voortzetting huur na overlijden ouders, geen sprake van duurzame gemeenschappelijke huishouding, onvoldoende financiele waarborg voor betaling huur
Burgerlijk Wetboek
Art. 7:268 BW
Genoemd in 375 uitspraken · Officiële wettekst
375 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 7 · live
Bijzondere overeenkomst; huurrecht; overige huurrecht
Vordering tot voortzetting huurovereenkomst (standplaats) van grootmoeder. Geen sprake is van een huurovereenkomst tussen kleinzoon en de Gemeente, Geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met grootmoeder en hoofdverblijf op de standplaats, Belangenafweging
Huur woonruimte. Kort geding. Molukse wijk. Verblijft gedaagde zonder recht of titel in de woning? Of heeft hij een aanspraak op grond van het rumah tua principe uit het door verhuurder met de wijkraad gesloten convenant dan wel op andere grond?
Na het overlijden van de moeder verzoekt de zoon de huurovereenkomst te mogen voortzetten. Verhuurder heeft dit verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot ontruiming toegewezen en de zoon veroordeeld tot betaling van de huurachterstand. Het hof bekrachtigt
Artikel 234 Rv. Incident ex artikel 234 Rv. Tussenarrest. Ontruiming huurwoning. Vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring afgewezen.
Kort geding. Ontruiming. Toewijzing. Gedaagde verblijft op dit moment in de woning van zijn overleden moeder, maar gedaagde kan geen aanspraak (meer) maken op het voortzetten van de huurovereenkomst met betrekking tot die woning. Als de huurder van een woning overlijdt, kan een a
Huurovereenkomst standplaats. De vordering tot het voortzetten van de huurovereenkomst door kleindkind wordt afgewezen, want onvoldoende aangetoond dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met overgrootmoeder.
Huur woonruimte. Artikel 7:268 BW. Zoon heeft geen duurzame gemeenschappelijke huishouding gevoerd met zijn (overleden) vader.
Kort geding verblijf zonder recht of titel, de kantonrechter concludeert dat er een huwelijk tot stand is gekomen maar dat er geen affectieve relatie bestond tussen huurder en gedaagde. Gedaagde had geen hoofdverblijf in de woning.
Vordering voortzetting huur door kind na overlijden ouder op grond van artikel 7:268 lid 2 BW toegewezen. Beroep van verhuurder op overschrijding van de termijn van artikel 7:268 lid 2 BW is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Sprake van gemeenschappel
Volwassen kind nog inwonend bij ouder. Medehuurderschap 7:268 afgewezen. Financiële verwevenheid niet gebleken, meer mantelzorg relatie.
Huur woonruimte. Vordering medebewoner tot voortzetting van huur na overlijden huurder afgewezen. Medebewoner komt niet in aanmerking van huisvestingsvergunning. Beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Huur woonwagenstandplaats. Vordering medebewoner tot voortzetting van de huur na overlijden huurder toegewezen.
Bijzondere overeenkomst, huurrecht, overige huurrecht.
Vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat gedaagde een vordering tot voortzetting van de huur ex art 7:268 lid 2 BW heeft ingediend en niet voldoende aannemelijk is dat die vordering door de bodemrechter zal worden afgewezen.
art. 7:268 lid 2 BW. Voortzetting huur door zoon na overlijden moeder. Geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De vordering wordt afgewezen.
Kort geding. Inwonende zoon bij moeder. Ontruiming afgewezen. De termijn ex art. 7:268 lid 2 BW voor de zoon om een vordering in te stellen is nog niet verstreken.
Huur; voortzetting huurovereenkomst artikel 7:268 BW; duurzame gemeenschappelijke huishouding?
Huur woonruimte. Wel onderhuur, maar geen huurbescherming na overlijden verhuurder. Huur naar aard van korte duur.
art. 7:268 lid 2 BW. Vordering tot ontruiming wordt afgewezen. Tussen moeder en zoon heeft een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaan. De zoon zet daarom de huur voort.
Afwijzing vordering tot opheffing blokkade van vermeend huurder op platform voor de verhuur van sociale huurwoningen door samenwerkende woningcorporaties. Bewindvoerder van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit artikel 1:441 BW volgt dat de bewindvoerder de onderbewindgest
7:268 BW: vordering voortzetting huur door kleindochter afgewezen. Gemeenschappelijke huishouding niet duurzuum. Subsidiair beroep op gedragscode voor verhuurders slaagt niet. Minderjarig kind.
Stichting Welbions heeft in 1989 een woning verhuurd aan vader van gedaagde. De moeder van gedaagde heeft tot poging gedaan om de gedaagde als medeverhuurder aan te stellen, maar dit verzoek is afgewezen door Welbions. Nadat beide ouders zijn overleden, is gedaagde in de woning b
toekennen huurrrecht na overlijden hoofdhuurder, hoofdverblijf, duurzame gemeenschappelijke huishouding