Erfrecht. Afwikkeling nalatenschap. Vele jaren na het overlijden van erflaatster is een geschil ontstaan over de uitkering van legaten en over de afbetaling van een door erflaatster aan één van de erfgenamen verstrekte geldlening. Verjaring, redelijkheid en billijkheid.
Burgerlijk Wetboek
Art. 4:125 BW
Genoemd in 22 uitspraken · Officiële wettekst
22 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Toewijzing vordering afgifte legaat onder voldoening/zekerheidsstelling bedrag oplegging. Legaat geen schuld van de vennootschap als bedoeld in artikel 4:202 BW indien het negatieve saldo van de nalatenschap wordt veroorzaakt door overlegatering
Terugvordering in verband met aanspraak op een erfenis rechtspraak ten aanzien van. Aanspraak op erfenis geldt ook voor legaat. Datum aanspraak niet anders vast te stellen.
Uitleg testament. Legaat zoon is niet direct geheel opeisbaar. Eindvonnis na ECLI:NL:OGEAC:2025:15
Erfrecht. Uitleg testament. Legaat.
Uitkering legaat bij wege van voorschot.
Uitleg testament. Wanneer is legaat zoon opeisbaar?
Erfrecht. Keuzelegaat tegen inbreng waarde en legaat vruchtgebruik. Vorderingen tot voldoening aan inbrengverplichting. Vruchtgebruik staat aan opeisbaarheid in de weg. Geen verplichting tot zekerheidstelling. Vrijheid in belegging gelden die tot vruchtgebruik behoren. Afwijzing
Erfrecht. Geschil tussen een erfgenaam en de vereffenaar over onder andere de aanvaarding en de uitleg van een legaat. Art. 4:201 BW, 4:223 BW.
erfrecht, verdeling, art. 4:125 lid 2 BW analoog toegepast bij (sub) legaat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar deelgenoot te houden aan 18 jaar geleden opgemaakte taxatie.
Erfrecht. Erflater heeft bij testament zijn echtgenote benoemd tot erfgenaam en executeur. Aan de twee zoons uit zijn eerste huwelijk heeft hij zijn aandeel in een woonhuis en een recreatiewoning gelegateerd, onder bezwaar van een recht van vruchtgebruik op de onroerende zaken te
Procesrecht. Erfrecht. Cassatieberoep tegen uitspraak kantonrechter (art. 80 RO). Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beslissing op verzet tegen uitdelingslijst in vereffening nalatenschap (art. 4:218 BW jo 187 Fw). Verhouding verzet en gewone procedure ex art. 4:223 lid 2 BW.
Erfrecht. Testeervrijheid. Afgifte van legaat van woning die aan erflaatster slechts voor een onverdeeld aandeel in een bijzondere (huwelijks)gemeenschap toebehoort, tegen inbreng van WOZ-waarde. Geen onevenredig grote opoffering als bedoeld in artikel 4:49 BW. Ook geen hogere ve
Tussenvonnis. Afwikkeling nalatenschappen ouders. Geen rechtsverwerking. Hoort pand waar zoon al jaren woont tot nalatenschap vader? Economische eigendom door vader overgedragen? Leveringsverplichting erfgenamen? Investeringen in het pand.
Executiegeschil. Partijen zijn broer en zus van elkaar. Hun moeder is overleden. De dochter, aan wie een legaat is nagelaten, heeft de grosse van het testament ten laste van haar broer (executeur en enig erfgenaam) tenuitvoergelegd. Daarbij is derdenbeslag gelegd onder de bank me
In het besluit van 22 augustus 2019 (primaire besluit) heeft het college uitkering op grond van de Participatiewet van eiser teruggevorderd.
vordering uitkeren legaat onder testamentair bewind. Verweer dat legaat reeds voorafgaande aan het overlijden van erflater is betaald verworpen.
vruchtgebruik gelegateerde goederen. Opeisbaarheid legaat, art. 4:124 BW. Tijdsbepaling voor afgifte in legaat is geen tijdsbepaling in zin van art. 6:38 BW
Erfrecht. Verzoek wijziging legaat ex art. 4:123 BW. Verzoek ex 4:5 BW tot betaling in termijnen.
Erfrechtelijk geschil tussen twee zusters. Aan één van de zusters door moeder legaat toegekend ter grootte van haar legitieme portie. Omvang legitieme portie? Inbrengverplichting andere zuster? Beroep op nakoming natuurlijke verbintenis verworpen. Verder: bewijslevering.
Erfrecht. Keuzelegaat. Uitspraak die in de plaats treedt van de tot levering van registergoede-ren bestemde akte (3:300 lid 2 BW), ontvankelijkheid cassatieberoep, overgangsrecht, uitleg testament, aan legaat verbonden tijdsbepaling geen afzonderlijke verplichting; 81 RO
[appellant] heeft vanaf medio 1995 samengewoond met erflater, tot diens overlijden op 30 september 1997. [geïntimeerde] c.s. zijn de twee zoons van erflater en van diens eerder (op 9 maart 1980) overleden echtgenote [naam]. Erflater heeft op 21 april 1995 een testament doen opmak