Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8723
2026-09-08
Strafrecht
02-185525-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van Turkije
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2003:AE5288 Hoge Raad 08-07-2003
- ECLI:NL:HR:2017:463 Hoge Raad 21-03-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.998 tekens)
Rechtbank ZEELAND- WEST-BRABANT
Strafrecht
Locatie: Breda
Kenmerk: UTL-I-2026024512Parketnummer: 02-185525-26
De rechtbank Zeeland- West-Brabant doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon]
,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Turkije),
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd in de P.I. [locatie],
bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.
1Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken
1.1
Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 3 juli 2026, heeft de Turkse autoriteit aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafexecutie (hierna ook: het uitleveringsverzoek).
Blijkens voormeld verzoek is de opgeëiste persoon, bij verzamelvonnis van 21 augustus 2025 door de eerste uitvoeringsrechtbank te Bursa veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar, 9 maanden en 15 dagen.
Dit verzamelvonnis betreft de samenvoeging van drie straffen die in eerste aanleg zijn opgelegd bij vonnissen van 3 juli 2018 van de eerste Strafrechtbank van eerste aanleg te Mustafakemalpaşa, Republiek Turkije, met kenmerk 2018/450, 15 november 2019 van de 22e Strafrechtbank van eerste aanleg te Bursa, Republiek Turkije, kenmerk 2019/252 en 17 februari 2021 van het 6e Hooggerechtshof voor Strafzaken te Bursa, Republiek Turkije, kenmerk 2020/239.
Bij brief van 28 juli 2026 van de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door de Turkse autoriteit gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.
1.2
De door de verzoekende staat overgelegde stukken
Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:
het vereiste origineel of een authentiek afschrift van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëistepersoon gewezen strafvonnis;
de vereiste uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
de vereiste tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;
de vereiste stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;
informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.
1.3
De overige stukken
In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:
een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juni 2026, betreffende de opgeëiste persoon;
stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;
de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant van 21 juli 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek;
de ter zitting overgelegde vordering van de officier van justitie tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon;
de op 20 augustus 2026 en 24 augustus 2026 ontvangen e-mailberichten van mr. De Klerk met bijlage;
de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant, overgelegd ter zitting op 25 augustus 2026, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;
2Het onderzoek ter zitting
2.1
De behandeling
Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 25 augustus 2026. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.
De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadsman mr. M. de Klerk - heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij de Turkse nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.
Namens het openbaar ministerie is verschenen officier van justitie mr. L van Hemert.
2.2
Het standpunt van de opgeëiste persoon
Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Er zijn zorgen over een schending van de mensenrechten. Op dit moment is het weliswaar zo dat er geen sprake is van de doodstraf in Turkije, maar dit blijft een dynamisch punt. In Turkije is al jaren een gekozen regering waarbij dingen anders zijn gaan lopen.
Er wordt tevens gevreesd voor inhumane detentieomstandigheden bij een terugkeer in Turkije. Als de opgeëiste persoon nu wordt uitgeleverd dan verblijft hij in een cel met 30 mensen. De bezettingsgraad van de gevangenissen in Turkije is momenteel ruim 138%. Indien de rechtbank van mening is dat de uitlevering toelaatbaar is, dan verzoekt de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden om garanties af te dwingen bij de Turkse autoriteiten omtrent de mensenrechten van de opgeëiste persoon.
2.3
De opvatting van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard.
3Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
3.1
Inleiding
De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de Minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de Minister dient te beslissen of het verzoek daadwerkelijk wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de Minister. De uitleveringsrechter kan de Minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de Minister en anderzijds de uitleveringsrechter.
3.2
Toepasselijke wetten en verdragen
Op het verzoek is naast de UW het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: het EUV) van toepassing van toepassing.
3.3
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Het verzoek is conform artikel 18 van UW vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Onder de overgelegde stukken bevinden zich een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel dat ziet op de te executeren straf waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Voorts is een uiteenzetting van de feiten met vermelding van plaats en tijd waar deze zijn begaan, en de vonnissen (of een samenvatting daarvan) opgenomen in het uitleveringsverzoek en is bijgevoegd een afschrift van de Turkse wetsbepalingen die van toepassing zijn voor elk van de drie vonnissen. Daarmee is sprake van genoegzaamheid der stukken en is voldaan aan de eisen van artikel 2 van het Europees Uitleveringsverdrag en artikel 18 van de Uitleveringswet.
3.4
Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.
De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van poging tot moord, diefstal van een auto en verboden wapenbezit. Naar Turks recht staan op deze feiten vrijheidsbenemende straffen van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht zijn deze feiten - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar gesteld onder artikelen 289 en 310 Wetboek van Strafrecht en artikel 26 lid 1 jo. art. 55 Wet Wapens en Munitie en bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar.
3.5
Ne bis in idem en verjaring
Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juni 2026 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Turks of Nederlands recht sprake van verjaring.
3.6
Specialiteitsbeginsel
Alle uitleveringsverdragen waarbij Nederland partij is, bevatten de regel dat de verzoekende staat na uitlevering alleen strafrechtelijk mag optreden tegen de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor zijn uitlevering is toegestaan, het specialiteitsbeginsel. Dit maakt overigens ook deel uit van het internationaal gewoonterecht. Turkije heeft in haar uitleveringsverzoek expliciet de garantie afgegeven zich te houden aan het specialiteitsbeginsel blijkens pagina 3 van het uitleveringsverzoek. Uit het bestaan van een uitleveringsverdrag tussen Nederland en het verzoekende land Turkije wordt in de uitleveringsrechtspraak afgeleid dat in het algemeen vertrouwd moet worden op de juistheid van de door de verzoekende staat bij het uitleveringsverzoek verstrekte mededelingen van feitelijke én juridisch aard. Dit is het bekende zogenaamde vertrouwensbeginsel. Niet alleen mededelingen van de zijde van de verzoekende staat, maar ook door deze staat overeenkomstig het toepasselijke uitleveringsverdrag gegeven garanties vallen onder de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel.
3.7
Doodstraf
Turkije heeft de doodstraf in 2002 afgeschaft (artikel 8 Uitleveringswet).Daarbij komt dat deze uitlevering een uitlevering betreft ter fine van een strafexecutie. Dit betreft een gevangenisstraf van twaalf jaar negen maanden en vijfenveertig dagen die in rechte onherroepelijk vaststaat.
3.8
Vervolging wegens een politiek delict
Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.
3.9 (
Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).
Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM (verbod op foltering of onmenselijke behandeling) voorbehouden aan de Minister. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Een dergelijk verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in wat er aangevoerd wordt reden kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in artikel 30 UW, deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter fine van strafexecutie een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR.
Op het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter fine van strafexecutie is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen, kan een uitzondering gemaakt worden als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
De door de raadsman gegeven onderbouwing kan niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM is immers geen sprake en zulks is overigens ook niet aangevoerd. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ter dienste staat. Het beroep wordt derhalve verworpen.
3.10
Tot slot
Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.
4De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen
Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:
- artikelen 2, 5, 18, 26, 28 en 51a van de UW;
- artikelen 1, 2 en 12 van het EUV
- artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV
- artikelen 289 en 310 Wetboek van Strafrecht
- artikel 26 lid 1 jo. art. 55 Wet Wapens en Munitie
5Beslissing
De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van Turkije voornoemd ter fine van strafexecutie ter zake van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek.
Deze uitspraak is gewezen door:
mr. J.F.C. Janssen, voorzitter,
mr. D.H. Hamburger, rechter,
mr. I.M.L. Felix, rechter,
in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 8 september 2026.
Mr. Janssen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen
Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.
Strafrecht
Locatie: Breda
Kenmerk: UTL-I-2026024512Parketnummer: 02-185525-26
De rechtbank Zeeland- West-Brabant doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon]
,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Turkije),
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd in de P.I. [locatie],
bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.
1Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken
1.1
Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 3 juli 2026, heeft de Turkse autoriteit aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafexecutie (hierna ook: het uitleveringsverzoek).
Blijkens voormeld verzoek is de opgeëiste persoon, bij verzamelvonnis van 21 augustus 2025 door de eerste uitvoeringsrechtbank te Bursa veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar, 9 maanden en 15 dagen.
Dit verzamelvonnis betreft de samenvoeging van drie straffen die in eerste aanleg zijn opgelegd bij vonnissen van 3 juli 2018 van de eerste Strafrechtbank van eerste aanleg te Mustafakemalpaşa, Republiek Turkije, met kenmerk 2018/450, 15 november 2019 van de 22e Strafrechtbank van eerste aanleg te Bursa, Republiek Turkije, kenmerk 2019/252 en 17 februari 2021 van het 6e Hooggerechtshof voor Strafzaken te Bursa, Republiek Turkije, kenmerk 2020/239.
Bij brief van 28 juli 2026 van de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door de Turkse autoriteit gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.
1.2
De door de verzoekende staat overgelegde stukken
Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:
het vereiste origineel of een authentiek afschrift van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëistepersoon gewezen strafvonnis;
de vereiste uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
de vereiste tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;
de vereiste stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;
informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.
1.3
De overige stukken
In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:
een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juni 2026, betreffende de opgeëiste persoon;
stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;
de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant van 21 juli 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek;
de ter zitting overgelegde vordering van de officier van justitie tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon;
de op 20 augustus 2026 en 24 augustus 2026 ontvangen e-mailberichten van mr. De Klerk met bijlage;
de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant, overgelegd ter zitting op 25 augustus 2026, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;
2Het onderzoek ter zitting
2.1
De behandeling
Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 25 augustus 2026. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.
De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadsman mr. M. de Klerk - heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij de Turkse nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.
Namens het openbaar ministerie is verschenen officier van justitie mr. L van Hemert.
2.2
Het standpunt van de opgeëiste persoon
Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Er zijn zorgen over een schending van de mensenrechten. Op dit moment is het weliswaar zo dat er geen sprake is van de doodstraf in Turkije, maar dit blijft een dynamisch punt. In Turkije is al jaren een gekozen regering waarbij dingen anders zijn gaan lopen.
Er wordt tevens gevreesd voor inhumane detentieomstandigheden bij een terugkeer in Turkije. Als de opgeëiste persoon nu wordt uitgeleverd dan verblijft hij in een cel met 30 mensen. De bezettingsgraad van de gevangenissen in Turkije is momenteel ruim 138%. Indien de rechtbank van mening is dat de uitlevering toelaatbaar is, dan verzoekt de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden om garanties af te dwingen bij de Turkse autoriteiten omtrent de mensenrechten van de opgeëiste persoon.
2.3
De opvatting van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard.
3Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
3.1
Inleiding
De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de Minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de Minister dient te beslissen of het verzoek daadwerkelijk wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de Minister. De uitleveringsrechter kan de Minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de Minister en anderzijds de uitleveringsrechter.
3.2
Toepasselijke wetten en verdragen
Op het verzoek is naast de UW het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: het EUV) van toepassing van toepassing.
3.3
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Het verzoek is conform artikel 18 van UW vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Onder de overgelegde stukken bevinden zich een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel dat ziet op de te executeren straf waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Voorts is een uiteenzetting van de feiten met vermelding van plaats en tijd waar deze zijn begaan, en de vonnissen (of een samenvatting daarvan) opgenomen in het uitleveringsverzoek en is bijgevoegd een afschrift van de Turkse wetsbepalingen die van toepassing zijn voor elk van de drie vonnissen. Daarmee is sprake van genoegzaamheid der stukken en is voldaan aan de eisen van artikel 2 van het Europees Uitleveringsverdrag en artikel 18 van de Uitleveringswet.
3.4
Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.
De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van poging tot moord, diefstal van een auto en verboden wapenbezit. Naar Turks recht staan op deze feiten vrijheidsbenemende straffen van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht zijn deze feiten - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar gesteld onder artikelen 289 en 310 Wetboek van Strafrecht en artikel 26 lid 1 jo. art. 55 Wet Wapens en Munitie en bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar.
3.5
Ne bis in idem en verjaring
Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juni 2026 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Turks of Nederlands recht sprake van verjaring.
3.6
Specialiteitsbeginsel
Alle uitleveringsverdragen waarbij Nederland partij is, bevatten de regel dat de verzoekende staat na uitlevering alleen strafrechtelijk mag optreden tegen de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor zijn uitlevering is toegestaan, het specialiteitsbeginsel. Dit maakt overigens ook deel uit van het internationaal gewoonterecht. Turkije heeft in haar uitleveringsverzoek expliciet de garantie afgegeven zich te houden aan het specialiteitsbeginsel blijkens pagina 3 van het uitleveringsverzoek. Uit het bestaan van een uitleveringsverdrag tussen Nederland en het verzoekende land Turkije wordt in de uitleveringsrechtspraak afgeleid dat in het algemeen vertrouwd moet worden op de juistheid van de door de verzoekende staat bij het uitleveringsverzoek verstrekte mededelingen van feitelijke én juridisch aard. Dit is het bekende zogenaamde vertrouwensbeginsel. Niet alleen mededelingen van de zijde van de verzoekende staat, maar ook door deze staat overeenkomstig het toepasselijke uitleveringsverdrag gegeven garanties vallen onder de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel.
3.7
Doodstraf
Turkije heeft de doodstraf in 2002 afgeschaft (artikel 8 Uitleveringswet).Daarbij komt dat deze uitlevering een uitlevering betreft ter fine van een strafexecutie. Dit betreft een gevangenisstraf van twaalf jaar negen maanden en vijfenveertig dagen die in rechte onherroepelijk vaststaat.
3.8
Vervolging wegens een politiek delict
Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.
3.9 (
Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).
Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM (verbod op foltering of onmenselijke behandeling) voorbehouden aan de Minister. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Een dergelijk verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in wat er aangevoerd wordt reden kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in artikel 30 UW, deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter fine van strafexecutie een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR.
Op het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter fine van strafexecutie is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen, kan een uitzondering gemaakt worden als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
De door de raadsman gegeven onderbouwing kan niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM is immers geen sprake en zulks is overigens ook niet aangevoerd. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ter dienste staat. Het beroep wordt derhalve verworpen.
3.10
Tot slot
Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.
4De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen
Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:
- artikelen 2, 5, 18, 26, 28 en 51a van de UW;
- artikelen 1, 2 en 12 van het EUV
- artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV
- artikelen 289 en 310 Wetboek van Strafrecht
- artikel 26 lid 1 jo. art. 55 Wet Wapens en Munitie
5Beslissing
De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van Turkije voornoemd ter fine van strafexecutie ter zake van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek.
Deze uitspraak is gewezen door:
mr. J.F.C. Janssen, voorzitter,
mr. D.H. Hamburger, rechter,
mr. I.M.L. Felix, rechter,
in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 8 september 2026.
Mr. Janssen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen
Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.