Raad van State
ECLI:NL:RVS:2021:2738
2021-11-26
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202106240/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:881 Raad van State 19-04-2021
Geciteerd door (72)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5354 Rechtbank Den Haag 06-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4816 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7793 Rechtbank Den Haag 03-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7842 Rechtbank Den Haag 24-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7790 Rechtbank Den Haag 13-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4928 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3799 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3806 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4918 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4921 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2182 Rechtbank Den Haag 24-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3104 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3162 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3164 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3166 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3266 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3268 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3273 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3277 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3168 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1938 Rechtbank Den Haag 20-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3275 Rechtbank Den Haag 17-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4883 Rechtbank Den Haag 08-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3464 Rechtbank Den Haag 03-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3097 Rechtbank Den Haag 02-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2482 Rechtbank Den Haag 25-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2451 Rechtbank Den Haag 23-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2443 Rechtbank Den Haag 23-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:225 Rechtbank Den Haag 13-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1831 Rechtbank Den Haag 13-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14626 Rechtbank Den Haag 29-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15497 Rechtbank Den Haag 21-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15498 Rechtbank Den Haag 21-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15203 Rechtbank Den Haag 20-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15629 Rechtbank Den Haag 16-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15308 Rechtbank Den Haag 15-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15448 Rechtbank Den Haag 07-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12311 Rechtbank Den Haag 17-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15443 Rechtbank Den Haag 15-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15093 Rechtbank Den Haag 08-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15245 Rechtbank Den Haag 24-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15249 Rechtbank Den Haag 21-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15248 Rechtbank Den Haag 21-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15243 Rechtbank Den Haag 21-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15109 Rechtbank Den Haag 18-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14973 Rechtbank Den Haag 13-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14992 Rechtbank Den Haag 13-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2902 Raad van State 10-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10132 Rechtbank Den Haag 03-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15012 Rechtbank Den Haag 21-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:9718 Rechtbank Den Haag 20-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14793 Rechtbank Den Haag 15-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2657 Raad van State 12-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8589 Rechtbank Den Haag 23-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8589 Rechtbank Den Haag 23-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8048 Rechtbank Den Haag 05-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8048 Rechtbank Den Haag 05-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2115 Raad van State 25-07-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13793 Rechtbank Den Haag 21-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5698 Rechtbank Den Haag 08-06-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (2.648 tekens)
202106240/1/V1.
Datum uitspraak: 26 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 september 2021 in zaak nr. NL21.13790 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.G. Matze, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het door de vreemdeling aangehaalde AIDA-rapport "Country Report: Italy 2020 Update" van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 3 juni 2021 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij voornoemde uitspraak van 19 april 2021 is betrokken.
2. Voor het overige leidt het hoger beroep evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en
mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Laarhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2021
392
Datum uitspraak: 26 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 september 2021 in zaak nr. NL21.13790 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.G. Matze, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het door de vreemdeling aangehaalde AIDA-rapport "Country Report: Italy 2020 Update" van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 3 juni 2021 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij voornoemde uitspraak van 19 april 2021 is betrokken.
2. Voor het overige leidt het hoger beroep evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en
mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Laarhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2021
392