Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:3041
2024-07-25
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202307017/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2024:3041 → ECLI:NL:RBDHA:2023:18691 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:2604 Raad van State 26-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.393 tekens)
202307017/1/V2.
Datum uitspraak: 25 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 november 2023 in zaak nr. NL23.17979 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2024, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.A. Visser, is verschenen. De vreemdeling is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaak nr. 202303430/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2024:2604).
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat de vreemdeling op 4 maart 2024 een vertrekverklaring heeft ondertekend waarmee hij verklaart ermee in te stemmen dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft laten weten dat de vreemdeling inmiddels is teruggekeerd naar Marokko. Daaruit leidt de Afdeling af dat de vreemdeling niet langer bescherming zoekt. Daarom heeft hij geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2024
307/897-1048
Datum uitspraak: 25 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 november 2023 in zaak nr. NL23.17979 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2024, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.A. Visser, is verschenen. De vreemdeling is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaak nr. 202303430/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2024:2604).
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat de vreemdeling op 4 maart 2024 een vertrekverklaring heeft ondertekend waarmee hij verklaart ermee in te stemmen dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft laten weten dat de vreemdeling inmiddels is teruggekeerd naar Marokko. Daaruit leidt de Afdeling af dat de vreemdeling niet langer bescherming zoekt. Daarom heeft hij geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2024
307/897-1048