Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3715
2026-08-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/17/203198 / FA RK 25-2946
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gezagsbeëindiging. De Raad heeft onderzoek gedaan en besloten geen verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader te doen. De GI is het hier niet mee eens en heeft de Raad op grond van artikel 1:267 lid 2 BW verzocht de rechter om een oordeel te vragen of een beëindiging van het gezag noodzakelijk is.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.088 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/258338 / FA RK 26/4264
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,Regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:[moeder],hierna te noemen de moeder,wonende in [woonplaats] ,[vader],hierna te noemen de vader,wonende in [woonplaats] ,William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI (gecertificeerde instelling),
gevestigd te Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank heeft op 19 juni 2026 een brief van de Raad ontvangen, met daarbij zijn rapport van 15 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting met gesloten deuren 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door mr. P. Rijnsburger;
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] en [naam 3] , namens de GI.
1.3.
De moeder is opgeroepen voor de zitting, maar zij is niet verschenen.
1.4.
Mr. Rijnsburger heeft mede aan de hand van een pleitnota het woord gevoerd.
1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening te geven. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
In april 2024 heeft de vader aan de rechtbank verzocht om uit het gezag over [minderjarige] te worden gezet. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
2.3.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI sinds 14 september 2016 en de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd. Bij beschikking van 26 augustus 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor het laatst verlengd tot 14 september 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 april 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 september 2026.
2.5.
Het is niet altijd bekend waar [minderjarige] op dit moment verblijft. Hij heeft momenteel een kamer ter beschikking in een hotel met begeleiding via Ontzorgt.
2.6.
De GI heeft de Raad op 6 oktober 2025 verzocht om onderzoek te doen naar de noodzaak van het beëindigen van het gezag van de vader.
2.7.
De Raad heeft onderzoek gedaan en besloten geen verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader te doen. De GI heeft de Raad bij brief van 10 juni 2026 op grond van artikel 1:267 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht de rechter om een oordeel te vragen of een beëindiging van het gezag noodzakelijk is. Dit heeft de Raad gedaan bij zijn brief van 19 juni 2026 (door de rechtbank ontvangen op 25 juni 2026).
3De standpunten
3.1.
De Raad heeft de rechtbank op grond van artikel 1:267 lid 2 BW gevraagd te beoordelen of beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader moet volgen.
3.2.
De GI is het niet eens met de beslissing van de Raad om geen verzoek in te dienen om het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen. De GI heeft naar voren gebracht dat de vader veel onrust ervaart van het gezag over [minderjarige] . Het kost de vader moeite om telkens zijn handtekening te zetten, het lukt niet om op structurele basis contact met [minderjarige] te onderhouden en de vader vindt dat hij onvoldoende wordt betrokken bij de keuzes die gemaakt worden over [minderjarige] . Al een aantal jaren hebben zowel de vader als [minderjarige] de wens dat het gezag van de vader wordt beëindigd. De kwetsbare relatie tussen de vader en [minderjarige] staat hierdoor onder druk en de GI verwacht dat door beëindiging van het gezag meer rust en ruimte ontstaat om deze relatie te verbeteren. Het is voor de GI duidelijk dat [minderjarige] niet bij zijn vader kan wonen.
3.3.
Uit het raadsrapport blijkt dat de Raad zich zorgen maakt over [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbare jongen die vooral voor zichzelf meent te moeten zorgen. Hij zwerft rond, gaat al jaren niet naar school en is betrokken bij criminele activiteiten (waaronder in ieder geval wapenbezit) en er is sprake van middelengebruik. Het lukt beide ouders niet om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft, met name omdat zij niet met elkaar kunnen communiceren over wat zij voor [minderjarige] kunnen betekenen. Ook de jarenlange ondertoezichtstelling en uithuisplaatsingen hebben [minderjarige] geen veiligheid kunnen bieden. Desondanks ziet de Raad geen reden voor een gezagsbeëindiging van de vader. De Raad benadrukt dat in het belang van [minderjarige] is dat zijn beide ouders verantwoordelijk zijn en blijven. Weliswaar heeft de vader in het verleden moeite gehad om zijn toestemming te geven, maar tot nu toe zijn alle belangrijke beslissingen door de ouders genomen. Dat de ouders op dit moment op afstand zijn van [minderjarige] , betekent niet dat zij niet betrokken kunnen zijn. Beëindiging van het gezag kan [minderjarige] het gevoel geven dat zijn vader zijn handen van hem aftrekt en dat is niet wenselijk. De Raad is van mening dat de ondertoezichtstelling de maatregel is die het meest tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] .
3.4.
De vader heeft benadrukt dat er veel is gebeurd in het leven van [minderjarige] . De vader heeft al lange tijd zorgen over [minderjarige] en hij heeft er alles aan gedaan om deze zorgen kenbaar te maken aan de GI en andere betrokken hulpverlening. Volgens hem wordt al jaren niet naar hem geluisterd, waardoor onvoldoende is ingegrepen en [minderjarige] steeds verder is afgegleden. Dat de vader is belast met het ouderlijk gezag zorgt voor veel spanningen bij hem. Door het gezag is hij verantwoordelijk, terwijl hij niet het gevoel heeft dat hij daadwerkelijk betrokken wordt en invloed kan uitoefenen. Een opeenstapeling van frustraties heeft ertoe geleid dat de emoties bij de vader hoog zijn opgelopen als het over [minderjarige] gaat. De vader wil dat het gezag wordt beëindigd en hoopt dat daardoor meer rust ontstaat.
4De beoordeling
4.1.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
4.2.
Op grond van artikel 1:267 lid 1 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de Raad of het openbaar ministerie. In dit geval heeft de GI de Raad gevraagd onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de vader. Omdat de Raad geen verzoek tot gezagsbeëindiging heeft ingediend, heeft de GI op grond van artikel 1:267 lid 2 BW de Raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. Als de rechtbank tot dat oordeel komt, kan zij de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.
4.3.
Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Op grond van artikel 8 EVRM moeten de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Als het doel van een gezagsbeëindiging met een lichtere maatregel kan worden bereikt, dan moet deze verkozen worden boven de zwaardere maatregel. Bovendien moet de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.
4.4.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten bij het nemen van een beslissing tot gezagsbeëindiging de belangen van het kind voorop staan.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is het duidelijk dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. In de meest recente beschikkingen van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn de zorgen over [minderjarige] vastgesteld. Het recente onderzoek van de Raad heeft bevestigd dat de ernstige ontwikkelingsbedreigingen nog steeds aanwezig zijn.
4.6.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen binnen een voor [minderjarige] aanvaarbare termijn. De onderlinge relatie tussen alle betrokkenen staat al lange tijd onder druk. Hoewel gezagsbeslissingen uiteindelijk niet worden tegengehouden door de vader, is wel gebleken dat de vader absoluut geen vertrouwen heeft in de moeder en de GI en niet met hen wil samenwerken. De ondertoezichtstelling die nu al jarenlang voortduurt heeft niet gezorgd voor een verbetering op dit vlak. De vader stelt al lange tijd dat niet naar hem wordt geluisterd en dat hij onvoldoende wordt betrokken bij [minderjarige] . Hij heeft het gevoel dat hij wordt belemmerd en daardoor niet zijn verantwoordelijkheid kan nemen. Dit zorgt voor frustraties en emoties bij de vader, waardoor zijn wantrouwen in de GI en de moeder almaar toeneemt en de samenwerking is vastgelopen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te verwachten dat de samenwerking binnen afzienbare tijd zal verbeteren.
4.7.
De huidige situatie waarin de vader is belast met het gezag zet bovendien de onderlinge relatie tussen de vader en [minderjarige] onder druk. De zorgen over [minderjarige] zijn ernstig. Hij bevindt zich in een kwetsbare positie zonder vast verblijfadres, gebruikt middelen en gaat om met (oudere) vrienden die niet het beste met hem voor hebben. Door deze kwetsbare positie is zijn gedrag onvoorspelbaar. Bovendien maakt hij misbruik van de onrust die er is tussen de volwassenen. [minderjarige] vindt dat zijn vader alles voor hem moet doen als gezaghebbende ouder. Zo komt hij op onverwachte tijden bij de vader aan de deur om te douchen of als hij geld nodig heeft. Dit betekent dat de relatie tussen [minderjarige] en de vader extra onder druk staat door de rol en positie die de vader heeft als ouder met gezag. De rechtbank verwacht dat het beëindigen van het gezag van de vader kan bijdragen aan het creëren van duidelijkheid, rust en ruimte bij zowel de vader als [minderjarige] .
4.8.
De rechtbank oordeelt dat het belang van [minderjarige] vergt dat het gezag van de vader beëindigd wordt en dat een gezagsbeëindiging in dit geval proportioneel is en voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM. De rechtbank zal daarom ambtshalve het gezag van de vader beëindigen. Het voorgaande neemt niet weg dat de vader een belangrijke persoon in het leven van [minderjarige] blijft. Het is belangrijk dat [minderjarige] op een positieve en constructieve wijze contact met zijn vader kan hebben en hier moet nog steeds op ingezet worden.
4.9.
Er ontstaat geen gezagsvacuüm als het gezag van de vader wordt beëindigd. De moeder behoudt immers het gezag. Ook de ondertoezichtstelling blijft bestaan.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
beëindigt het gezag van [vader] , geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] , over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Zetstra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. W. Schoo en mr. M. Koster, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026, in aanwezigheid van de griffier.
c: 1216
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/258338 / FA RK 26/4264
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,Regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:[moeder],hierna te noemen de moeder,wonende in [woonplaats] ,[vader],hierna te noemen de vader,wonende in [woonplaats] ,William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI (gecertificeerde instelling),
gevestigd te Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank heeft op 19 juni 2026 een brief van de Raad ontvangen, met daarbij zijn rapport van 15 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting met gesloten deuren 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door mr. P. Rijnsburger;
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] en [naam 3] , namens de GI.
1.3.
De moeder is opgeroepen voor de zitting, maar zij is niet verschenen.
1.4.
Mr. Rijnsburger heeft mede aan de hand van een pleitnota het woord gevoerd.
1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening te geven. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
In april 2024 heeft de vader aan de rechtbank verzocht om uit het gezag over [minderjarige] te worden gezet. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
2.3.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI sinds 14 september 2016 en de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd. Bij beschikking van 26 augustus 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor het laatst verlengd tot 14 september 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 april 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 september 2026.
2.5.
Het is niet altijd bekend waar [minderjarige] op dit moment verblijft. Hij heeft momenteel een kamer ter beschikking in een hotel met begeleiding via Ontzorgt.
2.6.
De GI heeft de Raad op 6 oktober 2025 verzocht om onderzoek te doen naar de noodzaak van het beëindigen van het gezag van de vader.
2.7.
De Raad heeft onderzoek gedaan en besloten geen verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader te doen. De GI heeft de Raad bij brief van 10 juni 2026 op grond van artikel 1:267 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht de rechter om een oordeel te vragen of een beëindiging van het gezag noodzakelijk is. Dit heeft de Raad gedaan bij zijn brief van 19 juni 2026 (door de rechtbank ontvangen op 25 juni 2026).
3De standpunten
3.1.
De Raad heeft de rechtbank op grond van artikel 1:267 lid 2 BW gevraagd te beoordelen of beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader moet volgen.
3.2.
De GI is het niet eens met de beslissing van de Raad om geen verzoek in te dienen om het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen. De GI heeft naar voren gebracht dat de vader veel onrust ervaart van het gezag over [minderjarige] . Het kost de vader moeite om telkens zijn handtekening te zetten, het lukt niet om op structurele basis contact met [minderjarige] te onderhouden en de vader vindt dat hij onvoldoende wordt betrokken bij de keuzes die gemaakt worden over [minderjarige] . Al een aantal jaren hebben zowel de vader als [minderjarige] de wens dat het gezag van de vader wordt beëindigd. De kwetsbare relatie tussen de vader en [minderjarige] staat hierdoor onder druk en de GI verwacht dat door beëindiging van het gezag meer rust en ruimte ontstaat om deze relatie te verbeteren. Het is voor de GI duidelijk dat [minderjarige] niet bij zijn vader kan wonen.
3.3.
Uit het raadsrapport blijkt dat de Raad zich zorgen maakt over [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbare jongen die vooral voor zichzelf meent te moeten zorgen. Hij zwerft rond, gaat al jaren niet naar school en is betrokken bij criminele activiteiten (waaronder in ieder geval wapenbezit) en er is sprake van middelengebruik. Het lukt beide ouders niet om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft, met name omdat zij niet met elkaar kunnen communiceren over wat zij voor [minderjarige] kunnen betekenen. Ook de jarenlange ondertoezichtstelling en uithuisplaatsingen hebben [minderjarige] geen veiligheid kunnen bieden. Desondanks ziet de Raad geen reden voor een gezagsbeëindiging van de vader. De Raad benadrukt dat in het belang van [minderjarige] is dat zijn beide ouders verantwoordelijk zijn en blijven. Weliswaar heeft de vader in het verleden moeite gehad om zijn toestemming te geven, maar tot nu toe zijn alle belangrijke beslissingen door de ouders genomen. Dat de ouders op dit moment op afstand zijn van [minderjarige] , betekent niet dat zij niet betrokken kunnen zijn. Beëindiging van het gezag kan [minderjarige] het gevoel geven dat zijn vader zijn handen van hem aftrekt en dat is niet wenselijk. De Raad is van mening dat de ondertoezichtstelling de maatregel is die het meest tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] .
3.4.
De vader heeft benadrukt dat er veel is gebeurd in het leven van [minderjarige] . De vader heeft al lange tijd zorgen over [minderjarige] en hij heeft er alles aan gedaan om deze zorgen kenbaar te maken aan de GI en andere betrokken hulpverlening. Volgens hem wordt al jaren niet naar hem geluisterd, waardoor onvoldoende is ingegrepen en [minderjarige] steeds verder is afgegleden. Dat de vader is belast met het ouderlijk gezag zorgt voor veel spanningen bij hem. Door het gezag is hij verantwoordelijk, terwijl hij niet het gevoel heeft dat hij daadwerkelijk betrokken wordt en invloed kan uitoefenen. Een opeenstapeling van frustraties heeft ertoe geleid dat de emoties bij de vader hoog zijn opgelopen als het over [minderjarige] gaat. De vader wil dat het gezag wordt beëindigd en hoopt dat daardoor meer rust ontstaat.
4De beoordeling
4.1.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
4.2.
Op grond van artikel 1:267 lid 1 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de Raad of het openbaar ministerie. In dit geval heeft de GI de Raad gevraagd onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de vader. Omdat de Raad geen verzoek tot gezagsbeëindiging heeft ingediend, heeft de GI op grond van artikel 1:267 lid 2 BW de Raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. Als de rechtbank tot dat oordeel komt, kan zij de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.
4.3.
Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Op grond van artikel 8 EVRM moeten de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Als het doel van een gezagsbeëindiging met een lichtere maatregel kan worden bereikt, dan moet deze verkozen worden boven de zwaardere maatregel. Bovendien moet de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.
4.4.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten bij het nemen van een beslissing tot gezagsbeëindiging de belangen van het kind voorop staan.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is het duidelijk dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. In de meest recente beschikkingen van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn de zorgen over [minderjarige] vastgesteld. Het recente onderzoek van de Raad heeft bevestigd dat de ernstige ontwikkelingsbedreigingen nog steeds aanwezig zijn.
4.6.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen binnen een voor [minderjarige] aanvaarbare termijn. De onderlinge relatie tussen alle betrokkenen staat al lange tijd onder druk. Hoewel gezagsbeslissingen uiteindelijk niet worden tegengehouden door de vader, is wel gebleken dat de vader absoluut geen vertrouwen heeft in de moeder en de GI en niet met hen wil samenwerken. De ondertoezichtstelling die nu al jarenlang voortduurt heeft niet gezorgd voor een verbetering op dit vlak. De vader stelt al lange tijd dat niet naar hem wordt geluisterd en dat hij onvoldoende wordt betrokken bij [minderjarige] . Hij heeft het gevoel dat hij wordt belemmerd en daardoor niet zijn verantwoordelijkheid kan nemen. Dit zorgt voor frustraties en emoties bij de vader, waardoor zijn wantrouwen in de GI en de moeder almaar toeneemt en de samenwerking is vastgelopen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te verwachten dat de samenwerking binnen afzienbare tijd zal verbeteren.
4.7.
De huidige situatie waarin de vader is belast met het gezag zet bovendien de onderlinge relatie tussen de vader en [minderjarige] onder druk. De zorgen over [minderjarige] zijn ernstig. Hij bevindt zich in een kwetsbare positie zonder vast verblijfadres, gebruikt middelen en gaat om met (oudere) vrienden die niet het beste met hem voor hebben. Door deze kwetsbare positie is zijn gedrag onvoorspelbaar. Bovendien maakt hij misbruik van de onrust die er is tussen de volwassenen. [minderjarige] vindt dat zijn vader alles voor hem moet doen als gezaghebbende ouder. Zo komt hij op onverwachte tijden bij de vader aan de deur om te douchen of als hij geld nodig heeft. Dit betekent dat de relatie tussen [minderjarige] en de vader extra onder druk staat door de rol en positie die de vader heeft als ouder met gezag. De rechtbank verwacht dat het beëindigen van het gezag van de vader kan bijdragen aan het creëren van duidelijkheid, rust en ruimte bij zowel de vader als [minderjarige] .
4.8.
De rechtbank oordeelt dat het belang van [minderjarige] vergt dat het gezag van de vader beëindigd wordt en dat een gezagsbeëindiging in dit geval proportioneel is en voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM. De rechtbank zal daarom ambtshalve het gezag van de vader beëindigen. Het voorgaande neemt niet weg dat de vader een belangrijke persoon in het leven van [minderjarige] blijft. Het is belangrijk dat [minderjarige] op een positieve en constructieve wijze contact met zijn vader kan hebben en hier moet nog steeds op ingezet worden.
4.9.
Er ontstaat geen gezagsvacuüm als het gezag van de vader wordt beëindigd. De moeder behoudt immers het gezag. Ook de ondertoezichtstelling blijft bestaan.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
beëindigt het gezag van [vader] , geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] , over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Zetstra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. W. Schoo en mr. M. Koster, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026, in aanwezigheid van de griffier.
c: 1216
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.