Raad van State
ECLI:NL:RVS:2018:1505
2018-05-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201801893/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 februari 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2015:3486 Raad van State 05-11-2015
- ECLI:NL:RVS:2009:BK2270 Raad van State 29-10-2009
Geciteerd door (27)
- ECLI:NL:RVS:2026:3392 Raad van State 15-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2139 Rechtbank Den Haag 09-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25105 Rechtbank Den Haag 23-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18002 Rechtbank Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13572 Rechtbank Den Haag 11-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10051 Rechtbank Den Haag 10-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13045 Rechtbank Den Haag 22-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7659 Rechtbank Den Haag 02-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11685 Rechtbank Den Haag 16-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1183 Rechtbank Den Haag 30-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:511 Rechtbank Den Haag 16-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:224 Rechtbank Den Haag 03-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20862 Rechtbank Den Haag 22-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20783 Rechtbank Den Haag 19-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19132 Rechtbank Den Haag 07-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 Raad van State 26-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12966 Rechtbank Den Haag 29-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12967 Rechtbank Den Haag 29-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10287 Rechtbank Den Haag 06-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8302 Rechtbank Den Haag 15-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4121 Rechtbank Den Haag 13-04-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1826 Rechtbank Den Haag 02-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1017 Rechtbank Den Haag 08-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2021:352 Raad van State 23-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:35 Rechtbank Den Haag 04-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:36 Rechtbank Den Haag 04-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:34 Rechtbank Den Haag 04-01-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (5.550 tekens)
201801893/1/V3.
Datum uitspraak: 4 mei 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2018 in zaak nr. NL18.3154 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 1 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, door pas op 21 februari 2018 een claimverzoek naar de autoriteiten van Frankrijk te verzenden (hierna: Dublinclaim), onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat het op de zesde dag van de bewaring gehouden vertrekgesprek in dit geval, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een handeling van directe betekenis is voor de overdracht van de vreemdeling en dat hij daarmee voldoende voortvarend heeft gehandeld. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3486. Verder stelt hij dat concrete aanwijzingen dat hij een Dublinclaim kan leggen niet maakt dat een vetrekgesprek overbodig is. Ook staat de omstandigheid dat de vreemdeling meewerkt los van de vraag of hij voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht, aldus de staatssecretaris.
1.1 Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de voornoemde uitspraak van 5 november 2015, is een vertrekgesprek aan te merken als een handeling van directe betekenis voor de overdracht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geven de omstandigheden in het onderhavige geval dat de vreemdeling haar rijbewijs, een foto van haar paspoort en haar Franse asielaanvraag heeft overgelegd alsmede dat zij heeft verklaard terug te willen keren naar Frankrijk geen aanleiding hier anders over te oordelen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270). De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 14 februari 2018 in bewaring gesteld, met haar op 19 februari 2018 een vertrekgesprek gevoerd en op 21 februari 2018 een Dublinclaim verzonden. Hoewel de staatssecretaris op onderdelen van de overdrachtsprocedure wellicht sneller had kunnen handelen, heeft de staatssecretaris door op de zesde dag van de inbewaringstelling een aanvang te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van de overdracht van de vreemdeling niettemin voldoende voortvarend gehandeld. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de maatregel van 14 februari 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die nog bespreking behoeven.
3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatsecretaris ten onrechte heeft volstaan met een lichter middel, omdat zij te kennen heeft gegeven dat zij zelfstandig wil terugkeren naar Frankrijk.
3.1 De vreemdeling heeft in het gehoor, dat aan het opleggen van de maatregel vooraf is gegaan, verklaard geen redenen aan te kunnen geven waarom de staatssecretaris haar niet in bewaring zou kunnen stellen. Gelet op deze verklaring, alsmede op de niet betwiste gronden die de staatssecretaris aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, heeft de staatssecretaris zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat hij niet kan volstaan met de toepassing van een lichter middel. De verklaring van de vreemdeling dat zij graag zelfstandig naar Frankrijk wil terugkeren maakt dit niet anders, aangezien de staatssecretaris deze verklaring in de maatregel niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij over een paspoort en voldoende financiële middelen beschikt om een zelfstandige terugkeer te bewerkstelligen. De beroepsgrond faalt.
4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2018 in zaak nr. NL18.3154;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2018
466-852.
Datum uitspraak: 4 mei 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2018 in zaak nr. NL18.3154 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 1 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, door pas op 21 februari 2018 een claimverzoek naar de autoriteiten van Frankrijk te verzenden (hierna: Dublinclaim), onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat het op de zesde dag van de bewaring gehouden vertrekgesprek in dit geval, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een handeling van directe betekenis is voor de overdracht van de vreemdeling en dat hij daarmee voldoende voortvarend heeft gehandeld. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3486. Verder stelt hij dat concrete aanwijzingen dat hij een Dublinclaim kan leggen niet maakt dat een vetrekgesprek overbodig is. Ook staat de omstandigheid dat de vreemdeling meewerkt los van de vraag of hij voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht, aldus de staatssecretaris.
1.1 Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de voornoemde uitspraak van 5 november 2015, is een vertrekgesprek aan te merken als een handeling van directe betekenis voor de overdracht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geven de omstandigheden in het onderhavige geval dat de vreemdeling haar rijbewijs, een foto van haar paspoort en haar Franse asielaanvraag heeft overgelegd alsmede dat zij heeft verklaard terug te willen keren naar Frankrijk geen aanleiding hier anders over te oordelen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270). De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 14 februari 2018 in bewaring gesteld, met haar op 19 februari 2018 een vertrekgesprek gevoerd en op 21 februari 2018 een Dublinclaim verzonden. Hoewel de staatssecretaris op onderdelen van de overdrachtsprocedure wellicht sneller had kunnen handelen, heeft de staatssecretaris door op de zesde dag van de inbewaringstelling een aanvang te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van de overdracht van de vreemdeling niettemin voldoende voortvarend gehandeld. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de maatregel van 14 februari 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die nog bespreking behoeven.
3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatsecretaris ten onrechte heeft volstaan met een lichter middel, omdat zij te kennen heeft gegeven dat zij zelfstandig wil terugkeren naar Frankrijk.
3.1 De vreemdeling heeft in het gehoor, dat aan het opleggen van de maatregel vooraf is gegaan, verklaard geen redenen aan te kunnen geven waarom de staatssecretaris haar niet in bewaring zou kunnen stellen. Gelet op deze verklaring, alsmede op de niet betwiste gronden die de staatssecretaris aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, heeft de staatssecretaris zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat hij niet kan volstaan met de toepassing van een lichter middel. De verklaring van de vreemdeling dat zij graag zelfstandig naar Frankrijk wil terugkeren maakt dit niet anders, aangezien de staatssecretaris deze verklaring in de maatregel niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij over een paspoort en voldoende financiële middelen beschikt om een zelfstandige terugkeer te bewerkstelligen. De beroepsgrond faalt.
4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2018 in zaak nr. NL18.3154;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2018
466-852.