Gemeente heeft eigenaar van pand aangeschreven om binnen acht weken met werkzaamheden te beginnen en deze dan binnen acht weken te voltooien. Vijf dwangsommen zijn (binnen zes maanden) verjaard, maar tellen wel mee voor het bereiken van het maximum.
Algemene wet bestuursrecht
Art. 5:35 Awb
Genoemd in 77 uitspraken · Officiële wettekst
77 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 3 · live
Verzet, dwangsom, dwangsombeschikking, verjaring, geluidshinder.
Dexia-zaak
In verband met het bepaalde in art. 3:37 lid 3 BW kan slechts sprake zijn van stuitende werking indien de brieven [appellant] hebben bereikt of als het niet (tijdig) bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of v
Verzet tegen dwangbevel. Formele rechtskracht.
Verzet tegen dwangbevelen houdende verbeurde dwangsommen wegens niet-naleving van door een gemeente bij dwangsombeschikking opgelegde last tot herstel van een agrarisch perceel.
De aan appellante opgelegde last onder dwangsom strekt tot het beëindigen van een overtreding. In een dergelijk geval verbeurt de overtreder vanaf het moment dat de in de last onder dwangsom op te nemen begunstigingstermijn als bedoeld in artikel 5:32 Awb is verstreken, van recht
Een dwangbevel is geen vonnis zodat de in art. 230 Rv voor een vonnis geschreven vereisten niet gelden voor een dwangbevel. Dat een vonnis en een dwangbevel beide voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, maakt dat niet anders. Op zichzelf is juist dat tegen [appellant] nog twee ander
De conclusie is derhalve dat de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de dwangsommen over de periode van 1 november 2002 tot 1 februari 2003 is verjaard. Voor bewijslevering inzake de gestelde overtredingen is daarom geen plaats. Het vonnis van 16 februari 2005 dient, o
In deze procedure gaat het om de vraag of de Gemeente terecht een bedrag van in totaal € 13.613,40 aan verbeurde dwangsommen op [appellant] verhaalt. Het betreft overtredingen van activiteiten waarop het dwangsombesluit van 12 april 2000 een sanctie van € 4.537,80 per geconstatee
Dwangsommen tot in totaal € 22.689,01 (fl. 50.000,--) verbeurd aan de gemeente Midden-Drenthe. De termijnen van de sommen eindigen steeds na elkaar. De bevoegdheid tot invordering van de sommen vervalt voor iedere som/termijn steeds na een half jaar. Tenzij de gemeente binnen dat
18 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/279HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiseres 4], wonende te [woonplaats], 5. [Eiser 5]
Naar het oordeel van het hof zijn de verjaringstermijnen vervolgens na drie maanden wederom geschorst door de appeldagvaarding van 23 april 2002. Deze appeldagvaarding moet immers worden aangemerkt als een voortzetting van het verzet als bedoeld in artikel 5:26 lid 4 Awb. Anders
Ingevolge artikel 5:35 Awb verjaart de bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd, met dien verstande dat de verjaring wordt geschorst door ieder wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom. Deze ‘
Er zijn geen omstandigheden die meebrengen dat zich hier een bijzondere situatie voortdoet die de gemeente ertoe noopt af te zien van het vervolgen van de invordering. In het bijzonder kan de gestelde betalingsonmacht van De Kleijn niet daartoe leiden. Betalingsonmacht is immers
Het gaat in de onderhavige zaak om de vraag of de gemeente zich terecht op het standpunt stelt dat [appellant] dwangsommen heeft verbeurd tot een bedrag van f 7.400. De juistheid en rechtmatigheid van de last onder dwangsom als zodanig staan niet ter beoordeling, nu het daartegen
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang da
Op 29 april 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 9 april 2003 van de divisiemanager van Bureau Heffingen, namens de directeur van Bureau Heffingen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellante teg
Op 7 mei 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 16 april 2003 van de divisiemanager van Bureau Heffingen, namens de directeur van Bureau Heffingen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen h
Op 20 mei 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift, gedateerd op 18 mei 2003, ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van de divisiemanager van Bureau Heffingen, namens de directeur van Bureau Heffingen van 10 april 2003. Bij dit besluit is het
Op 28 juli 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 20 juni 2003 van de divisiemanager van Bureau Heffingen, namens de directeur van Bureau Heffingen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen
-
-
-
-