Het Hof heeft geoordeeld dat nu twijfel bestaat over de identiteit van de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte, deze situatie moet worden gelijkgesteld met het aanwenden van een rechtsmiddel door of namens een NN-verdachte, en heeft verdachte cfm HR LJN AB0259
Wetboek van Strafrecht
Art. 184 Sr
Genoemd in 332 uitspraken · Officiële wettekst
332 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 3 · live
Wet Openbare Manifestaties (WOM) en 184 sr; verdachte is op grond van 2.2 lid 3 APV Amsterdam gesommeerd zich te verwijderen omdat hij deelnemers van de betoging "schreeuw voor leven" hinderde. Nu verdachte zelf ook deel uitmaakte van een (tegen)betoging, was de WOM van toepassin
Bezwaarschriftprocedure ex art. 262 Sv. Taak wetgever. 1. Geen bevelbevoegdheid obv art. 2 Politiewet 1993? 2. Krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel ex art. 184.1 Sr. Door een hoofdagent van de Spoorwegpolitie is aan verdachte het bevel gegeven zich te verwijderen uit Ams
Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat aan verdachte een bevel is gegeven ex art. 163 WVW 1994 medewerking te verlenen aan een onderzoek ex art. 8.2.a van deze wet. Blijkens die bewijsmiddelen is immers aan verdachte door de opsporingsambtenaar gevraagd zijn
AWR, omkering bewijslast, gedeeltelijk; overlegging stukken.
Themazitting artikel 197 Sr – Actualisering toetsingskader bewijsvraag artikel 197 Sr bij derdelanders, mede n.a.v. ECLI:NL:HR:2024:1621 (formele rechtskracht van besluit van bestuursorgaan in strafrecht en de wijze van toetsing inreisverbod). Inreisverbod niet evident in strijd
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 20 december 2024 inzake: 24/01292 ECLI:NL:PHR:2024:1399 , 24/01293 ECLI:NL:PHR:2024:1400 , 24/01294 ECLI:NL:PHR:2024:1401
Niet voldoen aan ambtelijk bevel, art. 184.1 Sr. Bevat art. 160.7 (oud) WVW 1994 een bevelsbevoegdheid? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BB4108 over het vereiste van een uitdrukkelijke “bevelsbevoegdheid”. Blijkens de bewezenverklaring en de kwalificatie heeft hof g
Niet voldoen aan ambtelijk bevel, art. 184.1 Sr. Rechtmatigheid gebiedsverbod. Verweer dat het o.g.v. art. 172a.1.a Gemeentewet door burgemeester van Middelburg aan verdachte uitgereikte gebiedsverbod niet een rechtmatig, krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of vordering
Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 58n van de Wet publieke gezondheid (Wpg) Bevel van de burgemeester tot sluiting bedrijfspand op grond van artikel 58n van de Wpg. In de tekst van artikel 58n van de Wpg leest de voorzieningenrechter niet de bevoegdheid
Beklag tegen beslag op een No Surrender-hesje. Het hesje van klager, een motorrijder van No Surrender, is in beginsel vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het aan klager toebehoort en er aanwijzingen zijn dat met behulp daarvan een strafbaar feit is gepleegd, te weten overtreding
Opzettelijk niet voldoen aan ambtelijk bevel van motoragent door bestuurder van auto, art. 184.1 Sr. Bevoegdheid tot “preventief fouilleren” in veiligheidsrisicogebied o.b.v. WWM. Krachtens wettelijk voorschrift a.b.i. art. 184 Sr? Art. 184.1 Sr eist ‘krachtens wettelijk voorschr
Conclusie AG. Hof heeft blijkens de bewezenverklaring geoordeeld dat het door de betrokken politieambtenaar gegeven bevel om het voertuig van de verdachte te doen stilhouden een krachtens art. 151b Gemeentewet en de art. 50, 51 en 52 WWM gedaan bevel is, dat heeft te gelden als ‘
KG vordering van Klimmuur om in afwijking van de Corona-noodverordening open te gaan wordt afgewezen. Bestuursrechter moet oordelen.
Overtreding gebiedsverbod. Niet-ontvankelijkheid OM in zaak E. Vervolging is in strijd met artikel 68 Sr dan wel in strijd met de beginselen van een goede procesorde.
Conclusie AG over de vraag of weigeren mee te werken aan het nemen van vingerafdrukken op de voet van het bepaalde in art. 55c lid 2 Sv betekent dat de verdachte niet heeft voldaan aan “de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem
Deelneming aan samenscholing, art. 2.2 APV Amsterdam 2008. 1. Deelneming. 2. Kwalificatie van het bewezenverklaarde als “overtreding van art. 2.2 lid 3 van de APV Amsterdam 2008 en overtreding van art. 2.2 lid 1 van de APV Amsterdam 2008”. Ad 1. De term “deelnemen” komt binnen de
Terugwijzingsopdracht. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:199. HR herhaalt ECLI:NL:HR:1996:AD2500, ECLI:NL:HR:2013:1430 en ECLI:NL:HR:2010:BM6836. Het Hof heeft de terugwijzingsopdracht van de HR miskend door niet de strafoplegging van de feiten 2 en 3 aan zijn oordeel te onderwerpen. In
Art. 184.1 Sr. Blijkens de bewezenverklaring is een “onbekend gebleven persoon als verdacht van overtreding van art.184 Sr” op heterdaad aangehouden. De in het kader van deze aanhouding verrichte handelingen zijn ondernomen ter uitvoering van het in art. 53 Sv bepaalde. De tll.
Actievoerders hogefluxreactor Petten ten tijde van de nucleaire top in maart 2014. Vrijspraak niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184 Sr). Vordering op grond van noodbevel niet rechtmatig gegeven. Grondrecht op betoging geschonden.
Wettelijk voorschrift a.b.i. art. 184.1 Sr. Artt. 159, 160.1, 177 en 178.2 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BB4108 en ECLI:NL:HR:2014:3639 m.b.t. het feit dat het in art. 184.1 Sr bedoelde wettelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de be
Rechtmatige uitoefening van de bediening, art. 22 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar en art. 180 Sr. Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld heeft het Hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verbalisant, die re
Krakersdemonstratie in Amsterdam op 1 mei 2012. Betoging op internet aangekondigd, maar er was geen kennisgeving aan de burgemeester van Amsterdam gedaan. Naar het oordeel van het hof was de burgemeester van Amsterdam bevoegd voor de betoging op 1 mei 2012 het voorschrift inzake
Vorderen van het legitimatiebewijs. Het hof is van oordeel dat het antwoord op de vraag of artikel 447e Sr moet worden beschouwd als een specialis van 184 Sr afhangt van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de wetgever voor uitzonderlij
HR: art. 81.1 RO.