Raad van State
ECLI:NL:RVS:2016:280
2016-01-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201507515/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2016:280 → ECLI:NL:RBMNE:2015:7048 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (27)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14626 Rechtbank Den Haag 01-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1439 Raad van State 12-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17124 Rechtbank Den Haag 18-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8907 Rechtbank Den Haag 15-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6396 Rechtbank Den Haag 28-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:1666 Raad van State 13-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12284 Rechtbank Den Haag 31-05-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:93 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:94 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:94 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11512 Rechtbank Den Haag 22-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:5946 Rechtbank Den Haag 04-06-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:977 Raad van State 12-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12312 Rechtbank Den Haag 25-01-2021
- ECLI:NL:RVS:2019:3531 Raad van State 22-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2072 Raad van State 01-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:2365 Rechtbank Den Haag 12-03-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:10679 Rechtbank Den Haag 05-09-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:8121 Rechtbank Den Haag 19-06-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:7208 Rechtbank Den Haag 14-06-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5834 Rechtbank Den Haag 17-05-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2017:15788 Rechtbank Den Haag 15-12-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:13231 Rechtbank Den Haag 13-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:8038 Rechtbank Den Haag 10-07-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12437 Rechtbank Den Haag 04-07-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:2428 Rechtbank Den Haag 13-03-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2016:8105 Rechtbank Den Haag 06-07-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (6.001 tekens)
201507515/1/V2.
Datum uitspraak: 29 januari 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), van 21 september 2015 in zaken nrs. 15/15889 en 15/15891 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 september 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Boelens, advocaat te Utrecht, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
1. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft onderkend dat de door de vreemdeling gestelde afvalligheid van de islam een afzonderlijk asielmotief is. Daarvoor heeft de rechtbank ten onrechte redengevend geacht, dat hij niet kenbaar de verklaringen van de vreemdeling dat hij in Afghanistan als afvallige zal worden beschouwd en moslims hem mogen doden, heeft beoordeeld. Volgens de staatssecretaris kan uit de verklaringen van de vreemdeling niet worden afgeleid dat de afvalligheid los is te zien van diens verklaringen over de gestelde bekering. Nu de gestelde bekering van de vreemdeling nog immer ongeloofwaardig wordt geacht, ligt daarin volgens de staatssecretaris besloten dat geen sprake is van afvalligheid.
4. Zoals de rechtbank met de staatssecretaris terecht tot uitgangspunt heeft genomen, bestaat de mogelijkheid dat een vreemdeling van zijn oorspronkelijke geloofsovertuiging afvalt en zich pas op een later moment tot een andere geloofsovertuiging bekeert. De staatssecretaris heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat die situatie zich voordoet indien de motieven voor, en het moment van afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn van de bekering. Dit dient uit de verklaringen van een vreemdeling te blijken. In dat geval dienen de afvalligheid en bekering als losstaand van elkaar te worden beoordeeld, omdat het in dat geval afzonderlijke asielmotieven zijn.
5. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij zijn bekering tot het christendom heeft geïntensiveerd in die zin dat hij heeft getracht zijn ouders in Afghanistan, die moslim zijn, te evangeliseren, evenals een vriend in Nederland. Volgens het islamitische geloof is hij een afvallige en iedere moslim mag hem doden, aldus de vreemdeling.
6. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van de vreemdeling niet valt af te leiden dat zijn afvalligheid van de islam als losstaand van zijn bekering tot het christendom en dus als afzonderlijk asielmotief moet worden beschouwd. Uit de verklaringen van de vreemdeling kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van twee duidelijk te onderscheiden fasen, een fase van afvalligheid en vervolgens een fase van bekering, terwijl de motieven voor het een en ander ook niet uiteenlopen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de afvalligheid afzonderlijk had dienen te beoordelen.
De grief slaagt.
7. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 augustus 2015 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 september 2015 in zaak nr. 15/15889;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Bosma
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2016
643.
Datum uitspraak: 29 januari 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), van 21 september 2015 in zaken nrs. 15/15889 en 15/15891 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 september 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Boelens, advocaat te Utrecht, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
1. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft onderkend dat de door de vreemdeling gestelde afvalligheid van de islam een afzonderlijk asielmotief is. Daarvoor heeft de rechtbank ten onrechte redengevend geacht, dat hij niet kenbaar de verklaringen van de vreemdeling dat hij in Afghanistan als afvallige zal worden beschouwd en moslims hem mogen doden, heeft beoordeeld. Volgens de staatssecretaris kan uit de verklaringen van de vreemdeling niet worden afgeleid dat de afvalligheid los is te zien van diens verklaringen over de gestelde bekering. Nu de gestelde bekering van de vreemdeling nog immer ongeloofwaardig wordt geacht, ligt daarin volgens de staatssecretaris besloten dat geen sprake is van afvalligheid.
4. Zoals de rechtbank met de staatssecretaris terecht tot uitgangspunt heeft genomen, bestaat de mogelijkheid dat een vreemdeling van zijn oorspronkelijke geloofsovertuiging afvalt en zich pas op een later moment tot een andere geloofsovertuiging bekeert. De staatssecretaris heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat die situatie zich voordoet indien de motieven voor, en het moment van afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn van de bekering. Dit dient uit de verklaringen van een vreemdeling te blijken. In dat geval dienen de afvalligheid en bekering als losstaand van elkaar te worden beoordeeld, omdat het in dat geval afzonderlijke asielmotieven zijn.
5. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij zijn bekering tot het christendom heeft geïntensiveerd in die zin dat hij heeft getracht zijn ouders in Afghanistan, die moslim zijn, te evangeliseren, evenals een vriend in Nederland. Volgens het islamitische geloof is hij een afvallige en iedere moslim mag hem doden, aldus de vreemdeling.
6. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van de vreemdeling niet valt af te leiden dat zijn afvalligheid van de islam als losstaand van zijn bekering tot het christendom en dus als afzonderlijk asielmotief moet worden beschouwd. Uit de verklaringen van de vreemdeling kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van twee duidelijk te onderscheiden fasen, een fase van afvalligheid en vervolgens een fase van bekering, terwijl de motieven voor het een en ander ook niet uiteenlopen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de afvalligheid afzonderlijk had dienen te beoordelen.
De grief slaagt.
7. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 augustus 2015 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 september 2015 in zaak nr. 15/15889;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Bosma
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2016
643.