek. Het Hof heeft het verzoek tot het opvragen van het IND-dossier niet gemotiveerd zodat in cassatie niet kan worden beoordeeld of het Hof bij die afwijzing de juiste maatstaf heeft gehanteerd.
Herziening. Aanvrager is veroordeeld wegens het op 30-3-2005 en 12-4-2005 in NL verblijven terwijl hij wist of moest vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Bij de aanvraag is overgelegd een beschikking van de Rb dat aanvrager m.i.v. 19-4-1985 de NL-se national
Herziening. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid a.b.i. art. 457.1.1° Sv, maar een dergelijk geval doet zich i.c. niet voor. Aanvraag niet-ontvankelijk.
Overmacht. Art. 197 Sr. Ongewenst verklaarde vreemdeling die is veroordeeld wegens foltering en als gevolg daarvan o.g.v. art. 1F Vluchtelingenverdrag niet de door dat Verdrag geboden bescherming toekomt. Het beroep op overmacht komt erop neer dat van verdachte redelijkerwijs ni
strafmaatmotivering, LOVS oriëntatiepunten
Verdachte wordt ter zake van het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
In onderhavige zaak wordt verdachte verweten artikel 197 Sr te hebben overtreden. Het gevoerde verweer houdt in dat verdachte in een situatie van overmacht verkeert. Verdacht kan niet terug naar Afghanistan, zijn geboorteland, omdat bij terugkeer schending van artikel 3 EVRM drei
Verdachte wordt ter zake van het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het beroep op overmacht wordt verworpen.
Geen cassatie wegens schending van art. 359.3 Sv nu daarover niet wordt geklaagd (in afwijking van conclusie AG).
Veroordeling ter zake van mishandeling alsmede ter zake van het als ongewenst vreemdeling verblijven in Nederland terwijl de verdachte wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Het hof geeft, ter zake van het eerste ten laste gelegde, in een bewijsoverweging aan waaro
Het vragen naar de identiteit kan alleen in het kader van de uitvoering van de politietaak. Onrechtmatig verkregen bewijs.
Beroep gegrond wegens strijd met artt. 7:12 en 7:2 van de Awb Verzoek opheffing ongewenstverklaring. Eiser heeft vier maal eerder verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring. In het licht van de te verrichten belangenafweging in het kader van het bepaalde in artikel 8 van
Het hof verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van artikel 197 Sr. Het hof stelt vast, dat blijkens een op ambtseed door de verbalisant J.C. Klaver opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 mei 2008 (PL1512/2008/24069-5) verdachte op
Veroordeling verdachte ter zake van medeplegen van mensensmokkel. Het hof is van oordeel dat op grond van het ten tijde van het ten laste gelegde geldende (gewijzigde) artikel 197a Sr. ook strafbaar is gesteld het wederrechtelijk toegang verschaffen van het (zoals in casu) ene EU
Noodtoestand bij mensensmokkel Verdachte wordt verdacht van het medeplegen van mensensmokkel. De rechtbank acht de mensensmokkel bewezen, maar is van oordeel dat verdachte zich bevond in een tweestrijd van twee conflicterende belangen: enerzijds de verplichting het land te verlat
Ongewenst vreemdeling. Art. 197 Sr. Avas. Overmacht. In Libanon geboren Palestijn. ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zijnerzijds alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van hem konden worden gevergd teneinde aan zijn verplichting om NL te v
Artikel 197a lid 1 Sr.: Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensensmokkel door een Somalische vrouw behulpzaam te zijn bij het verschaffen van wederrechtelijke toegang tot Nederland. Niet gebleken is dat daarbij gebruik is gemaakt van een crimineel mense
Art. 197a Sr: Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan mensensmokkel door 3 vreemdelingen behulpzaam te zijn bij het verschaffen van wederrechtelijke toegang tot Nederland. Niet gebleken is dat daarbij gebruik is gemaakt van een crimineel mensensmokkelnetwerk. Evenmin
art. 197 Sr: tekst van dit artikel noopt weliswaar tot toetsing van de verbindendheid van het wettelijk voorschrift dat ten grondslag ligt aan de beslissing de vreemdeling ongewenst te verklaren en de bevoegdheid tot het nemen van die beslissing, doch niet tot toetsing van de inn
Ongewenstverklaring / voorlopige voorziening hangende bezwaar wegens niet-uitzetbaarheid / procesbelang bij ontbreken van een aanhangige vergunningprocedure De voorzieningenrechter volgt niet het standpunt van verweerder dat verzoeker geen procesbelang heeft. Op voorhand kan niet
Herziening. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de Rb te Maastricht bij vonnis van 1-11-2006 het OM n-o heeft verklaard in de vervolging van aanvrager t.z.v. art. 197 Sr en dat ook de Pr in de rb te Maastricht het OM n-o zou hebben verklaard in de vervolging van aanvrager t.z.v.
OvJ ontvankelijk in vervolging voor artikel 197 Sr, i.c. wel doorbreking beginsel formele rechtskracht besluit tot ongewenstverklaring. Vrijspraak m.b.t. artikel 197 Sr nu de ongewenstverklaring niet op de door het Gemeenschapsrecht voorgeschreven toetsingscriteria is gebaseerd e
De rechtbank acht met de officier van justitie het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is redengevend dat ter zitting is gebleken dat verdachte is vervolgd terzake artikel 197 van het WvSr, maar dat nie