Raad van State
ECLI:NL:RVS:2015:4061
2015-12-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201407487/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (66)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24354 Rechtbank Den Haag 27-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24354 Rechtbank Den Haag 27-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20219 Rechtbank Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19493 Rechtbank Den Haag 13-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20027 Rechtbank Den Haag 10-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20027 Rechtbank Den Haag 10-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16173 Rechtbank Den Haag 12-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15473 Rechtbank Den Haag 08-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15473 Rechtbank Den Haag 08-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11880 Rechtbank Den Haag 12-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10366 Rechtbank Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10299 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9101 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6737 Rechtbank Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6367 Rechtbank Den Haag 20-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3626 Rechtbank Den Haag 19-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:722 Rechtbank Den Haag 15-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27909 Rechtbank Den Haag 04-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21177 Rechtbank Den Haag 07-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28014 Rechtbank Den Haag 02-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19551 Rechtbank Den Haag 29-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17917 Rechtbank Den Haag 24-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5118 Rechtbank Den Haag 25-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4491 Rechtbank Den Haag 14-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2312 Rechtbank Den Haag 18-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1172 Rechtbank Den Haag 31-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23874 Rechtbank Den Haag 24-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22524 Rechtbank Den Haag 01-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13379 Rechtbank Den Haag 13-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12094 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9788 Rechtbank Den Haag 24-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12200 Rechtbank Den Haag 18-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2265 Raad van State 30-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1970 Raad van State 08-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5412 Rechtbank Den Haag 10-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7131 Rechtbank Den Haag 21-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1376 Rechtbank Den Haag 05-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:21352 Rechtbank Den Haag 07-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16137 Rechtbank Den Haag 20-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16364 Rechtbank Den Haag 28-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14572 Rechtbank Den Haag 31-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:10733 Rechtbank Den Haag 17-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9345 Rechtbank Den Haag 23-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6341 Rechtbank Den Haag 28-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8932 Rechtbank Den Haag 02-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4556 Rechtbank Den Haag 12-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1818 Rechtbank Den Haag 09-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12363 Rechtbank Den Haag 16-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:7266 Rechtbank Den Haag 12-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2755 Rechtbank Den Haag 16-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9402 Rechtbank Den Haag 11-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7185 Rechtbank Den Haag 03-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:1277 Rechtbank Den Haag 13-02-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13437 Rechtbank Den Haag 06-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13555 Rechtbank Den Haag 28-11-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6491 Rechtbank Den Haag 20-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6910 Rechtbank Den Haag 14-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:1893 Rechtbank Den Haag 08-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:15466 Rechtbank Den Haag 17-12-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:14292 Rechtbank Den Haag 29-11-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (6.785 tekens)
201407487/1/V2.
Datum uitspraak: 24 december 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), van 29 augustus 2014 in zaken nrs. 14/17928, 14/17930 en 14/17929 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 29 augustus 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
1. Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd over onder meer de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling in het licht van het in de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1 neergelegde beoordelingskader en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
3. De Afdeling ziet in de door de vreemdeling aangehaalde, bij de Europese Commissie aanhangige, klacht over de vraag of het achterwege laten van een zitting in hoger beroep verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geen aanleiding om het hoger beroep van de staatssecretaris niet zonder zitting af te doen (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2013 in zaak nr. 201309680/1/V3).
4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling met zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank in dit verband ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat hij geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over het door de vreemdeling overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 11 september 2013 (hierna: het iMMO-rapport). De vreemdeling heeft zijn gestelde identiteit en Guinese nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt, zodat hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar zijn gestelde land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus de staatssecretaris.
4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2012 in zaak nr. 201108311/1/V2) kan, indien de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de verklaringen met betrekking tot de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling ongeloofwaardig zijn, verdere beoordeling van het asielrelaas, daaronder begrepen de asielmotieven van de desbetreffende vreemdeling, achterwege blijven, omdat de asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling.
4.2. Uit het onder 1 overwogene volgt dat de gestelde identiteit en Guinese nationaliteit en herkomst van de vreemdeling ook in deze procedure niet zijn komen vast te staan. Reeds hierom heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een rechtsgrond voordoet voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Door in dit verband redengevend te achten dat de gestelde Guinese herkomst van de vreemdeling deel uitmaakt van het asielrelaas en dat in het iMMO-rapport is geconcludeerd dat de littekens van de vreemdeling goeddeels passen in dat relaas, heeft de rechtbank niet onderkend dat - wat er van het iMMO-rapport inhoudelijk ook moge zijn - uit dat rapport niet kan worden afgeleid in welk land de vreemdeling zijn littekens heeft opgelopen.
4.3. De grief slaagt.
5. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de inleidende beroepen alsnog ongegrond verklaren.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 augustus 2014 in zaken nrs. 14/17928 en 14/17930;
IV. verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Van Loon
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015
284/572-781.
Datum uitspraak: 24 december 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), van 29 augustus 2014 in zaken nrs. 14/17928, 14/17930 en 14/17929 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 29 augustus 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
1. Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd over onder meer de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling in het licht van het in de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1 neergelegde beoordelingskader en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
3. De Afdeling ziet in de door de vreemdeling aangehaalde, bij de Europese Commissie aanhangige, klacht over de vraag of het achterwege laten van een zitting in hoger beroep verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geen aanleiding om het hoger beroep van de staatssecretaris niet zonder zitting af te doen (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2013 in zaak nr. 201309680/1/V3).
4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling met zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank in dit verband ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat hij geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over het door de vreemdeling overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 11 september 2013 (hierna: het iMMO-rapport). De vreemdeling heeft zijn gestelde identiteit en Guinese nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt, zodat hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar zijn gestelde land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus de staatssecretaris.
4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2012 in zaak nr. 201108311/1/V2) kan, indien de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de verklaringen met betrekking tot de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling ongeloofwaardig zijn, verdere beoordeling van het asielrelaas, daaronder begrepen de asielmotieven van de desbetreffende vreemdeling, achterwege blijven, omdat de asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling.
4.2. Uit het onder 1 overwogene volgt dat de gestelde identiteit en Guinese nationaliteit en herkomst van de vreemdeling ook in deze procedure niet zijn komen vast te staan. Reeds hierom heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een rechtsgrond voordoet voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Door in dit verband redengevend te achten dat de gestelde Guinese herkomst van de vreemdeling deel uitmaakt van het asielrelaas en dat in het iMMO-rapport is geconcludeerd dat de littekens van de vreemdeling goeddeels passen in dat relaas, heeft de rechtbank niet onderkend dat - wat er van het iMMO-rapport inhoudelijk ook moge zijn - uit dat rapport niet kan worden afgeleid in welk land de vreemdeling zijn littekens heeft opgelopen.
4.3. De grief slaagt.
5. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de inleidende beroepen alsnog ongegrond verklaren.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 augustus 2014 in zaken nrs. 14/17928 en 14/17930;
IV. verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Van Loon
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015
284/572-781.