Faillissementsrecht. Cassatieberoep tegen vaststelling salaris curator na vernietiging vonnis van faillietverklaring in hoger beroep, art. 15 lid 3 Fw; niet-ontvankelijk. Rechtsmiddelenverbod, geen beslissing in de zin van art. 71 in verbinding met 85 Fw.
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 426 Rv
Genoemd in 458 uitspraken · Officiële wettekst
458 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 6 · live
Door failliet ingesteld cassatieberoep in een door curator overgenomen geding; niet-ontvankelijkheid, art. 27 lid 3 Fw (HR 11 januari 2002, LJN AD4929, NJ 2003/311 en HR 23 april 2010, LJN BL5450, NJ 2010/245). Geldt ook in verzoekschriftprocedure.
Art. 81 lid 1 RO. Faillissement. Art. 69 Fw. Beschikking rechter-commissaris aangaande redelijke termijn als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw.
Verzoek vaststelling Nederlandse nationaliteit; art. 1 onder c van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892. Aanvulling argumenten en bewijsstukken na tussenbeschikking rechtbank.
Erfrecht. Verzoek tot vestiging vruchtgebruik op de voet van art. 4:30 lid 6 BW. Uitleg verzoek; grenzen rechtsstrijd; art. 23, 24, 149 Rv. Klachten deels verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Art. 81 lid 1 RO. Nationaliteit. Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS); optierecht art. 6 lid 4; woonplaatsvereiste.
Art. 81 RO. Faillissement; afwijzing door rechter-commissaris van verzoek schuldeiser tot houden van verificatievergadering wegens gebrek aan boedel-actief; art. 67 en 137a Fw.
Herroeping. Uitleg art. 388 lid 2 Rv. Reikwijdte. Mogelijkheid van doorbreking appelverbod op in rechtspraak erkende gronden? Aard van de beslissing. Mogelijkheid van cassatieberoep; art. 398 Rv. Omvang toetsing in cassatie; art. 80 lid 1 RO.
Voogdijkwestie. In appel niet-verschenen maar door hof wel als belanghebbende aangemerkte persoon in cassatie als verschenen belanghebbende te beschouwen. Art. 426b Rv; termijnbepaling door HR.
Nationaliteit. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap; “belanghebbende” in de zin van art. 18 lid 2 RWN; maatstaf (vgl. HR 10 november 2006, LJN AY8290, NJ 2007/45).
Vaststelling Nederlanderschap; art. 4 lid 1 (oud) en 17 RWN. Foutieve buitenlandse geboorteakte; (on)geldigheid naar Dominicaans recht. Bezit van staat overeenkomstig art. 1:209 BW. Eis van duurzaamheid.
Cassatie. Wet griffierechten burgerlijke zaken. Beroep op ‘hardheidsclausule’ art. 282a lid 4 in verbinding met art. 427b Rv. Cassatieadvocaat wordt geacht op de hoogte te zijn van aan de orde zijnde termijn en verstrekkende gevolgen van overschrijding daarvan. Nochtans toepassin
Arbitrage; art. 1027 Rv. Verzoek tot benoeming arbiters kan worden afgewezen indien aanstonds en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat overeenkomst tot arbitrage ontbreekt. Rechtsmiddelenverbod art. 1070 Rv. niet van toepassing indien verzoek niet wordt toegewezen. In
WSNP. Na beëindiging van toepassing van schuldsaneringsregeling op bankrekening van bewindvoerder overgemaakte teruggaven inkomstenbelasting door rechtbank aangemerkt als nagekomen baten in de zin van art. 194 F., waarvan rechtbank vereffening en verdeling heeft bevolen. Voor zo
Faillissementsrecht. Bevel tot hervatting van vereffening van faillissementsboedel naar aanleiding van nagekomen baten (o.g.v. art. 194 F.).
Enquêterecht. Verzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW kan niet meer worden ingetrokken indien hierop met een uitdrukkelijk dictum is beslist; meest gerede partij kan zich met een verzoek tot beëindiging tot de ondernemingskamer richten. Oordeel dat curatoren van de failliete r
Enquêterecht. Wanbeleid. Tijdelijke overdracht ex art. 2:356 BW van aandelen van in buitenland gevestigde aandeelhouder in vennootschap die onderwerp is van enquête. Bevoegdheid bestuurder om namens die buitenlandse aandeelhouder op te treden, te beoordelen o.g.v. Wet conflictenr
Cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep; cassatietermijn van drie maanden; Rijkswet op het Nederlanderschap schrijft geen afwijkende cassatietermijn voor en kent ook geen afwijkende bepaling omtrent het aanvangstijdstip voor de cassatietermijn; toepasselijkheid van art. 426 lid
Cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep; cassatietermijn van drie maanden; Rijkswet op het Nederlanderschap schrijft geen afwijkende cassatietermijn voor en kent ook geen afwijkende bepaling omtrent het aanvangstijdstip voor de cassatietermijn; toepasselijkheid van art. 426 lid
Cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep; cassatietermijn van drie maanden; Rijkswet op het Nederlanderschap schrijft geen afwijkende cassatietermijn voor en kent ook geen afwijkende bepaling omtrent het aanvangstijdstip voor de cassatietermijn; toepasselijkheid van art. 426 lid
Cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep; cassatietermijn van drie maanden; Rijkswet op het Nederlanderschap schrijft geen afwijkende cassatietermijn voor en kent ook geen afwijkende bepaling omtrent het aanvangstijdstip voor de cassatietermijn; toepasselijkheid van art. 426 lid
Internationaal privaatrecht. Cassatietermijn; rechtsmiddel als bedoeld in art. 43 EEX-Verordening geen hoger beroep in de zin van art. 426 lid 2 Rv.; gronden voor weigering of intrekking van een exequatur; prejudiciële vragen aan HvJEU.
Internationaal privaatrecht. Cassatietermijn; rechtsmiddel als bedoeld in art. 43 EEX-Verordening geen hoger beroep in de zin van art. 426 lid 2 Rv.; gronden voor weigering of intrekking van een exequatur; prejudiciële vragen aan HvJEU.
Familierecht. Verlening machtiging uithuisplaatsing minderjarige. Verzoekschrift niet getekend door advocaat bij de Hoge Raad; niet-ontvankelijk cassatieberoep (art. 426a lid 1 Rv). Geen herstel door later ingediend tweede verzoekschrift, omdat dat niet is ingediend binnen 14 dag
Familierecht. Vaststelling kinderalimentatie. Geschil tussen voormalige echtelieden over bij-drage onderhoudsplichtige in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarig kind; vaststelling draagkracht onderhoudsplichtige; 81 RO.