Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:1141
2020-04-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202002203/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2020:1141 → ECLI:NL:RBAMS:2020:1918 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2019:4460 Raad van State 24-12-2019
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14465 Rechtbank Den Haag 01-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2021:2997 Raad van State 29-12-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:2985 Raad van State 27-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13718 Rechtbank Den Haag 02-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16759 Rechtbank Den Haag 29-10-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:2092 Raad van State 17-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9404 Rechtbank Den Haag 13-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:5105 Rechtbank Den Haag 18-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8325 Rechtbank Den Haag 12-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:4035 Rechtbank Den Haag 21-04-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:696 Raad van State 02-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15615 Rechtbank Den Haag 29-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16315 Rechtbank Den Haag 05-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14416 Rechtbank Den Haag 12-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14417 Rechtbank Den Haag 10-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:549 Rechtbank Den Haag 27-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15928 Rechtbank Den Haag 27-01-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:134 Raad van State 25-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:61 Rechtbank Den Haag 05-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15113 Rechtbank Den Haag 11-12-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15164 Rechtbank Den Haag 27-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15316 Rechtbank Den Haag 18-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14810 Rechtbank Den Haag 16-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14897 Rechtbank Den Haag 13-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9124 Rechtbank Den Haag 03-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9126 Rechtbank Den Haag 28-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:8266 Rechtbank Den Haag 27-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13633 Rechtbank Den Haag 25-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9610 Rechtbank Den Haag 29-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6647 Rechtbank Den Haag 15-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1546 Raad van State 01-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6171 Rechtbank Den Haag 26-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5551 Rechtbank Den Haag 16-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5559 Rechtbank Den Haag 16-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7920 Rechtbank Den Haag 05-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5480 Rechtbank Den Haag 03-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5481 Rechtbank Den Haag 03-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4912 Rechtbank Den Haag 28-05-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1275 Raad van State 27-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4772 Rechtbank Den Haag 26-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4599 Rechtbank Den Haag 25-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4880 Rechtbank Den Haag 20-05-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1238 Raad van State 20-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4882 Rechtbank Den Haag 18-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4881 Rechtbank Den Haag 18-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4601 Rechtbank Den Haag 15-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4909 Rechtbank Den Haag 11-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4249 Rechtbank Den Haag 11-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4213 Rechtbank Den Haag 08-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4214 Rechtbank Den Haag 08-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4212 Rechtbank Den Haag 08-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4603 Rechtbank Den Haag 06-05-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (4.067 tekens)
202002203/1/V3.
Datum uitspraak: 29 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2020 in zaak nr. NL20.5544 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 25 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het zicht op uitzetting in bewaringszaken gedurende de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus. In deze zaak gaat het over Marokko, maar de overwegingen zijn van overeenkomstige toepassing op maatregelen die door andere landen worden getroffen wegens die uitbraak.
2. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. Hij wijst erop dat er op dit moment niet naar Marokko kan worden gevlogen, dat er geen vooruitzicht is dat de vluchten op korte termijn zullen worden hervat en dat hij niet in persoon zal kunnen worden gepresenteerd. Omdat de Marokkaanse autoriteiten vóór de uitbraak van het coronavirus al nauwelijks reisdocumenten verstrekten, maken deze omstandigheden dat er geen vooruitzicht bestaat dat hij binnen een redelijke termijn uit Nederland kan worden verwijderd, aldus de vreemdeling.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460), zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Marokkaanse autoriteiten in algemene zin geen medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten.
2.2. De omstandigheid dat Marokko op dit moment het luchtruim heeft gesloten wegens de uitbraak van het coronavirus, is op dit moment nog aan te merken als een tijdelijke belemmering. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn, dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
2.3. Dit neemt echter niet weg dat als de huidige situatie voortduurt zonder dat er enig vooruitzicht komt op opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, dit alsnog gevolgen kan hebben voor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het is dan in de eerste plaats aan de staatssecretaris om per geval te bezien of de maatregel kan worden gecontinueerd of moet worden opgeheven en vervolgens aan de bewaringsrechter om dit te toetsen. De vreemdeling kan een vervolgberoep instellen als hij vindt dat de maatregel ten onrechte voortduurt terwijl zicht op uitzetting is komen te ontbreken.
2.4. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt.
De grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020
347-846.
Datum uitspraak: 29 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2020 in zaak nr. NL20.5544 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 25 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het zicht op uitzetting in bewaringszaken gedurende de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus. In deze zaak gaat het over Marokko, maar de overwegingen zijn van overeenkomstige toepassing op maatregelen die door andere landen worden getroffen wegens die uitbraak.
2. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. Hij wijst erop dat er op dit moment niet naar Marokko kan worden gevlogen, dat er geen vooruitzicht is dat de vluchten op korte termijn zullen worden hervat en dat hij niet in persoon zal kunnen worden gepresenteerd. Omdat de Marokkaanse autoriteiten vóór de uitbraak van het coronavirus al nauwelijks reisdocumenten verstrekten, maken deze omstandigheden dat er geen vooruitzicht bestaat dat hij binnen een redelijke termijn uit Nederland kan worden verwijderd, aldus de vreemdeling.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460), zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Marokkaanse autoriteiten in algemene zin geen medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten.
2.2. De omstandigheid dat Marokko op dit moment het luchtruim heeft gesloten wegens de uitbraak van het coronavirus, is op dit moment nog aan te merken als een tijdelijke belemmering. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn, dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
2.3. Dit neemt echter niet weg dat als de huidige situatie voortduurt zonder dat er enig vooruitzicht komt op opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, dit alsnog gevolgen kan hebben voor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het is dan in de eerste plaats aan de staatssecretaris om per geval te bezien of de maatregel kan worden gecontinueerd of moet worden opgeheven en vervolgens aan de bewaringsrechter om dit te toetsen. De vreemdeling kan een vervolgberoep instellen als hij vindt dat de maatregel ten onrechte voortduurt terwijl zicht op uitzetting is komen te ontbreken.
2.4. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt.
De grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020
347-846.