Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:1653
2024-04-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202401408/1/V3 en 202401408/2/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:870 Raad van State 29-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2014:3164 Raad van State 14-08-2014
Geciteerd door (54)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27935 Rechtbank Den Haag 23-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27817 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23220 Rechtbank Den Haag 30-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23215 Rechtbank Den Haag 30-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23234 Rechtbank Den Haag 29-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18655 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16626 Rechtbank Den Haag 19-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16975 Rechtbank Den Haag 04-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17547 Rechtbank Den Haag 04-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17553 Rechtbank Den Haag 04-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16870 Rechtbank Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16155 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9588 Rechtbank Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9152 Rechtbank Den Haag 09-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21981 Rechtbank Den Haag 12-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21986 Rechtbank Den Haag 12-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22011 Rechtbank Den Haag 12-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22595 Rechtbank Den Haag 17-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18655 Rechtbank Den Haag 07-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17670 Rechtbank Den Haag 22-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17277 Rechtbank Den Haag 18-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17262 Rechtbank Den Haag 16-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16547 Rechtbank Den Haag 05-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13860 Rechtbank Den Haag 25-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11344 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11119 Rechtbank Den Haag 25-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10793 Rechtbank Den Haag 20-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7283 Rechtbank Den Haag 29-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4903 Rechtbank Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2046 Rechtbank Den Haag 14-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:723 Raad van State 11-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3193 Rechtbank Den Haag 27-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21850 Rechtbank Den Haag 19-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21864 Rechtbank Den Haag 19-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21381 Rechtbank Den Haag 17-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20611 Rechtbank Den Haag 29-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19003 Rechtbank Den Haag 14-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20598 Rechtbank Den Haag 05-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13748 Rechtbank Den Haag 27-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13653 Rechtbank Den Haag 21-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16631 Rechtbank Den Haag 19-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12856 Rechtbank Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15994 Rechtbank Den Haag 08-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12104 Rechtbank Den Haag 25-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12175 Rechtbank Den Haag 22-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12156 Rechtbank Den Haag 22-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10096 Rechtbank Den Haag 28-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9662 Rechtbank Den Haag 19-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9016 Rechtbank Den Haag 07-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8684 Rechtbank Den Haag 30-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8231 Rechtbank Den Haag 29-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7512 Rechtbank Den Haag 17-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7748 Rechtbank Den Haag 16-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7748 Rechtbank Den Haag 16-05-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (3.918 tekens)
202401408/1/V3 en 202401408/2/V3.
Datum uitspraak: 19 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2024 in zaak nr. NL24.4396 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft de in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije, beantwoord in haar uitspraak van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870. De overwegingen in die uitspraak zijn ook hier van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
2. De staatssecretaris komt in zijn tweede grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling over mishandeling door de Bulgaarse autoriteiten en de slechte opvangvoorzieningen, geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft hij namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris verwijst hierbij terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, onder 4. Daarbij volgt uit de overweging hiervoor, in aansluiting op de uitspraak van 29 februari 2024, dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is er geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2024 in zaak nr. NL24.4396;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024
18-1073
Datum uitspraak: 19 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2024 in zaak nr. NL24.4396 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft de in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije, beantwoord in haar uitspraak van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870. De overwegingen in die uitspraak zijn ook hier van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
2. De staatssecretaris komt in zijn tweede grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling over mishandeling door de Bulgaarse autoriteiten en de slechte opvangvoorzieningen, geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft hij namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris verwijst hierbij terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, onder 4. Daarbij volgt uit de overweging hiervoor, in aansluiting op de uitspraak van 29 februari 2024, dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is er geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2024 in zaak nr. NL24.4396;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024
18-1073