Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9130
2026-09-16
Civiel recht; Arbeidsrecht
12271677 VV EXPL 26-50 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Loonvordering van werknemer in kort geding. Onterechte verrekening van kosten leaseauto aan einde dienstverband. Het door werkgever verrekende bedrag is dan ook toewijsbaar. Overige gevorderde loonbedragen zijn grotendeels niets toewijsbaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.383 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12271677 \ VV EXPL 26-50
Vonnis in kort geding van 16 september 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. D.C. Soetens,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. D.M. Schipper.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of [werknemer] na einde dienstverband nog recht heeft op achterstallig loon. De kantonrechter oordeelt dat dit voor een bedrag van € 10.033,30 netto het geval is, omdat [werkgever] dit bedrag ten onrechte met het aan [werknemer] toekomende loon heeft verrekend. Ook heeft [werknemer] nog recht op een bedrag van € 237,05 netto, omdat [werkgever] bij de eindafrekening feitelijk een lager bedrag aan [werknemer] heeft uitbetaald. [werknemer] heeft de verschuldigdheid van de overige loonbedragen onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat deze bedragen in kort geding niet toewijsbaar zijn.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 15 producties;- de producties 1 tot en met 9 van [werkgever] ; - de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026;- de pleitnota van [werkgever] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[werknemer] is per 1 juni 2024 bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van Senior Consultant voor 36 uur per week. [werknemer] was laatstelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen een bruto uurloon van € 20,77, exclusief toeslag en vakantiebijslag. Op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is het Handboek arbeidsvoorwaarden en de [werkgever] autoregeling, versie 4.1 (hierna: de autoregeling) van toepassing.
3.2.
Op 27 april 2025 is een leaseauto aan [werknemer] ter beschikking gesteld. [werkgever] is hiertoe met Multilease een leaseovereenkomst overeengekomen.
3.3.
[werknemer] heeft op 16 januari 2026 haar arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 28 februari 2026.
3.4.
[werkgever] heeft per e-mail van 23 februari 2026 -voor zover van belang- het volgende aan [werknemer] bericht: “Kun je bevestigen dat je jouw leaseauto overneemt en instaat voor de eventuele bijkomende kosten? Wil je daarbij svp ook aangeven hoe/of door welke maatschappij de auto wordt overgenomen en de overdracht daartoe voor eind deze maand organiseren? In verband met eventuele kosten houden wij ons het recht voor om eventuele betalingen te verrekenen.”. [werkgever] heeft vervolgens per e-mail van 26 februari 2026 nog een herinnering aan [werknemer] gezonden.
3.5. (
De gemachtigde van) [werknemer] heeft bij brief van 26 februari 2026 aan [werkgever] bericht dat zij niet instemt met verrekening, omdat er geen sprake is van een vaststaande en opeisbare vordering van [werkgever] .
3.6.
[werknemer] heeft de aan haar ter beschikking gestelde leaseauto aan het einde van het dienstverband bij (de administratie van) [werkgever] ingeleverd.
3.7.
[werkgever] heeft aan [werknemer] een salarisspecificatie over februari 2026 verstrekt. Uit deze salarisspecificatie volgt dat -onder meer- de volgende bedragen aan [werknemer] zijn uitbetaald: salaris € 3.240,-, voorschot bonus variabel € 5.000,-, kwartaalbonus € 5.895,13, bonus 2 € 1.2109,60 en vakantiegeld € 2.332,80. Vervolgens is -onder meer- een bedrag van € 10.033,30 netto op het loon in mindering gebracht vanwege: “Inhouding volgens factuur”.
Volgens de salarisspecificatie over februari 2026 is een bedrag van € 5.140,71 netto aan loon aan [werknemer] betaald. [werkgever] heeft op 23 februari 2026 feitelijk een bedrag van
€ 4.903,66 netto aan [werknemer] betaald.
3.8.
Multilease heeft met betrekking tot de aan [werknemer] ter beschikking gestelde leaseauto op 18 maart 2026 aan [werkgever] een “voorstel voortijdige contractbeëindiging” gedaan. De eenmalige afkoopsom bedraagt € 8.291,98 exclusief btw.
3.9.
[werkgever] heeft na uitdiensttreding van [werknemer] de leaseovereenkomst die zij ( [werkgever] ) met Multilease heeft gesloten betreffende de aan [werknemer] ter beschikking gestelde auto niet beëindigd. [werkgever] gebruikt de auto nu als reserveauto in het bedrijf.
4Het geschil
4.1.
[werknemer] vordert -samengevat- veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 23.020,52 bruto, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en kosten.
4.2.
[werknemer] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [werkgever] heeft nagelaten bij de eindafrekening alle nog openstaande loonbestanddelen aan haar te voldoen en een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan haar te verstrekken. Ter zake achterstallig loon is [werkgever] nog een bedrag van € 20.337,53 bruto aan [werknemer] verschuldigd. [werknemer] stelt dat [werkgever] niet bevoegd was om de kosten in verband met het voortijdig beëindigen van de leaseovereenkomst met haar loon te verrekenen. Ook stelt [werknemer] dat [werkgever] over 2024 en 2025 een totaalbedrag van € 2.682,99 bruto te veel aan kosten op haar loon heeft ingehouden.
4.3.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[werkgever] voert het volgende aan. [werkgever] betwist dat [werknemer] een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Ten aanzien van de gevorderde loonsom stelt [werkgever] dat het vakantiegeld en de bonussen aan [werknemer] zijn voldaan, maar dat er wel een bedrag van € 10.033,30 netto op het loon is ingehouden in verband met kosten voortijdige beëindiging leaseovereenkomst auto. [werkgever] betwist dat zij over 2024/2025 te veel kosten op het loon heeft ingehouden.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Toetsingskader
5.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar -kort gezegd- het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Spoedeisend belang
5.2.
De vordering van [werknemer] bestaat grotendeels uit achterstallig loon. Het is vaste jurisprudentie dat een loonvordering in het algemeen naar haar aard een spoedeisend belang met zich brengt. Het enkele tijdsverloop tussen de eindafrekening in februari 2026 en het aanhangig maken van de kort geding procedure in juni 2026 maakt ook niet dat de vordering niet spoedeisend is. Daarnaast heeft [werknemer] onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat zij het geld nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
Achterstallig loon
5.3.
[werknemer] vordert een bedrag van € 23.020,52 bruto aan achterstallig loon, bestaande uit:
- € 2.682,99 bruto vanwege foutieve inhoudingen over 2024 en 2025;
- € 2.332,80 bruto aan vakantiegeld;
- € 5.895,13 bruto aan kwartaalbonus Q1 2026;
- € 12.109,60 bruto aan jaarbonus 2025.
De kantonrechter zal de verschuldigdheid van deze bedragen hierna afzonderlijk bespreken.
Foutieve inhoudingen 2024/2025
5.4.
[werknemer] vordert een bedrag van € 2.682,99 bruto vanwege foutieve inhoudingen over 2024 en 2025. [werknemer] stelt dat [werkgever] over een periode van 19 maanden maandelijks een bedrag van € 128,17 bruto te veel aan sociale lasten heeft ingehouden en maandelijks een bedrag van € 13,04 bruto te veel aan bijdrage voor facilities.
5.5.
[werkgever] betwist dat zij de door [werknemer] genoemde bedragen op het loon heeft ingehouden. Dat zij deze bedragen ten onrechte heeft ingehouden volgt volgens [werkgever] ook niet uit de door haar overgelegde loonstroken.
5.6.
De kantonrechter acht het door [werknemer] gevorderde bedrag van € 2.682,99 bruto bij wege van voorlopige voorziening niet toewijsbaar, nu [werkgever] de verschuldigdheid van dit bedrag gemotiveerd heeft weersproken en [werknemer] haar vordering op dit onderdeel onvoldoende heeft onderbouwd.
Vakantiegeld, jaarbonus 2025 en kwartaalbonus Q1 2026
5.7.
De door [werknemer] gevorderde bedragen aan vakantiegeld, kwartaalbonus Q1 2026 en jaarbonus 2025 zijn bij wege van voorlopige voorziening niet toewijsbaar, nu [werknemer] het bestaan van die vordering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. [werknemer] stelt dat zij enkel haar reguliere loon heeft ontvangen en betaling van de door [werknemer] opgebouwde bonussen is uitgebleven. [werkgever] erkent dat zij de door [werknemer] gevorderde (loon)bedragen verschuldigd is. [werkgever] betwist echter dat zij deze bedragen niet aan [werknemer] heeft voldaan. Dat de bedragen aan [werknemer] zijn uitbetaald blijkt volgens [werkgever] ook uit de overgelegde salarisspecificatie over februari 2026. Wel stelt [werkgever] dat zij bij de uitbetaling van het loon over februari 2026 een bedrag van
€ 10.033,30 netto met het loon van het [werknemer] heeft verrekend in verband met een door [werknemer] verschuldigde boete voor het voortijdig beëindigen van de leaseovereenkomst.
5.8.
Uit de overgelegde salarisspecificatie over februari 2026 blijkt en door [werknemer] is ook erkend dat de op de salarisspecificatie genoemde bedragen (vakantiegeld, kwartaalbonus Q1 2026 en jaarbonus 2025) aan [werknemer] zijn uitbetaald. De feitelijke uitbetaling is echter lager, omdat er door [werkgever] een verrekening heeft plaatsgevonden. Of [werkgever] ook tot verrekening van dit bedrag bevoegd was zal de kantonrechter hierna bespreken.
5.9.
De door [werknemer] gevorderde bedragen (vakantiegeld, kwartaalbonus Q1 2026 en jaarbonus 2025) zijn gelet op de overgelegde salarisspecificatie en de feitelijke uitbetaling aan [werknemer] niet toewijsbaar. Voor zover [werknemer] stelt dat, ondanks de hiervoor genoemde betaling, de eindafrekening niet juist is, in die zin dat -los van de verrekening- betalingen achterwege zijn gebleven, overweegt de kantonrechter dat deze stelling, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk is. Wel acht de kantonrechter ter zake achterstallig loon een bedrag van € 237,05 netto toewijsbaar. Daartoe wordt overwogen dat uit de salarisspecificatie over februari 2026 blijkt dat een bedrag van € 5.140,71 netto is uitbetaald, terwijl [werkgever] , zoals zij zelf stelt, feitelijk een bedrag van € 4.903,66 netto aan [werknemer] heeft voldaan. Dat [werkgever] feitelijk een lager bedrag aan [werknemer] verschuldigd was heeft [werkgever] in zoverre ook niet onderbouwd.
Inhouding € 10.033,30 netto
5.10.
[werkgever] heeft bij de eindafrekening van februari 2026 een bedrag van € 10.033,30 netto op het loon van [werknemer] ingehouden. Op de eindafrekening staat “inhouding volgens factuur”. Met de factuur wordt het door [werkgever] opgevraagde voorstel voortijdige contractbeëindiging van Multilease bedoeld. [werknemer] stelt dat [werkgever] niet tot verrekening van dit bedrag bevoegd was en het door [werkgever] verrekende bedrag ook te hoog is.
5.11.
De kantonrechter overweegt dat de bevoegdheid tot verrekening ontstaat wanneer de schuldenaar een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is tot zowel de betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Verrekening van een vordering is bij het einde van een dienstverband in beginsel mogelijk. Wel dient de werkgever bij verrekening de beslagvrije voet te respecteren. Om als werkgever een vordering te kunnen afdwingen dient deze ook opeisbaar te zijn.
5.12.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat er geen sprake is van een opeisbare vordering van [werkgever] . De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.13.
De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat dat tussen [werkgever] en Multilease een leaseovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij [werknemer] als bestuurster van de betreffende auto is opgegeven. Tussen [werkgever] en [werknemer] is vervolgens een gebruikersovereenkomst gesloten.
5.14.
[werkgever] stelt dat [werknemer] op grond van artikel 9.1 van het Handboek arbeidsvoorwaarden en artikel 7 van de tussen partijen overeengekomen autoregeling een bedrag van € 10.033,30 netto aan haar verschuldigd is. [werknemer] erkent dat de door [werkgever] genoemde autoregeling op de arbeidsovereenkomst van toepassing is.
5.15.
In artikel 7 van de autoregeling is -voor zover van belang- het volgende bepaald:
“Wanneer de werknemer op eigen verzoek de arbeidsovereenkomst ontbindt, zijn de kosten van het voortijdig beëindigen van het leasecontract van de elektrische auto voor de werknemer (..)”.
5.16.
Tussen partijen staat vast dat [werknemer] op eigen verzoek uit dienst is getreden bij [werkgever] . [werknemer] is op grond van artikel 7 van de autoregeling in beginsel de kosten van het voortijdig beëindigen van het leasecontract van de elektrische auto aan [werkgever] verschuldigd. Vaststaat dat [werkgever] ten behoeve van de aan [werknemer] ter beschikking gestelde auto met Multilease een leaseovereenkomst heeft gesloten.
5.17.
Gesteld noch gebleken is dat [werkgever] met [werknemer] ten aanzien van de elektrische auto ook een leaseovereenkomst heeft gesloten. Wel hebben partijen, zoals blijkt uit de overgelegde autoregeling, een gebruikersovereenkomst gesloten. In artikel 7 van de autoregeling is bepaald dat werknemer bij einde dienstverband de kosten van het voortijdig beëindigen van het leasecontract van de elektrische auto verschuldigd is. Onder het voortijdig beëindigen van het leasecontract moet aldus worden verstaan het contract tussen [werkgever] en Multilease. De directeur van [werkgever] , de heer [persoon], heeft ter zitting verklaard dat de tussen [werkgever] en Multilease gesloten leaseovereenkomst niet is beëindigd en er ook geen afkoopsom aan Multilease is betaald. [werkgever] gebruikt de auto nu binnen het bedrijf als reserveauto. [werkgever] heeft hiervoor gekozen om de schade daarmee te beperken. De maandelijkse leasekosten voor de auto lopen wel gewoon door. [werkgever] stelt dat [werknemer] heeft ingestemd met het feit dat de kosten van het voortijdig beëindigen van de leaseovereenkomst voor haar rekening komen.
5.18.
De kantonrechter oordeelt dat [werknemer] op grond van artikel 7 van de autoregeling geen kosten aan [werkgever] verschuldigd is. Tussen partijen staat immers vast dat de tussen [werkgever] en Multilease gesloten leaseovereenkomst niet voortijdig is beëindigd en [werkgever] ook geen afkoopsom aan Multilease heeft voldaan.
5.19.
Voor zover [werkgever] stelt dat [werknemer] de afkoopsom wel aan haar verschuldigd is, omdat de maandelijkse leasekosten blijven doorlopen overweegt de kantonrechter dat het niet inleveren van de leaseauto de keuze is geweest van [werkgever] , die daar ook profijt van kan c.q. zal hebben. Gelet hierop acht de kantonrechter het voorshands niet redelijk om de afkoopsom op die grond voor rekening van [werknemer] te laten komen.
5.20.
Het door [werkgever] genoemde bedrag van € 10.033,30 netto is gelet op het voorgaande dan ook niet opeisbaar. Dit betekent dat [werkgever] niet tot verrekening van dit bedrag kon overgaan. Het door [werknemer] gevorderde loonbedrag van € 10.033,30 netto zal dan ook worden toegewezen.
5.21.
Het enkel door [werkgever] genoemde restitutierisico staat niet aan toewijzing van het totale loonbedrag van € 10.270,35 netto (€ 10.033,30 netto + € 237,05 netto) in de weg. Weliswaar is dit een belang waar aan de zijde van [werkgever] rekening mee moet worden gehouden, maar ook moet worden acht geslagen op het belang van [werknemer] om vanuit het te betalen loon in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
Wettelijke rente
5.22.
De medegevorderde wettelijke rente over € 10.270,35 netto is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken eveneens toewijsbaar.
Wettelijke verhoging
5.23.
Tussen partijen staat vast dat [werkgever] bij voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst de kosten daarvan in rekening mocht brengen bij [werknemer] .
[werkgever] heeft deze kosten bij einde dienstverband met het loon van [werknemer] verrekend. Hoewel [werkgever] naar de letterlijke tekst van de autoregeling hiertoe niet bevoegd was, omdat [werkgever] de auto niet daadwerkelijk bij de leasemaatschappij heeft ingeleverd, acht de kantonrechter wel begrijpelijk dat [werkgever] tot verrekening van de door de leasemaatschappij genoemde afkoopsom is overgegaan. Bovendien gaat het om een verrekening na een kortdurend dienstverband, waarbij [werknemer] ook maar kort gebruik heeft gemaakt van de aan haar ter beschikking gestelde leaseauto. Rekening houdend met deze factoren geeft de omvang van de loonvordering en cumulatie met de wettelijke rente de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.
Bruto/netto-specificatie
5.24.
De gevorderde afgifte van een (correcte) bruto/netto-specificatie wordt toegewezen. Vaststaat immers dat [werkgever] een salarisspecificatie heeft verstrekt, waarbij ten onrechte door [werkgever] een bedrag van € 10.033,30 is verrekend. [werkgever] dient zorg te dragen voor een salarisspecificatie zonder de hiervoor genoemde verrekening. De termijn voor afgifte zal worden gesteld op de redelijke termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. [werknemer] heeft ook belang bij een prikkel tot nakoming van de veroordeling tot afgifte van de correcte salarisspecificatie, zodat de gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot € 50,- per dag met een maximum van
€ 1.500,-.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.25.
[werknemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [werknemer] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [werknemer] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 875,33 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is eveneens toewijsbaar.
Proceskosten
5.26.
[werkgever] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
753,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.629,67
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 10.270,35 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 25 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 875,33 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [werkgever] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan [werknemer] te verstrekken als in rechtsonderdeel 5.24 bedoeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte daarvan dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.500,-,
6.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.629,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
artikel 6:127 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)
artikel 7:632 BW
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12271677 \ VV EXPL 26-50
Vonnis in kort geding van 16 september 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. D.C. Soetens,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. D.M. Schipper.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of [werknemer] na einde dienstverband nog recht heeft op achterstallig loon. De kantonrechter oordeelt dat dit voor een bedrag van € 10.033,30 netto het geval is, omdat [werkgever] dit bedrag ten onrechte met het aan [werknemer] toekomende loon heeft verrekend. Ook heeft [werknemer] nog recht op een bedrag van € 237,05 netto, omdat [werkgever] bij de eindafrekening feitelijk een lager bedrag aan [werknemer] heeft uitbetaald. [werknemer] heeft de verschuldigdheid van de overige loonbedragen onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat deze bedragen in kort geding niet toewijsbaar zijn.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 15 producties;- de producties 1 tot en met 9 van [werkgever] ; - de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026;- de pleitnota van [werkgever] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[werknemer] is per 1 juni 2024 bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van Senior Consultant voor 36 uur per week. [werknemer] was laatstelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen een bruto uurloon van € 20,77, exclusief toeslag en vakantiebijslag. Op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is het Handboek arbeidsvoorwaarden en de [werkgever] autoregeling, versie 4.1 (hierna: de autoregeling) van toepassing.
3.2.
Op 27 april 2025 is een leaseauto aan [werknemer] ter beschikking gesteld. [werkgever] is hiertoe met Multilease een leaseovereenkomst overeengekomen.
3.3.
[werknemer] heeft op 16 januari 2026 haar arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 28 februari 2026.
3.4.
[werkgever] heeft per e-mail van 23 februari 2026 -voor zover van belang- het volgende aan [werknemer] bericht: “Kun je bevestigen dat je jouw leaseauto overneemt en instaat voor de eventuele bijkomende kosten? Wil je daarbij svp ook aangeven hoe/of door welke maatschappij de auto wordt overgenomen en de overdracht daartoe voor eind deze maand organiseren? In verband met eventuele kosten houden wij ons het recht voor om eventuele betalingen te verrekenen.”. [werkgever] heeft vervolgens per e-mail van 26 februari 2026 nog een herinnering aan [werknemer] gezonden.
3.5. (
De gemachtigde van) [werknemer] heeft bij brief van 26 februari 2026 aan [werkgever] bericht dat zij niet instemt met verrekening, omdat er geen sprake is van een vaststaande en opeisbare vordering van [werkgever] .
3.6.
[werknemer] heeft de aan haar ter beschikking gestelde leaseauto aan het einde van het dienstverband bij (de administratie van) [werkgever] ingeleverd.
3.7.
[werkgever] heeft aan [werknemer] een salarisspecificatie over februari 2026 verstrekt. Uit deze salarisspecificatie volgt dat -onder meer- de volgende bedragen aan [werknemer] zijn uitbetaald: salaris € 3.240,-, voorschot bonus variabel € 5.000,-, kwartaalbonus € 5.895,13, bonus 2 € 1.2109,60 en vakantiegeld € 2.332,80. Vervolgens is -onder meer- een bedrag van € 10.033,30 netto op het loon in mindering gebracht vanwege: “Inhouding volgens factuur”.
Volgens de salarisspecificatie over februari 2026 is een bedrag van € 5.140,71 netto aan loon aan [werknemer] betaald. [werkgever] heeft op 23 februari 2026 feitelijk een bedrag van
€ 4.903,66 netto aan [werknemer] betaald.
3.8.
Multilease heeft met betrekking tot de aan [werknemer] ter beschikking gestelde leaseauto op 18 maart 2026 aan [werkgever] een “voorstel voortijdige contractbeëindiging” gedaan. De eenmalige afkoopsom bedraagt € 8.291,98 exclusief btw.
3.9.
[werkgever] heeft na uitdiensttreding van [werknemer] de leaseovereenkomst die zij ( [werkgever] ) met Multilease heeft gesloten betreffende de aan [werknemer] ter beschikking gestelde auto niet beëindigd. [werkgever] gebruikt de auto nu als reserveauto in het bedrijf.
4Het geschil
4.1.
[werknemer] vordert -samengevat- veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 23.020,52 bruto, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en kosten.
4.2.
[werknemer] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [werkgever] heeft nagelaten bij de eindafrekening alle nog openstaande loonbestanddelen aan haar te voldoen en een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan haar te verstrekken. Ter zake achterstallig loon is [werkgever] nog een bedrag van € 20.337,53 bruto aan [werknemer] verschuldigd. [werknemer] stelt dat [werkgever] niet bevoegd was om de kosten in verband met het voortijdig beëindigen van de leaseovereenkomst met haar loon te verrekenen. Ook stelt [werknemer] dat [werkgever] over 2024 en 2025 een totaalbedrag van € 2.682,99 bruto te veel aan kosten op haar loon heeft ingehouden.
4.3.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[werkgever] voert het volgende aan. [werkgever] betwist dat [werknemer] een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Ten aanzien van de gevorderde loonsom stelt [werkgever] dat het vakantiegeld en de bonussen aan [werknemer] zijn voldaan, maar dat er wel een bedrag van € 10.033,30 netto op het loon is ingehouden in verband met kosten voortijdige beëindiging leaseovereenkomst auto. [werkgever] betwist dat zij over 2024/2025 te veel kosten op het loon heeft ingehouden.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Toetsingskader
5.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar -kort gezegd- het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Spoedeisend belang
5.2.
De vordering van [werknemer] bestaat grotendeels uit achterstallig loon. Het is vaste jurisprudentie dat een loonvordering in het algemeen naar haar aard een spoedeisend belang met zich brengt. Het enkele tijdsverloop tussen de eindafrekening in februari 2026 en het aanhangig maken van de kort geding procedure in juni 2026 maakt ook niet dat de vordering niet spoedeisend is. Daarnaast heeft [werknemer] onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat zij het geld nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
Achterstallig loon
5.3.
[werknemer] vordert een bedrag van € 23.020,52 bruto aan achterstallig loon, bestaande uit:
- € 2.682,99 bruto vanwege foutieve inhoudingen over 2024 en 2025;
- € 2.332,80 bruto aan vakantiegeld;
- € 5.895,13 bruto aan kwartaalbonus Q1 2026;
- € 12.109,60 bruto aan jaarbonus 2025.
De kantonrechter zal de verschuldigdheid van deze bedragen hierna afzonderlijk bespreken.
Foutieve inhoudingen 2024/2025
5.4.
[werknemer] vordert een bedrag van € 2.682,99 bruto vanwege foutieve inhoudingen over 2024 en 2025. [werknemer] stelt dat [werkgever] over een periode van 19 maanden maandelijks een bedrag van € 128,17 bruto te veel aan sociale lasten heeft ingehouden en maandelijks een bedrag van € 13,04 bruto te veel aan bijdrage voor facilities.
5.5.
[werkgever] betwist dat zij de door [werknemer] genoemde bedragen op het loon heeft ingehouden. Dat zij deze bedragen ten onrechte heeft ingehouden volgt volgens [werkgever] ook niet uit de door haar overgelegde loonstroken.
5.6.
De kantonrechter acht het door [werknemer] gevorderde bedrag van € 2.682,99 bruto bij wege van voorlopige voorziening niet toewijsbaar, nu [werkgever] de verschuldigdheid van dit bedrag gemotiveerd heeft weersproken en [werknemer] haar vordering op dit onderdeel onvoldoende heeft onderbouwd.
Vakantiegeld, jaarbonus 2025 en kwartaalbonus Q1 2026
5.7.
De door [werknemer] gevorderde bedragen aan vakantiegeld, kwartaalbonus Q1 2026 en jaarbonus 2025 zijn bij wege van voorlopige voorziening niet toewijsbaar, nu [werknemer] het bestaan van die vordering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. [werknemer] stelt dat zij enkel haar reguliere loon heeft ontvangen en betaling van de door [werknemer] opgebouwde bonussen is uitgebleven. [werkgever] erkent dat zij de door [werknemer] gevorderde (loon)bedragen verschuldigd is. [werkgever] betwist echter dat zij deze bedragen niet aan [werknemer] heeft voldaan. Dat de bedragen aan [werknemer] zijn uitbetaald blijkt volgens [werkgever] ook uit de overgelegde salarisspecificatie over februari 2026. Wel stelt [werkgever] dat zij bij de uitbetaling van het loon over februari 2026 een bedrag van
€ 10.033,30 netto met het loon van het [werknemer] heeft verrekend in verband met een door [werknemer] verschuldigde boete voor het voortijdig beëindigen van de leaseovereenkomst.
5.8.
Uit de overgelegde salarisspecificatie over februari 2026 blijkt en door [werknemer] is ook erkend dat de op de salarisspecificatie genoemde bedragen (vakantiegeld, kwartaalbonus Q1 2026 en jaarbonus 2025) aan [werknemer] zijn uitbetaald. De feitelijke uitbetaling is echter lager, omdat er door [werkgever] een verrekening heeft plaatsgevonden. Of [werkgever] ook tot verrekening van dit bedrag bevoegd was zal de kantonrechter hierna bespreken.
5.9.
De door [werknemer] gevorderde bedragen (vakantiegeld, kwartaalbonus Q1 2026 en jaarbonus 2025) zijn gelet op de overgelegde salarisspecificatie en de feitelijke uitbetaling aan [werknemer] niet toewijsbaar. Voor zover [werknemer] stelt dat, ondanks de hiervoor genoemde betaling, de eindafrekening niet juist is, in die zin dat -los van de verrekening- betalingen achterwege zijn gebleven, overweegt de kantonrechter dat deze stelling, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk is. Wel acht de kantonrechter ter zake achterstallig loon een bedrag van € 237,05 netto toewijsbaar. Daartoe wordt overwogen dat uit de salarisspecificatie over februari 2026 blijkt dat een bedrag van € 5.140,71 netto is uitbetaald, terwijl [werkgever] , zoals zij zelf stelt, feitelijk een bedrag van € 4.903,66 netto aan [werknemer] heeft voldaan. Dat [werkgever] feitelijk een lager bedrag aan [werknemer] verschuldigd was heeft [werkgever] in zoverre ook niet onderbouwd.
Inhouding € 10.033,30 netto
5.10.
[werkgever] heeft bij de eindafrekening van februari 2026 een bedrag van € 10.033,30 netto op het loon van [werknemer] ingehouden. Op de eindafrekening staat “inhouding volgens factuur”. Met de factuur wordt het door [werkgever] opgevraagde voorstel voortijdige contractbeëindiging van Multilease bedoeld. [werknemer] stelt dat [werkgever] niet tot verrekening van dit bedrag bevoegd was en het door [werkgever] verrekende bedrag ook te hoog is.
5.11.
De kantonrechter overweegt dat de bevoegdheid tot verrekening ontstaat wanneer de schuldenaar een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is tot zowel de betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Verrekening van een vordering is bij het einde van een dienstverband in beginsel mogelijk. Wel dient de werkgever bij verrekening de beslagvrije voet te respecteren. Om als werkgever een vordering te kunnen afdwingen dient deze ook opeisbaar te zijn.
5.12.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat er geen sprake is van een opeisbare vordering van [werkgever] . De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.13.
De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat dat tussen [werkgever] en Multilease een leaseovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij [werknemer] als bestuurster van de betreffende auto is opgegeven. Tussen [werkgever] en [werknemer] is vervolgens een gebruikersovereenkomst gesloten.
5.14.
[werkgever] stelt dat [werknemer] op grond van artikel 9.1 van het Handboek arbeidsvoorwaarden en artikel 7 van de tussen partijen overeengekomen autoregeling een bedrag van € 10.033,30 netto aan haar verschuldigd is. [werknemer] erkent dat de door [werkgever] genoemde autoregeling op de arbeidsovereenkomst van toepassing is.
5.15.
In artikel 7 van de autoregeling is -voor zover van belang- het volgende bepaald:
“Wanneer de werknemer op eigen verzoek de arbeidsovereenkomst ontbindt, zijn de kosten van het voortijdig beëindigen van het leasecontract van de elektrische auto voor de werknemer (..)”.
5.16.
Tussen partijen staat vast dat [werknemer] op eigen verzoek uit dienst is getreden bij [werkgever] . [werknemer] is op grond van artikel 7 van de autoregeling in beginsel de kosten van het voortijdig beëindigen van het leasecontract van de elektrische auto aan [werkgever] verschuldigd. Vaststaat dat [werkgever] ten behoeve van de aan [werknemer] ter beschikking gestelde auto met Multilease een leaseovereenkomst heeft gesloten.
5.17.
Gesteld noch gebleken is dat [werkgever] met [werknemer] ten aanzien van de elektrische auto ook een leaseovereenkomst heeft gesloten. Wel hebben partijen, zoals blijkt uit de overgelegde autoregeling, een gebruikersovereenkomst gesloten. In artikel 7 van de autoregeling is bepaald dat werknemer bij einde dienstverband de kosten van het voortijdig beëindigen van het leasecontract van de elektrische auto verschuldigd is. Onder het voortijdig beëindigen van het leasecontract moet aldus worden verstaan het contract tussen [werkgever] en Multilease. De directeur van [werkgever] , de heer [persoon], heeft ter zitting verklaard dat de tussen [werkgever] en Multilease gesloten leaseovereenkomst niet is beëindigd en er ook geen afkoopsom aan Multilease is betaald. [werkgever] gebruikt de auto nu binnen het bedrijf als reserveauto. [werkgever] heeft hiervoor gekozen om de schade daarmee te beperken. De maandelijkse leasekosten voor de auto lopen wel gewoon door. [werkgever] stelt dat [werknemer] heeft ingestemd met het feit dat de kosten van het voortijdig beëindigen van de leaseovereenkomst voor haar rekening komen.
5.18.
De kantonrechter oordeelt dat [werknemer] op grond van artikel 7 van de autoregeling geen kosten aan [werkgever] verschuldigd is. Tussen partijen staat immers vast dat de tussen [werkgever] en Multilease gesloten leaseovereenkomst niet voortijdig is beëindigd en [werkgever] ook geen afkoopsom aan Multilease heeft voldaan.
5.19.
Voor zover [werkgever] stelt dat [werknemer] de afkoopsom wel aan haar verschuldigd is, omdat de maandelijkse leasekosten blijven doorlopen overweegt de kantonrechter dat het niet inleveren van de leaseauto de keuze is geweest van [werkgever] , die daar ook profijt van kan c.q. zal hebben. Gelet hierop acht de kantonrechter het voorshands niet redelijk om de afkoopsom op die grond voor rekening van [werknemer] te laten komen.
5.20.
Het door [werkgever] genoemde bedrag van € 10.033,30 netto is gelet op het voorgaande dan ook niet opeisbaar. Dit betekent dat [werkgever] niet tot verrekening van dit bedrag kon overgaan. Het door [werknemer] gevorderde loonbedrag van € 10.033,30 netto zal dan ook worden toegewezen.
5.21.
Het enkel door [werkgever] genoemde restitutierisico staat niet aan toewijzing van het totale loonbedrag van € 10.270,35 netto (€ 10.033,30 netto + € 237,05 netto) in de weg. Weliswaar is dit een belang waar aan de zijde van [werkgever] rekening mee moet worden gehouden, maar ook moet worden acht geslagen op het belang van [werknemer] om vanuit het te betalen loon in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
Wettelijke rente
5.22.
De medegevorderde wettelijke rente over € 10.270,35 netto is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken eveneens toewijsbaar.
Wettelijke verhoging
5.23.
Tussen partijen staat vast dat [werkgever] bij voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst de kosten daarvan in rekening mocht brengen bij [werknemer] .
[werkgever] heeft deze kosten bij einde dienstverband met het loon van [werknemer] verrekend. Hoewel [werkgever] naar de letterlijke tekst van de autoregeling hiertoe niet bevoegd was, omdat [werkgever] de auto niet daadwerkelijk bij de leasemaatschappij heeft ingeleverd, acht de kantonrechter wel begrijpelijk dat [werkgever] tot verrekening van de door de leasemaatschappij genoemde afkoopsom is overgegaan. Bovendien gaat het om een verrekening na een kortdurend dienstverband, waarbij [werknemer] ook maar kort gebruik heeft gemaakt van de aan haar ter beschikking gestelde leaseauto. Rekening houdend met deze factoren geeft de omvang van de loonvordering en cumulatie met de wettelijke rente de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.
Bruto/netto-specificatie
5.24.
De gevorderde afgifte van een (correcte) bruto/netto-specificatie wordt toegewezen. Vaststaat immers dat [werkgever] een salarisspecificatie heeft verstrekt, waarbij ten onrechte door [werkgever] een bedrag van € 10.033,30 is verrekend. [werkgever] dient zorg te dragen voor een salarisspecificatie zonder de hiervoor genoemde verrekening. De termijn voor afgifte zal worden gesteld op de redelijke termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. [werknemer] heeft ook belang bij een prikkel tot nakoming van de veroordeling tot afgifte van de correcte salarisspecificatie, zodat de gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot € 50,- per dag met een maximum van
€ 1.500,-.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.25.
[werknemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [werknemer] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [werknemer] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 875,33 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is eveneens toewijsbaar.
Proceskosten
5.26.
[werkgever] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
753,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.629,67
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 10.270,35 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 25 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 875,33 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [werkgever] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan [werknemer] te verstrekken als in rechtsonderdeel 5.24 bedoeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte daarvan dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.500,-,
6.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.629,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
artikel 6:127 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)
artikel 7:632 BW