Conclusie van raadsheer advocaat-generaal De Bock over het verhalen van kosten door het UWV op een garantsteller in het geval dat een werkgever-eigenrisicodrager failliet is verklaard. De raadsheer advocaat-generaal stelt voorop dat voor verhaal op de garantsteller niet is vereis
Burgerlijk Wetboek
Art. 3:279 BW
Genoemd in 14 uitspraken · Officiële wettekst
14 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Artikel 21 lid 2 IW 1990 heeft alleen betrekking op de verhouding tussen préfaillissementsvorderingen onderling, alsmede op boedelvorderingen onderling. Dit artikel geldt dus niet voor de verhouding tussen het fiscale voorrecht terzake van een préfaillissementsvordering enerzijds
Verbintenissenrecht, beslag. Lossingsrecht ex art. 3:269 BW is niet van overeenkomstige toepassing in geval van executoriale verkoop van onroerende zaken als geregeld in art. 514-529 Rv.
Verdeling van de opbrengst van door een pandhouder verkocht deel van inboedels in Nederland en in Zwitserland. Curator in het faillissement van de pandgever claimt de opbrengst i.v.m. een fiscaal bodemrecht op de beide woningen. Een man heeft aan zijn partner een pandrecht verlee
Prejudiciële beslissing, art. 392 Rv. Uitleg art. 241c lid 2 Fw. Geldt deze bepaling mede ten behoeve van houder van stil pandrecht op aan schuldenaar toebehorende zaak? Verschil met HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7451, NJ 2009/92 (Singulus/Nemox). Strekking van art. 241c
Schepelingenvoorrecht. Concordantiebeginsel. Zeevarenden vorderen schadevergoeding omdat de werkgever niet heeft voldaan aan de uit de zee-arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichting om zorg te dragen voor een (pre)pensioenvoorziening. Vallen deze vorderingen onder bereik v
Faillissementsrecht, goederenrecht. Art. 39 en 57 lid 3 Fw. Valt boedelvordering verhuurder uit voortgezette huur onder diens pandrecht? Positie boedelvordering ten opzichte van faillissementsvordering. Separatistpositie pandhouder in verband met salaris curator (art. 57 lid 1 en
Pandrecht; artt. 3:227 BW en 3:278 lid 1 jo. 3:279 BW. Geen sprake van lossing of oneigenlijke lossing. Vaststelling waarde verpande roerende zaken. onverschuldigde betaling.
Korte samenvatting: Prejudiciële vraag aan de Hoge Raad. Een stil pandhouder vraagt om afgifte van verpande zaken nadat surséance van betaling is verleend aan de pandgever, maar afgifte wordt geweigerd i.v.m. een afkoelingsperiode. Binnen die periode wordt de pandgever failliet v
-
-
-
-
-