Conclusie van staatsraad advocaat-generaal Snijders over de prejudiciële vragen zoals op grond van de Tijdelijke wet Groningen door de Rechtbank Noord-Nederland gesteld bij tussenuitspraak van 28 april 2023, in zaak nr. 22/2463T, in het geding tussen [eiser] tegen het Instituut M
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 392 Rv
Genoemd in 495 uitspraken · Officiële wettekst
495 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 8 · live
Mogen juristen van een aansprakelijk gestelde medisch hulpverlener in de buitengerechtelijke fase kennis nemen van het medisch dossier van de patiënt, ook wanneer de patiënt daar geen machtiging voor afgeeft? Prejudiciele vragen aan de Hoge Raad.
Vraag of een na de ingangsdatum van de huurovereenkomst opgenomen en geregistreerd energieprestatiecertificaat in de waardering van het gehuurde mag worden betrokken. Prejudiciële vragen.
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Insolventierecht, schuldsanering. Vraag of het voorschrift van art. 356 lid 1 Fw dat een slotuitdelingslijst wordt opgemaakt, ook geldt voor boedels met een actief van minder dan € 2.000. Art. 4.3 van de Recofa-richtlijnen.
Art. 7:220 lid 5 en lid 6 BW, art. 392 Rv Prejudiciële beslissing verzocht aan de Hoge Raad over de vraag of een tijdelijke intrek in een door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, moet worden aangemerkt als een verhuizing, zoal
Huurrecht. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Ontbrekende WOZ-waarde bij aanvang huur. Moet minimum waarde worden gebruikt bij berekening van aantal punten voor bepalen huurprijs of biedt de wet of het woningwaarderingsstelsel meer mogelijkheden?
Prejudiciële procedure (art. 392 Rv). Faillissementsrecht. Zijn schulden die voortvloeien uit bestuursrechtelijke lasten die aan de curator zijn opgelegd wegens de niet-naleving van milieuwetgeving, aan te merken als boedelschulden, verifieerbare concurrente faillissementsschulde
(pre)contractuele informatieverplichtingen (als bedoeld in art. 6:230m en 6:230v BW) bij koop op afstand door een consument; prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Arbeidsrecht; transitievergoeding (art. 7:673 BW). Werknemer wordt na langdurige arbeidsongeschiktheid in een lager betaalde functie herplaatst; aanspraak op gedeeltelijke transitievergoeding? Betekenis van HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vermogensrecht. Financieel recht. Is vordering van een bank uit geldlening overdraagbaar aan een niet-bank? Art. 3:83 lid 1 BW. Inhoud gecedeerde vordering. Art. 6:142 en 6:144 BW. Zorgplichten bank. Zorgplichten niet-bank. Verweermiddelen schuld
Handelsnaaminbreuk, bijkomende omstandigheden vereist? Vragen van uitleg aan de Hoge Raad.
voorstel tot het stellen van prejudiciële vragen m.b.t. medische aansprakelijkheid voor gebrekkige hulpmiddelen
Schriftelijke aanwijzing en beperking van contact tussen de ouder en de minderjarige. In deze zaak heeft de gecertificeerde instelling door middel van een schriftelijke aanwijzing een eerder door de rechter vastgestelde regeling gewijzigd. Over de reikwijdte van artikel 1:265f BW
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv) . Belastingrecht. Faillissementsrecht. Bevoegdheid Ontvanger tot verrekening op grond van art. 24 lid 1 Invorderingswet 1990 in faillissement fiscale eenheid. Toepasselijkheid en toepassing van art. 53 lid 1 Fw.
IE: auteursrecht, thuiskopievergoeding verschuldigd voor privégebruik, tussenvonnis na tussentijds appel, aanhouding tot beantwoording prejudiciele vragen aan Hoge Raad in de procedure met rolnummer 489719 / HA ZA 15-659
Luchtvaartkartel. Wet conflictenrecht onrechtmatige daad is ingetrokken per 1 januari 2012, maar blijft van toepassing op verbintenissen uit onrechtmatige daad die vóór 1 januari 2012 zijn ontstaan (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054). Het toepasselijk recht op de vorderingen v
Thuiskopieheffing. Vervolg op ECLI:NL:RBDHA:2016:3952. Vraag om pre-judiciële beslissing Hoge Raad over de vraag of, mede gezien het Copydan-arrest (HvJEU 5 maart 2015, zaak C-463/12, ECLI:EU:C:2015:144), in het Nederlandse rechtsstelsel een vordering tot restitutie van teveel be
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Beslag- en executierecht. Overgang door fusie (art. 2:309 BW) van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging executoriale titel. Betekening van die overgang aan de geëxecuteerde bij deurwaardersexploot (art. 431a Rv). Mogelijkheid voor verkrijgende rechts
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Rechtsbijstandverzekering. Vrije advocaatkeuze bij ontslagprocedure bij UWV (art. 6 BBA)? Art. 4:67 Wft. Richtlijn 87/344/EEG en HvJEU 7 november 2013, zaak C-442/12, ECLI:EU:C:2013:717. Moet ontslagprocedure worden aangemerkt als ‘administratiev
Tussenvonnis. Vordering tot vergoeding buitengerechtelijke incassokosten van een consument. Alleen de voorgeschreven schriftelijke aanmaning (art. 6:96 lid 6 BW) is verzonden. Deze aanmaning wordt ook wel veertiendagenbrief genoemd. Vordering toewijsbaar op grond van het arrest v
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Caribische zaak. Procesrecht. Beslag- en executierecht. Overheidsprivaatrecht. Belastingen. Vragen over rechtspositie van bestuurder van Curaçaose vennootschap die door Ontvanger aansprakelijk wordt gehouden voor openstaande belasting- en premie
Prejudiciële vragen op voet art. 392 Rv. Vermogensrecht. Consumentenrecht. Verzekeringsrecht. Online gesloten schadeverzekering auto. Moet civiele rechter ambtshalve onderzoeken of in Wft en BGfo omgezette informatieplichten van Richtlijn verkoop op afstand van financiële dienste
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Geldigheid studiekostenbeding; Beroepsopleiding Advocatuur; noodzakelijke scholing; verplichting werkgever opleiding kosteloos aan te bieden?(Art. 7:611a lid 1, 2 en 4 BW).
Partijen hebben de rechtbank in deze - bij wijze van proefprocedure aanhangig gemaakte - zaak in verband met het principiële zaaksoverstijgende karakter eenstemmig verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De zaak betreft een geschil over de vraag of de faillis
Arbeidsrecht. Studiekostenbeding overeengekomen tussen advocatenkantoor en een advocaat-stagiair. Is dit beding nietig op grond van art. 7:611a lid 4 BW? Het hof stelt hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.