Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8727
2026-09-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 24/7683, 24/7684, 24/7685, 25/625, 25/626, 25/627
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroepen niet-tijdig beslissen, IB/PVV 2017-2019 , Box 3.
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:2024:704 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:705 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:704 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:704 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:704 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:756 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:704 Hoge Raad 06-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.410 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7683, 24/7684, 24/7685, 25/625, 25/626, 25/627
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van belanghebbende tegen het niet-tijdig beslissen van de inspecteur op zijn bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, 2018 en 2019 en zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 en de hoogte van deze aanslagen. Belanghebbende voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de definitieve aanslagen IB 2017, 2018 en 2019, of aanspraak kan worden gemaakt op een rentevergoeding over de belastingteruggave over 2018, of alsnog een dwangsom moet worden toegekend vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag 2018, of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, en op een vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure.
1.1
De rechtbank zal de beroepen wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaren omdat hangende de beroepsprocedure hier alsnog op beslist is, de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2017 en 2019 ongegrond, en tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 gegrond, maar uitsluitend wat betreft de kostenvergoeding in bezwaar, het verzoek om toekennen van een dwangsom afwijzen en belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toekennen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met dagtekening 31 december 2018 (2017), 21 december 2019 (2018) en 5 december 2020 (2019) heeft belanghebbende aangiften IB/PVV ingediend, bestaande uit:
2017
2018
2019
Inkomen uit werk en woning (box 1)
€ 47.366
€ 44.968
€ 46.677
Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
€ 0
€ 18.910
€ 0
Verzamelinkomen
€ 47.366
€ 63.878
€ 46.677
2.1.
Met dagtekening 18 februari 2020 (2017), 1 mei 2020 (2018) en 20 januari 2023 (2019) heeft de inspecteur definitieve aanslagen (IB/PVV) opgelegd, bestaande uit:
2017
2018
2019
Inkomen uit werk en woning (box 1)
€ 47.366
€ 44.968
€ 46.677
Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
€ 20.990
€ 18.910
€ 15.511
Verzamelinkomen
€ 68.356
€ 63.878
€ 62.188
2.2.
Belanghebbende heeft wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de definitieve aanslagen die zien op de jaren 2017, 2018, en 2019 en het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 beroepen ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en namens de inspecteur mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Feiten
IB/PVV 2017
3. Op 17 maart 2020 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2017. Het bezwaar is specifiek gericht tegen de vermogensrendementsheffing.
3.1.
Met dagtekening 6 april 2020 heeft de inspecteur een ontvangstbevestiging verstuurd van deelname aan de massaal bezwaarprocedure inzake de vermogensrendementsheffing voor het belastingjaar 2017. De inspecteur heeft hierbij het individuele deel van het bezwaar afgesplitst van het deel dat valt onder de massaal bezwaarprocedure.
3.2.
Met dagtekening 4 februari 2022 heeft de Staatssecretaris van Financiën collectief uitspraak gedaan in de massaal bezwaarprocedure.
3.3.
Op 28 februari 2023 heeft belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering van de definitieve aanslag IB/PVV 2017 ingediend.
3.4.
Op 20 september 2024 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld met betrekking tot het niet-tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering.
3.5.
Met dagtekening 4 oktober 2024 heeft de inspecteur alsnog een beslissing genomen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de definitieve aanslag IB/PVV 2017.
3.6.
Op 8 november 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de inspecteur op het individuele bezwaar en het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2017.
3.7.
Met dagtekening 18 februari 2025 is aan belanghebbende een dwangsom van
€ 1.442 toegekend vanwege het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017.
3.8.
Met dagtekening 20 februari 2025 is bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende inzake het individuele deel tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2017 ongegrond verklaard.
IB/PVV 2018
3.9.
Op 11 juni 2020 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2018. Het bezwaar is specifiek gericht tegen de vermogensrendementsheffing.
3.10.
Op 20 september 2024 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld met betrekking tot het bezwaar gericht tegen de aanslag IB/PVV 2018 en daarbij verzocht om het toekennen van een dwangsom.
3.11.
Met dagtekening 8 november 2024 gaat belanghebbende in beroep bij de rechtbank tegen het niet-tijdig doen van een uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2018.
3.12.
Met dagtekening 4 december 2024 is bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2018 gegrond verklaard. Daarbij is het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd van € 18.190 tot nihil.
3.13.
Met dagtekening 18 februari 2025 heeft de inspecteur een beschikking afgegeven waarin het verzoek om een dwangsom wordt afgewezen.
IB/PVV 2019
3.14.
Op 28 februari 2023 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2019. Het bezwaar is specifiek gericht tegen de vermogensrendementsheffing.
3.15.
Op 20 september 2024 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld met betrekking tot het bezwaar gericht tegen de aanslag IB/PVV 2019.
3.16.
Met dagtekening 10 december 2024 is bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2019 ongegrond verklaard.
3.17.
Met dagtekening 18 februari 2025 is aan belanghebbende een dwangsom van
€ 1.442 toegekend vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2019.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt:
de beroepen wegens het niet tijdig nemen van besluiten samenhangend met de aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019;
of de aanslagen IB/PVV voor 2017, 2018 en 2019 tot het juiste bedrag zijn opgelegd;
of ten onrechte geen dwangsom is toegekend voor het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018;
of ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase voor het jaar 2018 is toegekend;
of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van rente over de vermindering van het inkomen uit sparen en beleggen in het jaar 2018 tot nihil.
Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij zijn beroep wat betreft het berekenen van additionele rente over de toegekende dwangsommen voor de jaren 2017 en 2019 intrekt.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen tegen de hoogte van de aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 ongegrond. De rechtbank is verder van oordeel dat terecht geen dwangsom is toegekend voor het niet-tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat ten onrechte geen kostenvergoeding is toegekend voor de bezwaarfase maar dat geen recht bestaat op een vergoeding van rente voor het jaar 2018. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade vanwege de duur van de procedure. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Beroepen niet-tijdig beslissen
4.2.
Belanghebbende komt in beroep op tegen het niet-tijdig beslissen van de inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2017 en de bezwaren die zien op de belastingjaren 2017, 2018 en 2019. De inspecteur heeft op 4 oktober 2024 alsnog beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering (2017) en op 4 december 2024 (2018), 10 december 2024 (2019) en 20 februari 2025 (2017) alsnog uitspraken op bezwaar gedaan.
4.3.
Nu de inspecteur tijdens de beroepsprocedure alsnog uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen 2017, 2018 en 2019 heeft gedaan en op het verzoek ambtshalve vermindering voor het jaar 2017 heeft beslist, is het procesbelang aan de onderhavige procedure voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van besluiten komen te ontvallen. De rechtbank zal de beroepen van belanghebbende voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaren en zijn verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren. Op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit echter mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Die laatste uitzondering doet zich niet voor, zodat de rechtbank toekomt aan de beroepen tegen de alsnog genomen uitspraken op bezwaar en de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering.
Aanslagen IB/PVV 2017-2019
2017en 2019
4.4.
Belanghebbende stelt dat door het inkomen uit sparen en beleggen vast te stellen op het werkelijk rendement zoals volgt uit de juni-arresten dit voor beleggers aanleiding kan geven om hun vermogensmix te wijzigen en de berekeningswijze daarmee disruptief werkt, mede omdat het negatieve inkomen uit sparen en beleggen niet kan worden gecompenseerd met een positief inkomen uit een ander jaar. Belanghebbende stelt voorts dat in het wetsvoorstel voor de berekening van het werkelijk rendement vanaf 1 januari 2028 rekening gehouden kan worden met kosten en stelt dat dit ook voor 2017 en 2019 mogelijk moet zijn. Belanghebbende verzoekt de rechtbank het inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 vast te stellen op € 12.712 en voor 2019 op € 7.825.
4.5.
De inspecteur stelt dat de Hoge Raad in de juni-arresten heeft geoordeeld dat de bewijslast dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement bij belanghebbende ligt. De inspecteur stelt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het werkelijk rendement niet alleen de voordelen omvat die voortvloeien uit de vermogensbestanddelen in box 3, maar ook de (ongerealiseerde) waardeveranderingen van deze vermogensbestanddelen. Daarbij bestaat volgens de inspecteur geen mogelijkheid om kosten mee te nemen in de berekening. De inspecteur heeft in zijn stukken en ter zitting toegelicht dat voor het belastingjaar 2017 voor belanghebbende de forfaitaire berekeningswijze voordeliger is dan die op basis van het werkelijke rendement en daarom het inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 juist is berekend. De inspecteur heeft in zijn stukken een overzicht van de bezittingen van belanghebbende in 2019 opgenomen op basis waarvan het inkomen uit sparen en beleggen is berekend.
4.6.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken volgt dat het werkelijke rendement van belanghebbende, zelfs als de door belanghebbende gestelde kosten worden meegenomen, in 2017 hoger is dan het forfaitaire rendement, dat is ook niet door belanghebbende betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is het inkomen voor 2017 daarom terecht forfaitair vastgesteld op € 20.990. Naar het oordeel van de rechtbank is het inkomen van belanghebbende voor 2019 terecht vastgesteld op € 15.511. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de juni-arresten van de Hoge Raad volgt dat bij belastingplichtigen die door het forfaitaire stelsel van de Herstelwet worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement een schending optreedt van de door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten. Met het oog op rechtseenheid en rechtszekerheid geeft de Hoge Raad vervolgens regels met betrekking tot de vaststelling van het werkelijke rendement. De Hoge Raad overweegt daarbij specifiek dat het werkelijke rendement niet alleen de voordelen omvat die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Bij de vaststelling van het rendement op bezittingen kan daarnaast geen rekening worden gehouden met kosten. De Hoge Raad sluit daarbij zoveel mogelijk aan bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. Ter onderbouwing dat geen kosten meegenomen kunnen worden verwijst de Hoge Raad nog naar de parlementaire toelichting op het stelsel 2017 waarin is opgemerkt dat er per saldo voor is gekozen om voor “het totaal van kosten van de beleggingen geen additionele component op te nemen.” Daarvan uitgaande heeft belanghebbende niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat zijn werkelijk rendement in 2019 lager was dan het forfaitaire rendement.
Dat belanghebbende het niet met het oordeel van de Hoge Raad eens is, en deze manier van belastingheffing volgens belanghebbende van invloed kan zijn op de samenstelling van het vermogen leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een schending met het EVRM. De rechtbank sluit daarbij aan bij wat de Hoge Raad in de juni-arresten heeft geoordeeld. De stelling van belanghebbende dat een wetsvoorstel per 1 januari 2028 de mogelijkheid tot verrekening van kosten omvat is een keuze van de wetgever die, ook als deze wet zou worden, geen betekenis heeft voor de onderhavige jaren. Uit het oordeel van de Hoge Raad vloeit voort dat zich geen schending van het EVRM voordoet indien geen kosten of verliezen (uit andere jaren) meegenomen kunnen worden bij de berekening van het werkelijke rendement.
2018
4.7.
Belanghebbende stelt dat zijn inkomsten uit sparen en beleggen in 2018 negatief zijn en daarom verrekend moeten worden met het positieve inkomen uit werk en woning. Belanghebbende stelt dat indien geen verrekening mogelijk is dit leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 14 van het EVRM. Belanghebbende verzoekt de rechtbank het inkomen uit sparen en beleggen voor 2018 vast te stellen op € 32.000 negatief. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat op basis van de wet geen mogelijkheid negatief inkomen uit sparen en beleggen te verrekenen met het inkomen uit werk en woning. Uit de juni-arresten leidt de rechtbank af dat op basis van de berekeningswijze van het werkelijke rendement zoals de Hoge Raad dit voorschrijft het inkomen uit sparen en beleggen niet op een negatief bedrag kan worden vastgesteld, en dat geen rekening gehouden mag worden met verliezen op bezittingen over de jaargrens heen. Het rechtsherstel wordt volgens de Hoge Raad geboden door de box 3 belasting te verminderen tot nihil in geval het werkelijk rendement nihil of negatief is. Dit sluit naar het oordeel van de rechtbank uit dat verrekening binnen het jaar plaatsvindt van “negatief” box 3 inkomen met positief inkomen uit een andere box. De rechtbank is van oordeel dat dit niet in strijd is met het EVRM.
Dwangsom 2018
4.8.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een dwangsom voor het niet-tijdig nemen van de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018. De inspecteur stelt dat geen recht bestaat op een dwangsom omdat hij door belanghebbende pas op 20 september 2024 in gebreke is gesteld, en dat de ingebrekestelling daarom onredelijk laat heeft plaatsgevonden. De inspecteur stelt subsidiair dat ten aanzien van de dwangsom samenhang bestaat tussen de onderhavige belastingjaren. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onredelijk laat door belanghebbende verstuurd. De rechtbank overweegt daartoe dat belanghebbende op 11 juni 2020 bezwaar heeft ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2018 en belanghebbende pas op 20 september 2024 de inspecteur in gebreke heeft gesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen recht bestaat op een dwangsom voor het belastingjaar 2018.
Rente IB/PVV 2018
4.9.
Belanghebbende stelt dat voor het belastingjaar 2018 recht bestaat op vergoeding van rente omdat de box 3 belasting bij de uitspraak op bezwaar is verminderd tot nihil. Bij de voorlopige en definitieve aanslag IB/PVV 2018 is de inspecteur niet afgeweken van de aangifte, vervolgens heeft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar het inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot nihil. Volgens de inspecteur is op basis van de juni-arresten van de Hoge Raad het bieden van rechtsherstel voldoende en hoeft daarbij geen rentevergoeding te worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen recht op vergoeding van rente. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat kan worden aangenomen dat met een zodanige vermindering van de aanslag passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden indien geen vergoeding van rente wordt toegekend. Dit zou anders zijn indien het bedrag van de wettelijke rente meer zou bedragen dan het bedrag van de belastingvermindering, maar daar is in dit geval geen sprake van. De inspecteur heeft daarom terecht geen rentevergoeding toegekend.
Vergoeding kosten bezwaarfase 2018 en proceskostenvergoeding
4.10.
De inspecteur heeft erkend dat ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase voor het belastingjaar 2018 is toegekend. Partijen hebben daarbij afgesproken dat een vergoeding van € 70 voor verletkosten wordt betaald voor de bezwaarfase. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 70 wegens verletkosten voor de beroepsfase en een vergoeding van
€ 28,40 aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken en beslist dienovereenkomstig.
Vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.11.
Belanghebbende heeft verzocht om de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.
4.12.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de beroepsgronden hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk de grondslagen van het inkomen uit sparen en beleggen. Er bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.
4.13.
De heffingsambtenaar heeft het oudste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 25 maart 2020. De inspecteur heeft op 20 februari 2025 voor het laatst uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft na de uitspraak op bezwaar nog beroep ingesteld maar de standpunten die belanghebbende daarbij heeft ingenomen zijn naar het oordeel van de rechtbank tegen beter weten in ingenomen. Het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 was op dat moment al gewezen. Daaruit volgt dat de standpunten van belanghebbende in beroep dat waardeveranderingen van bezittingen niet belastbaar zijn, kosten afgetrokken mogen worden en negatieve box 3 inkomsten verrekend zouden mogen worden met inkomsten in andere boxen in rechte onhoudbaar zijn. De rechtbank overweegt dat het materiële geschil daarom met de laatste uitspraak op bezwaar is geëindigd, dat is per 20 februari 2025.
4.14.
Sinds de ontvangst van het oudste bezwaarschrift op 25 maart 2020 tot 20 februari 2025 is de redelijke termijn (van 2 jaar voor bezwaar- en beroepsfase samen) met 2 jaar en 11 maanden (afgerond) overschreden. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wijst de rechtbank toe. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding voor immateriële schade van € 3.000.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen niet-tijdig beslissen zijn niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 is gegrond voor zover het ziet op de kostenvergoeding en voor het overige ongegrond. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2017 en 2019 zijn ongegrond. De aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 blijven daarom gehandhaafd. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade van € 3.000. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2018 gegrond voor zover het beroep betrekking heeft op de kostenvergoeding in de bezwaarfase;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een kostenvergoeding voor het bezwaar tegen de aanslag 2018 van € 70 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar en handhaaft deze voor het overige;
verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB/PVV 2017 en 2019 en de beslissing op het verzoek ambtshalve vermindering 2017 ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 3.000;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 98,40;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 104 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 10 september 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.3.7. en Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:705, r.o. 5.3.7.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.8.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.9.
Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 11, blz. 37.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.5.
Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:756, r.o. 3.3.7.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.
Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 e.v.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7683, 24/7684, 24/7685, 25/625, 25/626, 25/627
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van belanghebbende tegen het niet-tijdig beslissen van de inspecteur op zijn bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, 2018 en 2019 en zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 en de hoogte van deze aanslagen. Belanghebbende voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de definitieve aanslagen IB 2017, 2018 en 2019, of aanspraak kan worden gemaakt op een rentevergoeding over de belastingteruggave over 2018, of alsnog een dwangsom moet worden toegekend vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag 2018, of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, en op een vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure.
1.1
De rechtbank zal de beroepen wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaren omdat hangende de beroepsprocedure hier alsnog op beslist is, de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2017 en 2019 ongegrond, en tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 gegrond, maar uitsluitend wat betreft de kostenvergoeding in bezwaar, het verzoek om toekennen van een dwangsom afwijzen en belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toekennen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met dagtekening 31 december 2018 (2017), 21 december 2019 (2018) en 5 december 2020 (2019) heeft belanghebbende aangiften IB/PVV ingediend, bestaande uit:
2017
2018
2019
Inkomen uit werk en woning (box 1)
€ 47.366
€ 44.968
€ 46.677
Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
€ 0
€ 18.910
€ 0
Verzamelinkomen
€ 47.366
€ 63.878
€ 46.677
2.1.
Met dagtekening 18 februari 2020 (2017), 1 mei 2020 (2018) en 20 januari 2023 (2019) heeft de inspecteur definitieve aanslagen (IB/PVV) opgelegd, bestaande uit:
2017
2018
2019
Inkomen uit werk en woning (box 1)
€ 47.366
€ 44.968
€ 46.677
Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
€ 20.990
€ 18.910
€ 15.511
Verzamelinkomen
€ 68.356
€ 63.878
€ 62.188
2.2.
Belanghebbende heeft wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de definitieve aanslagen die zien op de jaren 2017, 2018, en 2019 en het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 beroepen ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en namens de inspecteur mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Feiten
IB/PVV 2017
3. Op 17 maart 2020 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2017. Het bezwaar is specifiek gericht tegen de vermogensrendementsheffing.
3.1.
Met dagtekening 6 april 2020 heeft de inspecteur een ontvangstbevestiging verstuurd van deelname aan de massaal bezwaarprocedure inzake de vermogensrendementsheffing voor het belastingjaar 2017. De inspecteur heeft hierbij het individuele deel van het bezwaar afgesplitst van het deel dat valt onder de massaal bezwaarprocedure.
3.2.
Met dagtekening 4 februari 2022 heeft de Staatssecretaris van Financiën collectief uitspraak gedaan in de massaal bezwaarprocedure.
3.3.
Op 28 februari 2023 heeft belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering van de definitieve aanslag IB/PVV 2017 ingediend.
3.4.
Op 20 september 2024 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld met betrekking tot het niet-tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering.
3.5.
Met dagtekening 4 oktober 2024 heeft de inspecteur alsnog een beslissing genomen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de definitieve aanslag IB/PVV 2017.
3.6.
Op 8 november 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de inspecteur op het individuele bezwaar en het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2017.
3.7.
Met dagtekening 18 februari 2025 is aan belanghebbende een dwangsom van
€ 1.442 toegekend vanwege het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017.
3.8.
Met dagtekening 20 februari 2025 is bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende inzake het individuele deel tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2017 ongegrond verklaard.
IB/PVV 2018
3.9.
Op 11 juni 2020 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2018. Het bezwaar is specifiek gericht tegen de vermogensrendementsheffing.
3.10.
Op 20 september 2024 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld met betrekking tot het bezwaar gericht tegen de aanslag IB/PVV 2018 en daarbij verzocht om het toekennen van een dwangsom.
3.11.
Met dagtekening 8 november 2024 gaat belanghebbende in beroep bij de rechtbank tegen het niet-tijdig doen van een uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2018.
3.12.
Met dagtekening 4 december 2024 is bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2018 gegrond verklaard. Daarbij is het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd van € 18.190 tot nihil.
3.13.
Met dagtekening 18 februari 2025 heeft de inspecteur een beschikking afgegeven waarin het verzoek om een dwangsom wordt afgewezen.
IB/PVV 2019
3.14.
Op 28 februari 2023 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2019. Het bezwaar is specifiek gericht tegen de vermogensrendementsheffing.
3.15.
Op 20 september 2024 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld met betrekking tot het bezwaar gericht tegen de aanslag IB/PVV 2019.
3.16.
Met dagtekening 10 december 2024 is bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2019 ongegrond verklaard.
3.17.
Met dagtekening 18 februari 2025 is aan belanghebbende een dwangsom van
€ 1.442 toegekend vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2019.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt:
de beroepen wegens het niet tijdig nemen van besluiten samenhangend met de aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019;
of de aanslagen IB/PVV voor 2017, 2018 en 2019 tot het juiste bedrag zijn opgelegd;
of ten onrechte geen dwangsom is toegekend voor het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018;
of ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase voor het jaar 2018 is toegekend;
of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van rente over de vermindering van het inkomen uit sparen en beleggen in het jaar 2018 tot nihil.
Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij zijn beroep wat betreft het berekenen van additionele rente over de toegekende dwangsommen voor de jaren 2017 en 2019 intrekt.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen tegen de hoogte van de aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 ongegrond. De rechtbank is verder van oordeel dat terecht geen dwangsom is toegekend voor het niet-tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat ten onrechte geen kostenvergoeding is toegekend voor de bezwaarfase maar dat geen recht bestaat op een vergoeding van rente voor het jaar 2018. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade vanwege de duur van de procedure. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Beroepen niet-tijdig beslissen
4.2.
Belanghebbende komt in beroep op tegen het niet-tijdig beslissen van de inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2017 en de bezwaren die zien op de belastingjaren 2017, 2018 en 2019. De inspecteur heeft op 4 oktober 2024 alsnog beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering (2017) en op 4 december 2024 (2018), 10 december 2024 (2019) en 20 februari 2025 (2017) alsnog uitspraken op bezwaar gedaan.
4.3.
Nu de inspecteur tijdens de beroepsprocedure alsnog uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen 2017, 2018 en 2019 heeft gedaan en op het verzoek ambtshalve vermindering voor het jaar 2017 heeft beslist, is het procesbelang aan de onderhavige procedure voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van besluiten komen te ontvallen. De rechtbank zal de beroepen van belanghebbende voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaren en zijn verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren. Op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit echter mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Die laatste uitzondering doet zich niet voor, zodat de rechtbank toekomt aan de beroepen tegen de alsnog genomen uitspraken op bezwaar en de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering.
Aanslagen IB/PVV 2017-2019
2017en 2019
4.4.
Belanghebbende stelt dat door het inkomen uit sparen en beleggen vast te stellen op het werkelijk rendement zoals volgt uit de juni-arresten dit voor beleggers aanleiding kan geven om hun vermogensmix te wijzigen en de berekeningswijze daarmee disruptief werkt, mede omdat het negatieve inkomen uit sparen en beleggen niet kan worden gecompenseerd met een positief inkomen uit een ander jaar. Belanghebbende stelt voorts dat in het wetsvoorstel voor de berekening van het werkelijk rendement vanaf 1 januari 2028 rekening gehouden kan worden met kosten en stelt dat dit ook voor 2017 en 2019 mogelijk moet zijn. Belanghebbende verzoekt de rechtbank het inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 vast te stellen op € 12.712 en voor 2019 op € 7.825.
4.5.
De inspecteur stelt dat de Hoge Raad in de juni-arresten heeft geoordeeld dat de bewijslast dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement bij belanghebbende ligt. De inspecteur stelt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het werkelijk rendement niet alleen de voordelen omvat die voortvloeien uit de vermogensbestanddelen in box 3, maar ook de (ongerealiseerde) waardeveranderingen van deze vermogensbestanddelen. Daarbij bestaat volgens de inspecteur geen mogelijkheid om kosten mee te nemen in de berekening. De inspecteur heeft in zijn stukken en ter zitting toegelicht dat voor het belastingjaar 2017 voor belanghebbende de forfaitaire berekeningswijze voordeliger is dan die op basis van het werkelijke rendement en daarom het inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 juist is berekend. De inspecteur heeft in zijn stukken een overzicht van de bezittingen van belanghebbende in 2019 opgenomen op basis waarvan het inkomen uit sparen en beleggen is berekend.
4.6.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken volgt dat het werkelijke rendement van belanghebbende, zelfs als de door belanghebbende gestelde kosten worden meegenomen, in 2017 hoger is dan het forfaitaire rendement, dat is ook niet door belanghebbende betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is het inkomen voor 2017 daarom terecht forfaitair vastgesteld op € 20.990. Naar het oordeel van de rechtbank is het inkomen van belanghebbende voor 2019 terecht vastgesteld op € 15.511. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de juni-arresten van de Hoge Raad volgt dat bij belastingplichtigen die door het forfaitaire stelsel van de Herstelwet worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement een schending optreedt van de door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten. Met het oog op rechtseenheid en rechtszekerheid geeft de Hoge Raad vervolgens regels met betrekking tot de vaststelling van het werkelijke rendement. De Hoge Raad overweegt daarbij specifiek dat het werkelijke rendement niet alleen de voordelen omvat die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Bij de vaststelling van het rendement op bezittingen kan daarnaast geen rekening worden gehouden met kosten. De Hoge Raad sluit daarbij zoveel mogelijk aan bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. Ter onderbouwing dat geen kosten meegenomen kunnen worden verwijst de Hoge Raad nog naar de parlementaire toelichting op het stelsel 2017 waarin is opgemerkt dat er per saldo voor is gekozen om voor “het totaal van kosten van de beleggingen geen additionele component op te nemen.” Daarvan uitgaande heeft belanghebbende niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat zijn werkelijk rendement in 2019 lager was dan het forfaitaire rendement.
Dat belanghebbende het niet met het oordeel van de Hoge Raad eens is, en deze manier van belastingheffing volgens belanghebbende van invloed kan zijn op de samenstelling van het vermogen leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een schending met het EVRM. De rechtbank sluit daarbij aan bij wat de Hoge Raad in de juni-arresten heeft geoordeeld. De stelling van belanghebbende dat een wetsvoorstel per 1 januari 2028 de mogelijkheid tot verrekening van kosten omvat is een keuze van de wetgever die, ook als deze wet zou worden, geen betekenis heeft voor de onderhavige jaren. Uit het oordeel van de Hoge Raad vloeit voort dat zich geen schending van het EVRM voordoet indien geen kosten of verliezen (uit andere jaren) meegenomen kunnen worden bij de berekening van het werkelijke rendement.
2018
4.7.
Belanghebbende stelt dat zijn inkomsten uit sparen en beleggen in 2018 negatief zijn en daarom verrekend moeten worden met het positieve inkomen uit werk en woning. Belanghebbende stelt dat indien geen verrekening mogelijk is dit leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 14 van het EVRM. Belanghebbende verzoekt de rechtbank het inkomen uit sparen en beleggen voor 2018 vast te stellen op € 32.000 negatief. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat op basis van de wet geen mogelijkheid negatief inkomen uit sparen en beleggen te verrekenen met het inkomen uit werk en woning. Uit de juni-arresten leidt de rechtbank af dat op basis van de berekeningswijze van het werkelijke rendement zoals de Hoge Raad dit voorschrijft het inkomen uit sparen en beleggen niet op een negatief bedrag kan worden vastgesteld, en dat geen rekening gehouden mag worden met verliezen op bezittingen over de jaargrens heen. Het rechtsherstel wordt volgens de Hoge Raad geboden door de box 3 belasting te verminderen tot nihil in geval het werkelijk rendement nihil of negatief is. Dit sluit naar het oordeel van de rechtbank uit dat verrekening binnen het jaar plaatsvindt van “negatief” box 3 inkomen met positief inkomen uit een andere box. De rechtbank is van oordeel dat dit niet in strijd is met het EVRM.
Dwangsom 2018
4.8.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een dwangsom voor het niet-tijdig nemen van de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018. De inspecteur stelt dat geen recht bestaat op een dwangsom omdat hij door belanghebbende pas op 20 september 2024 in gebreke is gesteld, en dat de ingebrekestelling daarom onredelijk laat heeft plaatsgevonden. De inspecteur stelt subsidiair dat ten aanzien van de dwangsom samenhang bestaat tussen de onderhavige belastingjaren. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onredelijk laat door belanghebbende verstuurd. De rechtbank overweegt daartoe dat belanghebbende op 11 juni 2020 bezwaar heeft ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2018 en belanghebbende pas op 20 september 2024 de inspecteur in gebreke heeft gesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen recht bestaat op een dwangsom voor het belastingjaar 2018.
Rente IB/PVV 2018
4.9.
Belanghebbende stelt dat voor het belastingjaar 2018 recht bestaat op vergoeding van rente omdat de box 3 belasting bij de uitspraak op bezwaar is verminderd tot nihil. Bij de voorlopige en definitieve aanslag IB/PVV 2018 is de inspecteur niet afgeweken van de aangifte, vervolgens heeft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar het inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot nihil. Volgens de inspecteur is op basis van de juni-arresten van de Hoge Raad het bieden van rechtsherstel voldoende en hoeft daarbij geen rentevergoeding te worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen recht op vergoeding van rente. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat kan worden aangenomen dat met een zodanige vermindering van de aanslag passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden indien geen vergoeding van rente wordt toegekend. Dit zou anders zijn indien het bedrag van de wettelijke rente meer zou bedragen dan het bedrag van de belastingvermindering, maar daar is in dit geval geen sprake van. De inspecteur heeft daarom terecht geen rentevergoeding toegekend.
Vergoeding kosten bezwaarfase 2018 en proceskostenvergoeding
4.10.
De inspecteur heeft erkend dat ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase voor het belastingjaar 2018 is toegekend. Partijen hebben daarbij afgesproken dat een vergoeding van € 70 voor verletkosten wordt betaald voor de bezwaarfase. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 70 wegens verletkosten voor de beroepsfase en een vergoeding van
€ 28,40 aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken en beslist dienovereenkomstig.
Vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.11.
Belanghebbende heeft verzocht om de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.
4.12.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de beroepsgronden hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk de grondslagen van het inkomen uit sparen en beleggen. Er bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.
4.13.
De heffingsambtenaar heeft het oudste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 25 maart 2020. De inspecteur heeft op 20 februari 2025 voor het laatst uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft na de uitspraak op bezwaar nog beroep ingesteld maar de standpunten die belanghebbende daarbij heeft ingenomen zijn naar het oordeel van de rechtbank tegen beter weten in ingenomen. Het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 was op dat moment al gewezen. Daaruit volgt dat de standpunten van belanghebbende in beroep dat waardeveranderingen van bezittingen niet belastbaar zijn, kosten afgetrokken mogen worden en negatieve box 3 inkomsten verrekend zouden mogen worden met inkomsten in andere boxen in rechte onhoudbaar zijn. De rechtbank overweegt dat het materiële geschil daarom met de laatste uitspraak op bezwaar is geëindigd, dat is per 20 februari 2025.
4.14.
Sinds de ontvangst van het oudste bezwaarschrift op 25 maart 2020 tot 20 februari 2025 is de redelijke termijn (van 2 jaar voor bezwaar- en beroepsfase samen) met 2 jaar en 11 maanden (afgerond) overschreden. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wijst de rechtbank toe. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding voor immateriële schade van € 3.000.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen niet-tijdig beslissen zijn niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 is gegrond voor zover het ziet op de kostenvergoeding en voor het overige ongegrond. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2017 en 2019 zijn ongegrond. De aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 blijven daarom gehandhaafd. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade van € 3.000. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2018 gegrond voor zover het beroep betrekking heeft op de kostenvergoeding in de bezwaarfase;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een kostenvergoeding voor het bezwaar tegen de aanslag 2018 van € 70 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar en handhaaft deze voor het overige;
verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB/PVV 2017 en 2019 en de beslissing op het verzoek ambtshalve vermindering 2017 ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 3.000;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 98,40;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 104 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 10 september 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.3.7. en Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:705, r.o. 5.3.7.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.8.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.9.
Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 11, blz. 37.
Hoge Raad 6 juni 2026, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.5.
Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:756, r.o. 3.3.7.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.
Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 e.v.