Raad van State
ECLI:NL:RVS:2023:1504
2023-04-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202202378/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2023:1504 → ECLI:NL:RBDHA:2022:11819 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:3820 Raad van State 20-12-2022
Geciteerd door (19)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26767 Rechtbank Den Haag 14-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1538 Rechtbank Den Haag 29-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7503 Rechtbank Den Haag 17-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4643 Rechtbank Den Haag 01-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:777 Raad van State 23-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:21113 Rechtbank Den Haag 18-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:4219 Raad van State 15-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19259 Rechtbank Den Haag 08-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19262 Rechtbank Den Haag 08-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19261 Rechtbank Den Haag 07-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18126 Rechtbank Den Haag 30-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3025 Raad van State 07-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11915 Rechtbank Den Haag 07-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12988 Rechtbank Den Haag 20-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9982 Rechtbank Den Haag 04-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8993 Rechtbank Den Haag 23-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8650 Rechtbank Den Haag 09-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8502 Rechtbank Den Haag 08-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6208 Rechtbank Den Haag 01-05-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (2.279 tekens)
202202378/1/V3.
Datum uitspraak: 19 april 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 april 2022 in zaak nr. NL22.5618 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 20 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3820, over het ontbreken van bezwaar bij het Openbaar Ministerie als vereiste voor uitzetting). In aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris bij het bekend zijn met een uitzettingsdatum óf een overdrachtsdatum gehouden is om contact met het Openbaar Ministerie te zoeken.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2023
922
Datum uitspraak: 19 april 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 april 2022 in zaak nr. NL22.5618 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 20 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3820, over het ontbreken van bezwaar bij het Openbaar Ministerie als vereiste voor uitzetting). In aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris bij het bekend zijn met een uitzettingsdatum óf een overdrachtsdatum gehouden is om contact met het Openbaar Ministerie te zoeken.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2023
922