Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:3082
2025-07-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202502356/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2019:3600 Raad van State 23-10-2019
- ECLI:EU:C:1982:335
- ECLI:EU:C:2021:799
Geciteerd door (565)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28273 Rechtbank Den Haag 25-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5233 Raad van State 09-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5232 Raad van State 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25599 Rechtbank Den Haag 04-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24591 Rechtbank Den Haag 28-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19578 Rechtbank Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14825 Rechtbank Den Haag 03-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14813 Rechtbank Den Haag 03-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14658 Rechtbank Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14483 Rechtbank Den Haag 01-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13784 Rechtbank Den Haag 27-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13649 Rechtbank Den Haag 26-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13629 Rechtbank Den Haag 26-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13640 Rechtbank Den Haag 26-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13134 Rechtbank Den Haag 22-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12463 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12461 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12410 Rechtbank Den Haag 18-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11956 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11946 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11937 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11931 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11881 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15499 Rechtbank Den Haag 13-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11538 Rechtbank Den Haag 12-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11071 Rechtbank Den Haag 08-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11101 Rechtbank Den Haag 08-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10536 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10540 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12580 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10497 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10510 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10552 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10794 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10534 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10411 Rechtbank Den Haag 01-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10414 Rechtbank Den Haag 01-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10360 Rechtbank Den Haag 01-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10380 Rechtbank Den Haag 01-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12520 Rechtbank Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10263 Rechtbank Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10039 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9990 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10008 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10013 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10098 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10100 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10027 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10103 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10110 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10006 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9989 Rechtbank Den Haag 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14128 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15390 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9631 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9561 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9573 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9578 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9565 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15391 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (4.102 tekens)
202502356/1/V1.
Datum uitspraak: 10 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 2 april 2025 in zaak nr. NL24.43047 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in de enige grief over het oordeel van de rechtbank dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië (hierna: het moratorium) ook van toepassing is op aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken voordat het moratorium van kracht werd op 13 december 2024 (Stcrt. 2024, nr. 41538). Volgens appellant is deze toepassing van artikel 43 van de Vw 2000 in strijd met de bewoording en het doel van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.
1.1. De door appellant opgeworpen vraag heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3. Uit die uitspraak volgt het uitgangspunt dat een moratorium geldt voor alle vreemdelingen die onder het toepassingsbereik daarvan vallen en een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben lopen waarop de minister nog geen besluit heeft genomen. Dit uitgangspunt is niet in strijd met de Procedurerichtlijn. Uit de tekst van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn blijkt immers dat het mogelijk is om een besluit op een individuele aanvraag uit te stellen bij een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is en waardoor redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de beslissingsautoriteit een besluit neemt. Dit is overigens wel onder de voorwaarde dat de beslissingsautoriteit een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend van dat uitstel op de hoogte stelt. Bij het instellen van een besluitmoratorium gebeurt dit ook. Het besluit, dat van algemene strekking is, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. Vervolgens stelt de minister elke vreemdeling op wie het moratorium van toepassing is, daarvan individueel op de hoogte. Op die manier voldoet de minister aan de vereisten die de Procedurerichtlijn aan het uitstellen van individuele besluiten in situaties als deze stelt.
1.2. Gelet op de uitspraak van 23 oktober 2019, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat het moratorium ook van toepassing is op aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken voordat het moratorium werd ingesteld, waaronder de aanvraag van appellant. De grief slaagt niet.
1.3. Appellant heeft de Afdeling verzocht om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. Uit het voorgaande volgt dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025
1028
Datum uitspraak: 10 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 2 april 2025 in zaak nr. NL24.43047 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in de enige grief over het oordeel van de rechtbank dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië (hierna: het moratorium) ook van toepassing is op aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken voordat het moratorium van kracht werd op 13 december 2024 (Stcrt. 2024, nr. 41538). Volgens appellant is deze toepassing van artikel 43 van de Vw 2000 in strijd met de bewoording en het doel van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.
1.1. De door appellant opgeworpen vraag heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3. Uit die uitspraak volgt het uitgangspunt dat een moratorium geldt voor alle vreemdelingen die onder het toepassingsbereik daarvan vallen en een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben lopen waarop de minister nog geen besluit heeft genomen. Dit uitgangspunt is niet in strijd met de Procedurerichtlijn. Uit de tekst van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn blijkt immers dat het mogelijk is om een besluit op een individuele aanvraag uit te stellen bij een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is en waardoor redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de beslissingsautoriteit een besluit neemt. Dit is overigens wel onder de voorwaarde dat de beslissingsautoriteit een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend van dat uitstel op de hoogte stelt. Bij het instellen van een besluitmoratorium gebeurt dit ook. Het besluit, dat van algemene strekking is, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. Vervolgens stelt de minister elke vreemdeling op wie het moratorium van toepassing is, daarvan individueel op de hoogte. Op die manier voldoet de minister aan de vereisten die de Procedurerichtlijn aan het uitstellen van individuele besluiten in situaties als deze stelt.
1.2. Gelet op de uitspraak van 23 oktober 2019, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat het moratorium ook van toepassing is op aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken voordat het moratorium werd ingesteld, waaronder de aanvraag van appellant. De grief slaagt niet.
1.3. Appellant heeft de Afdeling verzocht om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. Uit het voorgaande volgt dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025
1028