Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:4002
2022-12-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202206748/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2012:BV7722 Raad van State 09-01-2012
- ECLI:NL:RVS:2022:1710 Raad van State 15-06-2022
- ECLI:EU:C:2022:178
Geciteerd door (53)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17990 Rechtbank Den Haag 30-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1290 Rechtbank Den Haag 26-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:609 Rechtbank Den Haag 08-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25517 Rechtbank Den Haag 30-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25520 Rechtbank Den Haag 30-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25515 Rechtbank Den Haag 30-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19446 Rechtbank Den Haag 23-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18599 Rechtbank Den Haag 08-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18289 Rechtbank Den Haag 03-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16843 Rechtbank Den Haag 11-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18687 Rechtbank Den Haag 10-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6444 Rechtbank Den Haag 11-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4931 Rechtbank Den Haag 25-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3898 Rechtbank Den Haag 13-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1960 Rechtbank Den Haag 13-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1960 Rechtbank Den Haag 13-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:972 Rechtbank Den Haag 28-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22168 Rechtbank Den Haag 23-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21041 Rechtbank Den Haag 13-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21044 Rechtbank Den Haag 13-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21048 Rechtbank Den Haag 13-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17510 Rechtbank Den Haag 28-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17648 Rechtbank Den Haag 13-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15185 Rechtbank Den Haag 29-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13693 Rechtbank Den Haag 27-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13504 Rechtbank Den Haag 23-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13503 Rechtbank Den Haag 23-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13546 Rechtbank Den Haag 22-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11887 Rechtbank Den Haag 24-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10178 Rechtbank Den Haag 01-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8717 Rechtbank Den Haag 03-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8234 Rechtbank Den Haag 29-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7589 Rechtbank Den Haag 15-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7292 Rechtbank Den Haag 14-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5368 Rechtbank Den Haag 15-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6132 Rechtbank Den Haag 18-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:700 Raad van State 21-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2085 Rechtbank Den Haag 13-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19892 Rechtbank Den Haag 11-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:17005 Rechtbank Den Haag 06-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16674 Rechtbank Den Haag 01-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14620 Rechtbank Den Haag 22-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14607 Rechtbank Den Haag 22-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3184 Raad van State 21-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11699 Rechtbank Den Haag 31-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9760 Rechtbank Den Haag 04-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9982 Rechtbank Den Haag 04-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9981 Rechtbank Den Haag 04-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8792 Rechtbank Den Haag 13-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6735 Rechtbank Den Haag 04-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1592 Rechtbank Den Haag 08-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1472 Rechtbank Den Haag 07-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:617 Rechtbank Den Haag 19-01-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.132 tekens)
202206748/1/V3.
Datum uitspraak: 29 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2022 in zaak nr. NL22.22476 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Die grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 9 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7722, over schending van artikel 104 van de Vw 2000). De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat zij niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een andere rechtsgang open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710, onder 8. Dat de vreemdeling krachtens de Penitentiaire beginselenwet in het detentiecentrum in isolatie is geplaatst maakt niet dat het detentiecentrum gelijk staat aan een gevangenisomgeving in welk geval de bewaringsrechter zou moeten toetsen of de bewaring nog rechtmatig is. Het detentiecentrum voldoet, anders dan de vreemdeling in zijn tweede grief heeft geklaagd, aan de eisen die in het arrest van het Hof van Justitie van 10 maart 2022, Landkreis Gifhorn, ECLI:EU:C:2022:178, punt 57, zijn gesteld aan een speciale inrichting voor bewaring in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
De tweede grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2022
47
Datum uitspraak: 29 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2022 in zaak nr. NL22.22476 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Die grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 9 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7722, over schending van artikel 104 van de Vw 2000). De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat zij niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een andere rechtsgang open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710, onder 8. Dat de vreemdeling krachtens de Penitentiaire beginselenwet in het detentiecentrum in isolatie is geplaatst maakt niet dat het detentiecentrum gelijk staat aan een gevangenisomgeving in welk geval de bewaringsrechter zou moeten toetsen of de bewaring nog rechtmatig is. Het detentiecentrum voldoet, anders dan de vreemdeling in zijn tweede grief heeft geklaagd, aan de eisen die in het arrest van het Hof van Justitie van 10 maart 2022, Landkreis Gifhorn, ECLI:EU:C:2022:178, punt 57, zijn gesteld aan een speciale inrichting voor bewaring in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
De tweede grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2022
47