Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:348
2022-02-02
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202104511/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2022:348 → ECLI:NL:RBDHA:2021:11308 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11761 Rechtbank Den Haag 07-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18262 Rechtbank Den Haag 18-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18543 Rechtbank Den Haag 08-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4225 Rechtbank Den Haag 03-05-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (3.386 tekens)
202104511/1/V1.
Datum uitspraak: 2 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.9350 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij mondelinge uitspraak van 5 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Gieten, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij biseksueel is en is gevlucht uit Uganda, omdat bekend was geworden dat zij een relatie had met een vrouw.
2. In haar grieven betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte het door haar in beroep overgelegde rapport van ‘LGBT Asylum Support’ van 4 juli 2021 (hierna: het rapport) buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de vreemdeling is ‘LGBT Asylum Support’ een deskundige en mag de staatssecretaris alleen gemotiveerd van het rapport afwijken.
2.1. De rechtbank heeft bij haar oordeel rekening gehouden met het rapport en dat dus niet buiten beschouwing gelaten. Zij heeft echter ten onrechte niet aan de staatssecretaris gevraagd welke waarde hij aan het rapport hecht en wat dat betekent voor zijn besluit om pas dan dat standpunt te toetsen. Omdat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat het meenemen van het rapport in strijd is met de goede procesorde en zij evenmin heeft geoordeeld dat het rapport niet relevant kan zijn voor het besluit, had zij dat wel moeten doen. Dat volgt uit artikel 83 van de Vw 2000. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld en beslist, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de mondelinge uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.9350;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2022
282-927
Datum uitspraak: 2 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.9350 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij mondelinge uitspraak van 5 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Gieten, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij biseksueel is en is gevlucht uit Uganda, omdat bekend was geworden dat zij een relatie had met een vrouw.
2. In haar grieven betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte het door haar in beroep overgelegde rapport van ‘LGBT Asylum Support’ van 4 juli 2021 (hierna: het rapport) buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de vreemdeling is ‘LGBT Asylum Support’ een deskundige en mag de staatssecretaris alleen gemotiveerd van het rapport afwijken.
2.1. De rechtbank heeft bij haar oordeel rekening gehouden met het rapport en dat dus niet buiten beschouwing gelaten. Zij heeft echter ten onrechte niet aan de staatssecretaris gevraagd welke waarde hij aan het rapport hecht en wat dat betekent voor zijn besluit om pas dan dat standpunt te toetsen. Omdat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat het meenemen van het rapport in strijd is met de goede procesorde en zij evenmin heeft geoordeeld dat het rapport niet relevant kan zijn voor het besluit, had zij dat wel moeten doen. Dat volgt uit artikel 83 van de Vw 2000. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld en beslist, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de mondelinge uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.9350;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2022
282-927