Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8698
2026-09-08
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/3690
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PW. Beroep gegrond. Gelet op verklaring medisch adviseur van eiseres kan de camper als noodzakelijk hulpmiddel worden aangemerkt. Mocht dus niet meegenomen worden bij het bepalen van het vermogen.
Citeert (6)
- ECLI:NL:CRVB:2025:202 Centrale Raad van Beroep 14-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2015:79 Centrale Raad van Beroep 20-01-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:1498 Centrale Raad van Beroep 12-05-2015
- ECLI:NL:CRVB:2018:2159 Centrale Raad van Beroep 17-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2015:1370 Centrale Raad van Beroep 21-04-2015
- ECLI:NL:CRVB:2018:3262 Centrale Raad van Beroep 23-10-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.702 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3690 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het intrekken en terugvorderen van de bijstandsuitkering van eiseres wegens het hebben van te veel vermogen. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bijstandsuitkering van eiseres mocht intrekken en terugvorderen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de camper kan worden aangemerkt als (medisch) noodzakelijk hulpmiddel en daarom niet betrokken mag worden bij de vaststelling van het vermogen van eiseres. Gelet hierop had de bijstandsuitkering niet ingetrokken en teruggevorderd mogen worden. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 18 juni 2024 (primair besluit) heeft het college het vermogen van eiseres vastgesteld en geconcludeerd dat eiseres te veel bijstand heeft ontvangen in de periode van 16 mei 2023 tot en met 23 februari 2024. Het college heeft een bedrag van
€ 9.787,84 teruggevorderd. Met een besluit van 17 oktober 2024 (primair besluit II) heeft het college het primaire besluit herzien omdat er een verkeerde datum in stond (de datum van het toekenningsbesluit). Met bestreden besluit I (datum onbekend) op het bezwaar van eiseres is het college bij de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 29 juli 2025 heeft het college een gewijzigd besluit genomen (bestreden besluit II), waarmee de terugvordering is verlaagd naar € 7.431,07. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege (ook) betrekking op dit besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (via een digitale beeldverbinding) en namens het college [persoon] .
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het college de gelegenheid kreeg om op een aantal zaken te reageren. Het college heeft dit gedaan met de brief van 11 juni 2026. Daarbij heeft het college verwezen naar een op 15 juni 2026 gedateerd besluit. Hoewel het college in dat besluit een bezwaarclausule heeft opgenomen en dat in de brief van 11 juni 2026 aanduidt als een ‘nieuw primair besluit’, begrijpt de rechtbank dat hiermee is bedoeld een nieuwe, vervangende beslissing op bezwaar te nemen; immers, (onder andere) bestreden besluit II wordt ingetrokken en vervangen door het besluit van 15 juni 2026 (bestreden besluit III). Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft het beroep van rechtswege (ook) betrekking op dit besluit.
2.5.
Met bestreden besluit III heeft het college de periode van terugvordering gewijzigd naar 16 mei 2023 tot 21 december 2023 (corresponderend met het terugvorderingsbedrag van € 7.431,07. Eiseres heeft hierop gereageerd met een brief van 22 juni 2026.
2.6.
Omdat tijdens de zitting met partijen is besproken dat een tweede zitting niet nodig is, heeft de rechtbank het onderzoek op 15 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Aan eiseres is (bij beschikking van 1 augustus 2023) per 16 mei 2023 een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van leenbijstand. In die periode verbleef eiseres in haar stacaravan op een recreatiepark. Zij stond met een briefadres ingeschreven op het adres van haar zus.
3.1.
Het college heeft in juni 2024 een heronderzoek uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat eiseres de stacaravan in april 2024 heeft verkocht. Eiseres beschikt verder over een auto en een camper. Sinds de verkoop van de stacaravan verbleef eiseres in haar camper op verschillende adressen.
3.2.
Het college heeft vervolgens het vermogen van eiseres berekend. Daarbij is onder andere rekening gehouden met de verkoopprijs van de stacaravan (€ 20.000,-), de waarde van de camper (€ 13.500,-) en de schuld van eiseres aan haar zus (€ 16.800,-). Het vermogen van eiseres is per 16 mei 2023 vastgesteld op € 17.392,84. Gelet hierop heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken en een bedrag van € 9.787,84 teruggevorderd over de periode van 16 mei 2023 tot en met 23 februari 2024. Vanaf 24 februari 2024 wordt de bijstandsuitkering om niet toegekend.
3.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt, waarna het college is overgegaan tot het nemen van bestreden besluit I. Op 29 juli 2025 heeft het college bestreden besluit II genomen, waarbij rekening is gehouden met de verschuldigde rente aan de zus van eiseres en de terugvordering is verlaagd naar € 7.431,07.
3.4.
Na de mondelinge behandeling van het beroep heeft het college bestreden besluit III genomen. In dit besluit is de terugvorderingsperiode gewijzigd naar 16 mei 2023 tot 21 december 2023.
Standpunt van het college
4. Volgens het college kan de camper niet als zelfstandige woning worden beschouwd. Ook is de camper geen noodzakelijke bezitting in de zin van artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet (Pw). De door eiseres ingeschakelde medisch adviseur heeft aan de aandoening Elektro Hyper Sensitiviteit (EHS) niet de conclusie verbonden dat eiseres noodzakelijk over een camper dient te beschikken wanneer zij zich buitenshuis verplaatst over verdere afstanden waarbij een overnachting noodzakelijk is of om anderszins deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer. Bij het vaststellen van het vermogen dient daarom rekening gehouden te worden met de waarde van de camper. Gelet hierop was het vermogen van eiseres in de periode van 16 mei 2023 tot 21 december 2023 te hoog, waardoor de bijstandsuitkering voor die periode ingetrokken en teruggevorderd dient te worden.
Beroepsgronden
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij is aangewezen op haar camper vanwege de EHS. Daarbij acht eiseres van belang dat deze aandoening door het College voor de Rechten van de Mens is erkend als handicap. Met haar camper kan zij de straling in haar woonomgeving ontvluchten. Gelet hierop kan de camper gezien worden als een verlengstuk van haar woning, waarbij de aanschafwaarde onder de vrijstellingsgrens voor vermogen gebonden in een woning ligt. Daarnaast dient de camper volgens eiseres aangemerkt te worden als een noodzakelijk hulpmiddel en buiten beschouwing gelaten te worden bij het vaststellen van haar vermogen.
Bewijslastverdeling
6. Intrekking en terugvordering van bijstand is voor eiseres een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Toetsingskader
7. In artikel 34, eerste lid, van de Pw is bepaald dat de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met aanwezige schulden, aangemerkt wordt als vermogen. Als het vermogen meer bedraagt dan de geldende vermogensgrens bestaat er ingevolge artikel 19, eerste lid, onder b, van de Pw geen recht op bijstand. In artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de Pw is de vermogensgrens (voor 2023) bepaald op € 7.605,-.
7.1.
De wettelijke regels die verder van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Dient de camper te worden aangemerkt als woning?
8. Eiseres heeft aangevoerd dat de camper als (een verlengstuk van) haar woning gezien moet worden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de camper niet als een zelfstandige woning kan worden beschouwd.
8.1.
In artikel 34, tweede lid, onder d en artikel 50 van de Pw wordt bepaald dat een vrijstelling geldt voor het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen. Op het moment van het bestreden besluit bedroeg deze vrijstelling € 63.900,-. Uit de memorie van toelichting bij de Wet werk en bijstand, de voorganger van de Participatiewet, blijkt dat voor wat betreft het begrip “woning” is aangesloten bij de Huursubsidiewet. Als “zelfstandige woning” wordt daarin verstaan een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet niet met een andere woning worden gedeeld. Jurisprudentie bevestigt dat een woning in de zin van de Pw een zelfstandige woonruimte betreft met een eigen in- en uitgang die de wezenlijke functies niet deelt met een andere woning en die qua voorzieningen niet (volledig) afhankelijk is van een andere woning.
8.2.
Bij de beoordeling of de camper kan worden aangemerkt als woning is van belang dat de camper niet was aangesloten op nutsvoorzieningen en daarom niet kon worden bewoond zonder de elementaire voorzieningen van elders te betrekken. Zo heeft eiseres ter zitting aangegeven dat zij regelmatig met haar camper naar een plaats ging waar minder straling was, zoals een boerderij in Drenthe, waar zij een kabel uitlegde voor elektra en water haalde in de nabijgelegen schuur. Gelet hierop is de camper van eiseres naar het oordeel van de rechtbank alleen daarom al niet te beschouwen als een zelfstandige woning in de zin van de artikelen 34 en 50 van de Pw, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.
Is de camper aan te merken als een (medisch) noodzakelijk hulpmiddel?
9. Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Pw worden bezittingen in nature die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn niet als vermogen in aanmerking genomen.
9.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege de EHS aangewezen is op het gebruik van de camper. De camper is daarom een noodzakelijk hulpmiddel en dient buiten beschouwing gelaten te worden bij het vaststellen van het vermogen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij de camper, ook nu zij een (‘afgeschermde’) woning in [plaats] heeft, nog steeds nodig heeft als hulpmiddel om te kunnen participeren. Bijvoorbeeld omdat zij niet in reguliere hotels kan overnachten wanneer zij lange afstanden moet overbruggen. Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting ter onderbouwing van haar standpunt een schriftelijke verklaring van Artsenpraktijk voor Homeopathie van 26 oktober 2025 overgelegd.
9.2.
Het college heeft hierop gereageerd door aan te geven dat de conclusie van de door eiseres ingeschakelde medische adviseur is dat eiseres lijdt aan de aandoening EHS, maar aan de aandoening niet de conclusie heeft verbonden dat eiseres noodzakelijk over een camper dient te beschikken wanneer zij zich buitenshuis verplaatst over verdere afstanden waarbij een overnachting noodzakelijk is, of anderszins deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer.
9.3.
De rechtbank stelt vast dat het college niet betwist dat eiseres lijdt aan EHS en dat EHS een aandoening is. De rechtbank zal haar beoordeling daarom beperken tot de vraag of de camper, gelet op de vastgestelde aandoening EHS, gezien kan worden als een (medisch) noodzakelijk hulpmiddel.
9.4.
Uit de conclusie van de medisch adviseur dat eiseres klachten ontwikkelt als zij verblijft in een niet afgeschermde ruimte zowel binnenshuis, op een werkplek of in de openbare ruimte, volgt naar het oordeel van de rechtbank impliciet de conclusie dat zij buitenshuis noodzaak heeft aan een afgeschermde plek, zoals haar camper, om te kunnen participeren. Hiermee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de camper als noodzakelijk hulpmiddel moet worden beschouwd. De enkele constatering van het college dat de medisch adviseur niet expliciet heeft aangegeven dat eiseres een camper nodig heeft, is onvoldoende om dit te weerleggen.
9.5.
Gelet hierop dient de camper naar het oordeel van de rechtbank als (medisch) noodzakelijk hulpmiddel te worden aangemerkt. De waarde van de camper ter hoogte van
€ 13.500,- dient daarom buiten beschouwing te blijven bij het vaststellen van het vermogen van eiseres. Daarmee heeft eiseres de vermogensgrens niet overschreden en heeft zij vanaf 16 mei 2023 recht op een bijstandsuitkering om niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de waarde van de camper niet betrokken kan worden bij het berekenen van het vermogen van eiseres. Gelet hierop heeft eiseres de vermogensgrens niet overschreden en mocht het college niet overgaan tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten I, II en III. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiseres vanaf 16 mei 2023 recht heeft op een bijstandsuitkering om niet.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt bestreden besluit I (beslissing op bezwaar, datum onbekend), bestreden besluit II van 29 juli 2025 en bestreden besluit III van 15 juni 2026;
- herroept de primaire besluiten van 18 juni 2024 en 17 oktober 2024;
- bepaalt dat eiseres vanaf 16 mei 2023 recht heeft op een bijstandsuitkering om niet en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 19, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Artikel 34
1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 65.500,00;
e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 7605,00;
b. voor een alleenstaande ouder: € 15.540,00;
c. voor de gehuwden tezamen: € 15.540,00.
Artikel 50
1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening:
a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid; en
b. voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:202.
Memorie van toelichting bij de Wet werk en bijstand, kamerstuk 28870, nr. 3, 2002-2003, p. 33.
Zie de uitspraken van de CRvB van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:79 (r.o. 4.7), van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1498 (r.o. 4.3) en van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2159 (r.o. 4.5).
Zie de uitspraken van de CRvB van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370 (r.o. 4.4.2) en van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3262 (r.o. 4.7.5).
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3690 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het intrekken en terugvorderen van de bijstandsuitkering van eiseres wegens het hebben van te veel vermogen. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bijstandsuitkering van eiseres mocht intrekken en terugvorderen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de camper kan worden aangemerkt als (medisch) noodzakelijk hulpmiddel en daarom niet betrokken mag worden bij de vaststelling van het vermogen van eiseres. Gelet hierop had de bijstandsuitkering niet ingetrokken en teruggevorderd mogen worden. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 18 juni 2024 (primair besluit) heeft het college het vermogen van eiseres vastgesteld en geconcludeerd dat eiseres te veel bijstand heeft ontvangen in de periode van 16 mei 2023 tot en met 23 februari 2024. Het college heeft een bedrag van
€ 9.787,84 teruggevorderd. Met een besluit van 17 oktober 2024 (primair besluit II) heeft het college het primaire besluit herzien omdat er een verkeerde datum in stond (de datum van het toekenningsbesluit). Met bestreden besluit I (datum onbekend) op het bezwaar van eiseres is het college bij de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 29 juli 2025 heeft het college een gewijzigd besluit genomen (bestreden besluit II), waarmee de terugvordering is verlaagd naar € 7.431,07. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege (ook) betrekking op dit besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (via een digitale beeldverbinding) en namens het college [persoon] .
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het college de gelegenheid kreeg om op een aantal zaken te reageren. Het college heeft dit gedaan met de brief van 11 juni 2026. Daarbij heeft het college verwezen naar een op 15 juni 2026 gedateerd besluit. Hoewel het college in dat besluit een bezwaarclausule heeft opgenomen en dat in de brief van 11 juni 2026 aanduidt als een ‘nieuw primair besluit’, begrijpt de rechtbank dat hiermee is bedoeld een nieuwe, vervangende beslissing op bezwaar te nemen; immers, (onder andere) bestreden besluit II wordt ingetrokken en vervangen door het besluit van 15 juni 2026 (bestreden besluit III). Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft het beroep van rechtswege (ook) betrekking op dit besluit.
2.5.
Met bestreden besluit III heeft het college de periode van terugvordering gewijzigd naar 16 mei 2023 tot 21 december 2023 (corresponderend met het terugvorderingsbedrag van € 7.431,07. Eiseres heeft hierop gereageerd met een brief van 22 juni 2026.
2.6.
Omdat tijdens de zitting met partijen is besproken dat een tweede zitting niet nodig is, heeft de rechtbank het onderzoek op 15 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Aan eiseres is (bij beschikking van 1 augustus 2023) per 16 mei 2023 een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van leenbijstand. In die periode verbleef eiseres in haar stacaravan op een recreatiepark. Zij stond met een briefadres ingeschreven op het adres van haar zus.
3.1.
Het college heeft in juni 2024 een heronderzoek uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat eiseres de stacaravan in april 2024 heeft verkocht. Eiseres beschikt verder over een auto en een camper. Sinds de verkoop van de stacaravan verbleef eiseres in haar camper op verschillende adressen.
3.2.
Het college heeft vervolgens het vermogen van eiseres berekend. Daarbij is onder andere rekening gehouden met de verkoopprijs van de stacaravan (€ 20.000,-), de waarde van de camper (€ 13.500,-) en de schuld van eiseres aan haar zus (€ 16.800,-). Het vermogen van eiseres is per 16 mei 2023 vastgesteld op € 17.392,84. Gelet hierop heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken en een bedrag van € 9.787,84 teruggevorderd over de periode van 16 mei 2023 tot en met 23 februari 2024. Vanaf 24 februari 2024 wordt de bijstandsuitkering om niet toegekend.
3.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt, waarna het college is overgegaan tot het nemen van bestreden besluit I. Op 29 juli 2025 heeft het college bestreden besluit II genomen, waarbij rekening is gehouden met de verschuldigde rente aan de zus van eiseres en de terugvordering is verlaagd naar € 7.431,07.
3.4.
Na de mondelinge behandeling van het beroep heeft het college bestreden besluit III genomen. In dit besluit is de terugvorderingsperiode gewijzigd naar 16 mei 2023 tot 21 december 2023.
Standpunt van het college
4. Volgens het college kan de camper niet als zelfstandige woning worden beschouwd. Ook is de camper geen noodzakelijke bezitting in de zin van artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet (Pw). De door eiseres ingeschakelde medisch adviseur heeft aan de aandoening Elektro Hyper Sensitiviteit (EHS) niet de conclusie verbonden dat eiseres noodzakelijk over een camper dient te beschikken wanneer zij zich buitenshuis verplaatst over verdere afstanden waarbij een overnachting noodzakelijk is of om anderszins deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer. Bij het vaststellen van het vermogen dient daarom rekening gehouden te worden met de waarde van de camper. Gelet hierop was het vermogen van eiseres in de periode van 16 mei 2023 tot 21 december 2023 te hoog, waardoor de bijstandsuitkering voor die periode ingetrokken en teruggevorderd dient te worden.
Beroepsgronden
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij is aangewezen op haar camper vanwege de EHS. Daarbij acht eiseres van belang dat deze aandoening door het College voor de Rechten van de Mens is erkend als handicap. Met haar camper kan zij de straling in haar woonomgeving ontvluchten. Gelet hierop kan de camper gezien worden als een verlengstuk van haar woning, waarbij de aanschafwaarde onder de vrijstellingsgrens voor vermogen gebonden in een woning ligt. Daarnaast dient de camper volgens eiseres aangemerkt te worden als een noodzakelijk hulpmiddel en buiten beschouwing gelaten te worden bij het vaststellen van haar vermogen.
Bewijslastverdeling
6. Intrekking en terugvordering van bijstand is voor eiseres een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Toetsingskader
7. In artikel 34, eerste lid, van de Pw is bepaald dat de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met aanwezige schulden, aangemerkt wordt als vermogen. Als het vermogen meer bedraagt dan de geldende vermogensgrens bestaat er ingevolge artikel 19, eerste lid, onder b, van de Pw geen recht op bijstand. In artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de Pw is de vermogensgrens (voor 2023) bepaald op € 7.605,-.
7.1.
De wettelijke regels die verder van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Dient de camper te worden aangemerkt als woning?
8. Eiseres heeft aangevoerd dat de camper als (een verlengstuk van) haar woning gezien moet worden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de camper niet als een zelfstandige woning kan worden beschouwd.
8.1.
In artikel 34, tweede lid, onder d en artikel 50 van de Pw wordt bepaald dat een vrijstelling geldt voor het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen. Op het moment van het bestreden besluit bedroeg deze vrijstelling € 63.900,-. Uit de memorie van toelichting bij de Wet werk en bijstand, de voorganger van de Participatiewet, blijkt dat voor wat betreft het begrip “woning” is aangesloten bij de Huursubsidiewet. Als “zelfstandige woning” wordt daarin verstaan een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet niet met een andere woning worden gedeeld. Jurisprudentie bevestigt dat een woning in de zin van de Pw een zelfstandige woonruimte betreft met een eigen in- en uitgang die de wezenlijke functies niet deelt met een andere woning en die qua voorzieningen niet (volledig) afhankelijk is van een andere woning.
8.2.
Bij de beoordeling of de camper kan worden aangemerkt als woning is van belang dat de camper niet was aangesloten op nutsvoorzieningen en daarom niet kon worden bewoond zonder de elementaire voorzieningen van elders te betrekken. Zo heeft eiseres ter zitting aangegeven dat zij regelmatig met haar camper naar een plaats ging waar minder straling was, zoals een boerderij in Drenthe, waar zij een kabel uitlegde voor elektra en water haalde in de nabijgelegen schuur. Gelet hierop is de camper van eiseres naar het oordeel van de rechtbank alleen daarom al niet te beschouwen als een zelfstandige woning in de zin van de artikelen 34 en 50 van de Pw, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.
Is de camper aan te merken als een (medisch) noodzakelijk hulpmiddel?
9. Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Pw worden bezittingen in nature die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn niet als vermogen in aanmerking genomen.
9.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege de EHS aangewezen is op het gebruik van de camper. De camper is daarom een noodzakelijk hulpmiddel en dient buiten beschouwing gelaten te worden bij het vaststellen van het vermogen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij de camper, ook nu zij een (‘afgeschermde’) woning in [plaats] heeft, nog steeds nodig heeft als hulpmiddel om te kunnen participeren. Bijvoorbeeld omdat zij niet in reguliere hotels kan overnachten wanneer zij lange afstanden moet overbruggen. Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting ter onderbouwing van haar standpunt een schriftelijke verklaring van Artsenpraktijk voor Homeopathie van 26 oktober 2025 overgelegd.
9.2.
Het college heeft hierop gereageerd door aan te geven dat de conclusie van de door eiseres ingeschakelde medische adviseur is dat eiseres lijdt aan de aandoening EHS, maar aan de aandoening niet de conclusie heeft verbonden dat eiseres noodzakelijk over een camper dient te beschikken wanneer zij zich buitenshuis verplaatst over verdere afstanden waarbij een overnachting noodzakelijk is, of anderszins deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer.
9.3.
De rechtbank stelt vast dat het college niet betwist dat eiseres lijdt aan EHS en dat EHS een aandoening is. De rechtbank zal haar beoordeling daarom beperken tot de vraag of de camper, gelet op de vastgestelde aandoening EHS, gezien kan worden als een (medisch) noodzakelijk hulpmiddel.
9.4.
Uit de conclusie van de medisch adviseur dat eiseres klachten ontwikkelt als zij verblijft in een niet afgeschermde ruimte zowel binnenshuis, op een werkplek of in de openbare ruimte, volgt naar het oordeel van de rechtbank impliciet de conclusie dat zij buitenshuis noodzaak heeft aan een afgeschermde plek, zoals haar camper, om te kunnen participeren. Hiermee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de camper als noodzakelijk hulpmiddel moet worden beschouwd. De enkele constatering van het college dat de medisch adviseur niet expliciet heeft aangegeven dat eiseres een camper nodig heeft, is onvoldoende om dit te weerleggen.
9.5.
Gelet hierop dient de camper naar het oordeel van de rechtbank als (medisch) noodzakelijk hulpmiddel te worden aangemerkt. De waarde van de camper ter hoogte van
€ 13.500,- dient daarom buiten beschouwing te blijven bij het vaststellen van het vermogen van eiseres. Daarmee heeft eiseres de vermogensgrens niet overschreden en heeft zij vanaf 16 mei 2023 recht op een bijstandsuitkering om niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de waarde van de camper niet betrokken kan worden bij het berekenen van het vermogen van eiseres. Gelet hierop heeft eiseres de vermogensgrens niet overschreden en mocht het college niet overgaan tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten I, II en III. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiseres vanaf 16 mei 2023 recht heeft op een bijstandsuitkering om niet.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt bestreden besluit I (beslissing op bezwaar, datum onbekend), bestreden besluit II van 29 juli 2025 en bestreden besluit III van 15 juni 2026;
- herroept de primaire besluiten van 18 juni 2024 en 17 oktober 2024;
- bepaalt dat eiseres vanaf 16 mei 2023 recht heeft op een bijstandsuitkering om niet en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 19, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Artikel 34
1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 65.500,00;
e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 7605,00;
b. voor een alleenstaande ouder: € 15.540,00;
c. voor de gehuwden tezamen: € 15.540,00.
Artikel 50
1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening:
a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid; en
b. voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:202.
Memorie van toelichting bij de Wet werk en bijstand, kamerstuk 28870, nr. 3, 2002-2003, p. 33.
Zie de uitspraken van de CRvB van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:79 (r.o. 4.7), van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1498 (r.o. 4.3) en van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2159 (r.o. 4.5).
Zie de uitspraken van de CRvB van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370 (r.o. 4.4.2) en van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3262 (r.o. 4.7.5).