Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht; procesrecht. Begrip belanghebbende in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv en art. 806 lid 1 Rv bij beëindiging van door ouders gezamenlijk uitgeoefend ouderlijk gezag (art. 1:266 BW). Mogelijkheid van principaal en incid
Burgerlijk Wetboek
Art. 1:267 BW
Genoemd in 104 uitspraken · Officiële wettekst
104 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Cassatie in belang der wet. Kan een perspectiefbesluit van de GI op grond van art. 1:262b BW aan de kinderrechter ter toetsing worden voorgelegd? Is hoger beroep en cassatie mogelijk?
Personen- en familierecht. Ouderlijk gezag. Beëindiging ouderlijk gezag voor duur van een jaar zonder dat een verzoek op de voet van art. 1:266-267 BW is ingediend. Biedt art. 1:253a BW daarvoor een grondslag?
Vordering tot cassatie in het belang der wet. Is de Gecertificeerde Instelling in een procedure tussen ouders over gezag en/of omgang belanghebbende?
Ambtshalve gezagsbeëindiging op de voet van artikel 1:266 BW na doorgeleiding beoordelingsvraag GI (artikel 1:267 lid 2 BW). GI niet gelijk te stellen aan verzoeker, GI geen belanghebbende. Gbm bekrachtigd.
Verzoek eenhoofdig gezag door beide ouders die belast zijn met gezamenlijk gezag. Rb heeft gezamenlijk gezag over de kinderen voor één jaar beëindigd. In een latere beschikking heeft Rb vader belast met gezag over zoon en moeder met gezag over dochter. Hof: bekrachtigt beschikki
Geschil tussen biologische (draag)ouders en wensouders. Biologische ouders hebben 5 maanden na de geboorte van het kind afgifte van het kind gevraagd aan de wensouders. Bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, de wensouders dienen het kind af te staan aan de biologische oud
Gezagsbeëindiging. De Raad heeft onderzoek gedaan en besloten geen verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader te doen. De GI is het hier niet mee eens en heeft de Raad op grond van artikel 1:267 lid 2 BW verzocht de rechter om een oordeel te vragen of een beëindiging van
Provo- schorsing gezag afgewezen, geen wettelijke grondslag. Zorgregeling + informatieregeling + raadsonderzoek
De rechtbank acht de beëindiging van het gezag op grond van artikel 1:266 lid 1 sub a BW en artikel 8 EVRM niet noodzakelijk en zal deze maatregel dan ook niet uitspreken.
De rechtbank onderschrijft de beslissing van de Raad dat geen gezagsbeëindigende maatregel moet volgen. In het belang van een veilige ontwikkeling van de minderjarigen zijn nog belangrijke stappen te zetten, met name in de samenwerking tussen de ouders en de GI maar ook tussen ou
Ambtshalve gezagsbeëindiging kind van bijna 18.
Beschikking meervoudige kamer: gezagsbeëindiging voor beide ouders - vader is niet betrokken - de situatie van de moeder is lange tijd niet stabiel: haar persoonlijke problematiek staat op de voorgrond, zij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, is met regelmaat slecht bereikb
Vanwege visieverschil tussen de GI en de Raad, doet de rechtbank uitspraak over de noodzaak tot een gezagsbeëindiging en gaat ambtshalve daartoe over (art. 1:267 en 1:266 BW). Ondanks dat de ouders zich erin lijken te berusten dat het perspectief van de minderjarigen bij de pleeg
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en over de noodzaak van gezagsbeëindiging.
Ambtshalve beëindiging van het gezag van de moeder op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW. De rechtbank is na toetsing aan artikel 1:266, eerste lid, BW en artikel 8 EVRM van oordeel dat de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is.
Verzoek GI ex art. 1:267 lid 2 BW jo art. 1:266 lid 1 BW. GI en de Raad verschillen van mening over de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel voor beide ouders op zijn plaats is. De rechtbank beëindigt het gezag van de ouders. De aanvaardbare termijn is verstreken. Minderjarig
De Raad verzoekt de rechtbank op grond van artikel 1:267, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) om te beoordelen of beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige noodzakelijk is. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat het gezag van de moeder beëin
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij
Ambtshalve beëindiging van het gezag (artikel 1:267 lid 2 BW). Beëindiging van het gezag vormt een gerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM.
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij De Raad verzoekt op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarige noodzakelijk is. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat de Raad na
Meervoudige kamer over beeindiging gezag van de moeder op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (1:266 BW en 8 EVRM). Het oordeel van de rechtbank wordt gevraagd over de noodzaak om ook het gezag van vader te beeindigen (1:267 lid 2 BW). De rechtbank beeindigt ook het gez
Oordeel rb noodzaak gezagsbeëindigende maatregel. Raad en GI kennen tegenstrijdige visies.
Beëindiging ouderlijk gezag, artikel 1:267 lid 2 BW
Artikel 1: 267 lid 2 -BW Ambtshalve gezag van de moeder. Voldaan aan eisen van zowel artikel 1:266 lid 1 BW als artikel 8 EVRM.