Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8545

2026-09-03 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/3982
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/3982
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.067 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/3982


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 juli 2025.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 26 augustus 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Feiten


2. De gemeente Waalwijk heeft parkeren op parkeerplaatsen die bestemd zijn voor het opladen van elektrische voertuigen in een gebied waar betaald parkeren geldt, in afwijking van haar Verordening parkeerbelastingen 2025 (de Verordening) en de Beleidsregels oplaadinfrastructuur elektrische voertuigen Waalwijk 2023, tot 1 april 2025 feitelijk gratis toegestaan.



2.1.
De gemeente Waalwijk heeft in maart 2025 besloten om de voormelde praktijk per 1 april 2025 te beëindigen. Dit besluit is op 12 maart 2025 gepubliceerd in het weekblad van de gemeente Waalwijk en op 13 maart 2025 op de website van de gemeente Waalwijk.



2.2.
Na 1 april 2025 heeft een ‘waarschuwingsfase’ plaatsgevonden, waarin parkeerders enkel een waarschuwing kregen in plaats van een naheffingsaanslag voor het parkeren op een parkeerplaats die bestemd is voor het opladen van elektrische voertuigen in een gebied waar betaald parkeren geldt zonder daarvoor de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.



2.3.
Op 26 juni 2025 omstreeks 16:42 uur stond de auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken] , geparkeerd op een parkeerplaats voor het opladen van elektrische voertuigen aan het [plein] in [plaats] .



2.4.
Het [plein] is door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Waalwijk aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.



2.5.
Tijdens een controle op voormelde datum en tijd is geconstateerd dat geen parkeerbelasting is voldaan. Naar aanleiding van deze constatering, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 79,90, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1,10 en € 78,80 aan kosten van de naheffingsaanslag.




Beoordeling door de rechtbank


3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op grond van de geldende regelgeving parkeerbelasting verschuldigd was en de naheffingsaanslag parkeerbelasting als uitgangspunt dus terecht aan belanghebbende is opgelegd. Wat partijen verdeeld houdt, is of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de vóór 1 april 2025 door de gemeente gevolgde praktijk (zie 2) op het controlemoment nog gold en de naheffingsaanslag om die reden niet in stand kan blijven.



3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de door de gemeente gevolgde praktijk bij de laadvoorzieningen (zie 2) moet worden aangemerkt als begunstigend beleid in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemeente heeft er bewust voor gekozen om van parkeerders die parkeren op een parkeerplaats bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen geen parkeerbelasting te heffen. Daarmee werd voor een bepaalde categorie gevallen een algemene lijn gevolgd over de wijze waarop de bevoegdheid tot het heffen van parkeerbelasting werd uitgeoefend.



3.2.
Belanghebbende mag op toepassing van dit beleid blijven rekenen totdat het uitdrukkelijk is ingetrokken of gewijzigd.



3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de beëindiging van het begunstigend beleid (zie 2.1) op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Uit publicaties in het gemeenteblad en op de website blijkt voldoende duidelijk dat het parkeren bij laadvoorzieningen tot dan toe gratis was en dat daarvoor vanaf 1 april 2025 parkeerbelasting moest worden betaald. Daarmee konden parkeerders in beginsel vanaf 1 april 2025 niet langer aan het eerdere beleid van de gemeente het vertrouwen ontlenen dat bij laadvoorzieningen in de gemeente Waalwijk geen parkeerbelasting zou worden geheven.



3.4.
Belanghebbende stelt dat hij desondanks erop mocht vertrouwen dat de voor hem bekende situatie nog gold. Hij voert aan dat hij de publicaties over de beleidswijziging niet heeft gezien. Volgens hem was de informatievoorziening te beperkt en onopvallend om vaste gebruikers van laadvoorzieningen daadwerkelijk op de wijziging te attenderen. Zo wijst hij erop dat het nieuwsbericht op de gemeentelijke website slechte korte tijd vóór 1 april 2025 is geplaatst, daarna al snel tussen nieuwere berichten is geraakt en niet herhaaldelijk of opvallend onder de aandacht is gebracht. Ook stelt hij dat hij was geabonneerd op de voor zijn buurt bestemde informatie van Overheid.nl, maar dat daarin geen bericht over de wijziging is geplaatst. Verder is de wijziging volgens belanghebbende ten onrechte niet ter plaatse kenbaar gemaakt door aangepaste bebording of andere zichtbare aankondigingen. Ten slotte voert hij aan dat de door de gemeente gehanteerde waarschuwingsfase voor hem geen effect heeft gehad, omdat hij in die periode alleen buiten de tijden van betaald parkeren bij de laadvoorziening heeft geparkeerd en daarom geen waarschuwing heeft ontvangen.



3.5.
De rechtbank kan belanghebbende in zoverre volgen dat de beleidswijziging buiten de publicaties in het gemeenteblad en op de website van de gemeente slechts beperkt onder de aandacht is gebracht. Aan de verwijzing van de heffingsambtenaar naar de bebording ter plaatse komt in dit verband ook weinig betekenis toe. Die bebording maakte weliswaar duidelijk dat sprake was van betaald parkeren, maar die bebording was ook al aanwezig toen bij laadvoorzieningen op grond van het begunstigend beleid geen parkeerbelasting werd geheven. Daaruit kon belanghebbende dus niet afleiden dat juist dat beleid was gewijzigd. De situatie ter plaatse gaf hem dan ook geen enkele aanleiding om erop bedacht te zijn dat het hem bekende beleid inmiddels was gewijzigd. Dat parkeerders de beleidswijziging niet onmiddellijk zouden opmerken, heeft de gemeente echter ondervangen door gedurende een periode eerst waarschuwingen te geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente daarmee voldoende voorzien in de overgang naar de nieuwe situatie. Dat belanghebbende in die periode alleen buiten de tijden van betaald parkeren bij de laadvoorzieningen parkeerde en daardoor geen waarschuwing heeft ontvangen, kan de gemeente niet worden aangerekend. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de beleidswijziging belanghebbende op 26 juni 2025 kon worden tegengeworpen. Hij mocht op dat moment niet langer op voortzetting van het begunstigende beleid vertrouwen.




Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.












griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Ingevolge artikel 2, onderdeel a, van de Verordening parkeerbelastingen 2025 van de Gemeente Waalwijk (de Verordening) en artikel 1, tweede lid, van het Aanwijzingsbesluit Gereguleerd Parkeren Waalwijk 2025.


Vgl. Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.


Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 2, tweede lid, van de Bekendmakingswet en artikel 6 van de Bekendmakingswet.