Huur woonruimte; verzoek tot medehuurderschap (art. 7:267 BW) althans tot voortzetting voor onbepaalde tijd op de voet van art. 7:268 lid 2 BW; gebrek aan belang door ontruiming krachtens kortgedingvonnis? Dat tenuitvoerlegging kortgedingvonnis gevolgen heeft die bezwaarlijk onge
Burgerlijk Wetboek
Art. 7:268 BW
Genoemd in 375 uitspraken · Officiële wettekst
375 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Huurrecht. Overeengekomen voortgezet gebruik door kinderen van wijlen huurster. Huurovereenkomst? Alsgeheeltoets. Ingebruikgeving tegen tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW? Vaststellingsovereenkomst.
Huurrecht woonruimte, huurvoortzetting samenwoner na overlijden huurder, vereisten art. 7:268 lid 2 en 3 BW (hoofdverblijf, duurzame gemeenschappelijke huishouding en waarborg behoorlijke nakoming huur). Aanvullende conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:134
Huurrecht woonruimte. Voortzetting huur door samenwoner na overlijden huurder; duurzame gemeenschappelijke huishouding, art. 7:268 lid 2 BW. Omstandigheden van het geval in onderling verband. Met ouder(s) samenlevend, zelfstandig kind voert slechts onder bijzondere omstandigheden
Huur woonruimte. Spoed kort geding. Anders dan de kantonrechter, wijst het hof de vordering tot ontruiming af. Het is aan de bodemrechter om te beslissen of aan alle vereisten voor voortzetting van de huurovereenkomst is voldaan, waarbij de wet voorschrijft dat de huur wordt voor
Huurrecht. Procesrecht. Voortzetting van huur door samenwoner na overlijden huurder (art. 7:268 BW). Vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg bieden (art. 7:268 lid 3 sub b BW). Financiële verwevenheid en gemeenschappelijke huishouding. Stelplicht en bewijslast. Gerechtelij
Huur woonruimte. Vordering tot voortzetting huurovereenkomst na overlijden van de huurder. Dat de huurder voor zijn overlijden in een verpleegtehuis was opgenomen, staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg.
Geen medehuurderschap ex art. 7:267 BW; vordering tot voortzetting van de huur na overlijden van de huurder is te laat ingesteld; het beroep van de verhuurder op de vervaltermijn van artikel 7:268 lid 2 BW is in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaar
Huurecht woonruimte; procesrecht. Voorzetting huur door samenwoner (kleinzoon) ex art. 7:268 lid 2 BW na overlijden huurder (grootvader); toets gemeenschappelijke huishouding en duurzaamheid. Belang in cassatie.
Huurovereenkomst, voortzetten na overlijden.
Vordering 7:268 lid 2 BW, kleinzoon voerde duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn opa en biedt ook voldoende waarborg voor behoorlijke nakoming van de huur. Vordering in conventie toegewezen. Afwijzing vordering tot ontruiming in reconventie.
art. 7:231, lid 2 BW; sluiting van huurpand door burgemeester; buitengerechtelijke ontbinding; belangenafweging huurder/verhuurder; art. 8 EVRM; schadevergoeding voor verhuurder wegens niet kunnen verhuren voor hogere prijs gedurende de sluiting afgewezen
Huur; ontbinding?; voortzetting huur op grond van 7:268 lid 2 BW; verzoek niet binnen zes maanden
kort geding; uitstel mondelinge behandeling; geen voortzetting huurovereenkomst
kort geding; ontruiming woning toegewezen; in de seniorenwoning van zijn overleden vader achtergebleven meerderjarige zoon; geen medehuurder; geen vordering ex art. 7:268 lid 2 BW ingesteld; geen rechtsverwerking; belangenafweging; langere ontruimingstermijn
Achterblijvend kind wil na overlijden ouder huur voortzetten, kiest expliciet voor de route via 7:267 BW, vordering tot vaststelling medehuurderschap via route 7:267 BW niet ontvankelijk, want geen gezamenlijk verzoek aangezien ouder reeds was overleden.
Kort geding. Huur woonruimte. Verstek. Gevorderde ontruiming niet ongegrond of onrechtmatig. Voortzetting na overlijden huurder op grond van 7:268 lid 2 BW niet aannemelijk. Feitelijk gebruiker van gehuurde moet zijn eigendommen ontruimen. Overweging m.b.t. ontruimingsverplichtin
Toewijzing van een vordering tot ontruiming van een sociale huurwoning. De verhuurder heeft deze woning aan de moeder van gedaagde verhuurd, maar zij is inmiddels overleden. Gedaagde woont nog in de woning maar heeft geen recht op voortzetting van de huur. De verhuurder heeft eer
Kort geding. Geen recht op voortzetting van de huur gedurende de eerste zes maanden ex artikel 7:268 lid 2 BW. Geen hoofdverblijf en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding.
huur woonruimte - overlijden huurder - medehuur - huurovereenkomst ten onrechte voortgezet - betaling huurachterstand artikel 7:268 lid 5 BW - ontruiming
huur woonruimte; recht op medehuurderschap; bejaarde vader wordt verzorgd door zoon; zoon woonde ook al bij de ouders toen vader nog geen zorg nodig had; wel ‘uitgevlogen’ maar op zeer jonge leeftijd al weer teruggekeerd
Verzoek medehuurderschap, duurzaam gemeenschappelijke huishouding
Kort geding verblijf zonder recht of titel, de kantonrechter concludeert dat er een huwelijk tot stand is gekomen maar dat er geen affectieve relatie bestond tussen huurder en gedaagde. Gedaagde had geen hoofdverblijf in de woning.
Vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat gedaagde een vordering tot voortzetting van de huur ex art 7:268 lid 2 BW heeft ingediend en niet voldoende aannemelijk is dat die vordering door de bodemrechter zal worden afgewezen.
Kort geding. Inwonende zoon bij moeder. Ontruiming afgewezen. De termijn ex art. 7:268 lid 2 BW voor de zoon om een vordering in te stellen is nog niet verstreken.