Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:3159
2020-01-07
Bestuursrecht
201904071/2/A3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek informatie aan [appellant] verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). In de periode 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018 heeft [appellant] 33 Wob-verzoeken gedaan. ISD Bollenstreek heeft in het besluit van 27 maart 2018 op deze Wob-verzoeken besloten. [appellant] stelt dat de rechtbank de kern van de zaak heeft gemist nu het hem ging om het openbaar maken van zijn dossier tegelijk met het besluit van 27 maart 2018.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2019:2817 Raad van State 21-08-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.605 tekens)
201904071/2/A3.
Datum uitspraak: 8 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 april 2019 in zaak nr. 18/6122 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: ISD Bollenstreek).
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2018 heeft ISD Bollenstreek informatie aan [appellant] verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).
Bij besluit van 20 juli 2018 heeft ISD Bollenstreek het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
ISD Bollenstreek heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. In de periode 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018 heeft [appellant] 33 Wob-verzoeken gedaan. ISD Bollenstreek heeft in het besluit van 27 maart 2018 op deze Wob-verzoeken besloten. [appellant] stelt dat de rechtbank de kern van de zaak heeft gemist nu het hem ging om het openbaar maken van zijn dossier tegelijk met het besluit van 27 maart 2018.
2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer haar uitspraak van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2817) op een hoger beroep van [appellant], kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
Zoals de Afdeling eveneens in bovengenoemde uitspraak heeft overwogen, laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er meerdere indicaties zijn voor misbruik van recht. Tussen [appellant] en ISD Bollenstreek lopen verscheidene procedures en is sprake van een langlopend conflict. [appellant] heeft alleen al in de periode 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018, 33 Wob-verzoeken aan ISD Bollenstreek gedaan. Daarnaast blijkt uit bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019 op een hoger beroep van [appellant], dat [appellant] op 3 oktober 2018 in totaal 106 Wob-verzoeken bij ISD Bollenstreek had gedaan. Op grond van onder meer deze indicaties heeft de Afdeling in de uitspraak van 21 augustus 2019 geoordeeld dat sprake was van misbruik van recht. De omstandigheden in deze zaak zijn niet anders dan die in die zaak. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding thans anders te oordelen.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen heeft gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw.
3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. ISD Bollenstreek heeft gevraagd om [appellant] op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in zijn proceskosten te veroordelen.
4.1. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zoals verletkosten, is echter niet gebleken. Alleen al hierom komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Hagen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2020
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
195-836.
Datum uitspraak: 8 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 april 2019 in zaak nr. 18/6122 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: ISD Bollenstreek).
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2018 heeft ISD Bollenstreek informatie aan [appellant] verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).
Bij besluit van 20 juli 2018 heeft ISD Bollenstreek het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
ISD Bollenstreek heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. In de periode 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018 heeft [appellant] 33 Wob-verzoeken gedaan. ISD Bollenstreek heeft in het besluit van 27 maart 2018 op deze Wob-verzoeken besloten. [appellant] stelt dat de rechtbank de kern van de zaak heeft gemist nu het hem ging om het openbaar maken van zijn dossier tegelijk met het besluit van 27 maart 2018.
2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer haar uitspraak van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2817) op een hoger beroep van [appellant], kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
Zoals de Afdeling eveneens in bovengenoemde uitspraak heeft overwogen, laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er meerdere indicaties zijn voor misbruik van recht. Tussen [appellant] en ISD Bollenstreek lopen verscheidene procedures en is sprake van een langlopend conflict. [appellant] heeft alleen al in de periode 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018, 33 Wob-verzoeken aan ISD Bollenstreek gedaan. Daarnaast blijkt uit bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019 op een hoger beroep van [appellant], dat [appellant] op 3 oktober 2018 in totaal 106 Wob-verzoeken bij ISD Bollenstreek had gedaan. Op grond van onder meer deze indicaties heeft de Afdeling in de uitspraak van 21 augustus 2019 geoordeeld dat sprake was van misbruik van recht. De omstandigheden in deze zaak zijn niet anders dan die in die zaak. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding thans anders te oordelen.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen heeft gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw.
3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. ISD Bollenstreek heeft gevraagd om [appellant] op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in zijn proceskosten te veroordelen.
4.1. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zoals verletkosten, is echter niet gebleken. Alleen al hierom komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Hagen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2020
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
195-836.