Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Raad van State

ECLI:NL:RVS:2011:BU8624

2011-12-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht 201007491/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Raad van State
Uitspraakdatum
2011-12-14
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
201007491/1/V3
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2010 is een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk was voor de behandeling van deze aanvraag. Vaststaat dat de vreemdeling niet aan Griekenland is overgedragen. Uit een door de minister overgelegde, door de vreemdeling ondertekende vertrekverklaring blijkt dat de vreemdeling op 2 november 2010 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland vertrokken is naar zijn land van herkomst, Iran. Onder deze omstandigheden heeft de vreemdeling geen belang bij beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2010.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.119 tekens)
201007491/1/V3.
Datum uitspraak: 14 december 2011



RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK


Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:


[de vreemdeling],
appellant,


tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 30 juli 2010 in zaak nrs. 10/13063 en 10/13066 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.


1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft zich desgevraagd nader uitgelaten, waarop de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) desgevraagd heeft gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.


2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 8 april 2010 is een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk was voor de behandeling van deze aanvraag. Vaststaat dat de vreemdeling niet aan Griekenland is overgedragen. Uit een door de minister overgelegde, door de vreemdeling ondertekende vertrekverklaring blijkt dat de vreemdeling op 2 november 2010 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland vertrokken is naar zijn land van herkomst, Iran. Onder deze omstandigheden heeft de vreemdeling geen belang bij beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2010.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.


Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.



w.g. Lubberdink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Leeuwen
ambtenaar van staat


Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011


373.
Verzonden: 14 december 2011



Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,


mr. H.H.C. Visser