Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8540

2026-09-02 Civiel recht; Arbeidsrecht 12218463 \ AZ VERZ 26-56 & 12255902 \ AZ VERZ 26-70
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12218463 \ AZ VERZ 26-56 & 12255902 \ AZ VERZ 26-70
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1478; AR-Updates.nl 2026-1478; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/312

Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontslag op staande voet. Werknemer heeft zich ziekgemeld wegens spanningen in de arbeidsrelatie. Partijen spraken met elkaar over het herstellen van vertrouwen. Op enig moment deelt werknemer mee dat zij de ziekte van Pfeiffer heeft en van kleine inspanningen al moe wordt. Werkgever ontdekt dat werknemer desondanks heeft deelgenomen aan een Hyrox. Het ontslag op staande voet dat daarop volgt en waarin werknemer berust, wordt rechtsgeldig geoordeeld. Geen billijke vergoeding, noch een gefixeerde schadevergoeding, wel een transitievergoeding en achterstallig loon. Werknemer hoeft ook het loon over eerder niet gewerkte uren niet terug te betalen. Op een later door werkgever ingediend verzoek wordt een beperkte gefixeerde schadevergoeding toegewezen. Verrekening van de toegewezen bedragen moeten partijen buiten de procedure doen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.294 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Tilburg



Zaaknummers: 12218463 \ AZ VERZ 26-56
12255902 \ AZ VERZ 26-70




Beschikking van 2 september 2026




in de zaak van





[werknemer]

te [plaats 1]
verzoekende partij
verwerende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: [werknemer]
gemachtigde: mr. J.A.M. Kuijlaars



tegen





[werkgever] B.V.

te [plaats 2]
verwerende partij
verzoekende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: [werkgever]
gemachtigde: mr. B. Vleer



en in de zaak van





[werkgever] B.V.

te [plaats 2]
verzoekende partij
hierna te noemen: [werkgever]
gemachtigde: mr. B. Vleer



tegen





[werknemer]

te [plaats 1]
verwerende partij
hierna te noemen: [werknemer]
gemachtigde: mr. J.A.M. Kuijlaars







De zaken in het kort





[werkgever] heeft aan [werknemer] ontslag op staande voet verleend. [werknemer] berust in dat ontslag, dat wil zeggen dat zij niet vraagt om herstel van het dienstverband. Zij is het echter niet eens met het besluit van [werkgever]. [werknemer] verzoekt nu om [werkgever] te veroordelen tot betaling van loon c.a., een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging en een transitievergoeding, alsmede om aan haar, ten laste van [werkgever], een billijke vergoeding toe te kennen. [werkgever] dient tegelijk met haar verweer tegenvorderingen in. In een nadien zelfstandig ingediend verzoekschrift vraagt [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. Beide verzoeken zijn gezamenlijk behandeld.



De kantonrechter wijst het verzoek van [werknemer] tot betaling van loon en een transitie-vergoeding deels toe. Een billijke vergoeding wordt niet toegewezen omdat het ontslag (rechts)geldig is. De door [werkgever] verzochte gefixeerde schadevergoeding wordt ook toegewezen, zij het dat de hoogte daarvan wordt gematigd.





1De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:



In de zaak 12218463 \ AZ VERZ 26-56


- het verzoekschrift van [werknemer]
- het verweerschrift van [werkgever], met daarin diverse tegenverzoeken


In de zaak 12255902 \ AZ VERZ 26-70


- het verzoekschrift van [werkgever]
- het verweerschrift van [werknemer]


In beide zaken:

- de gelijktijdige mondelinge behandeling van beide zaken ter zitting van 16 juli 2026,
waarbij door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben spreek-aantekeningen overgelegd.




2De feiten in beide zaken


2.1.

[werkgever] houdt zich bezig met makelaars- en bemiddelingswerkzaamheden in de vast-goedbranche. De onderneming heeft een vestiging in [plaats 3] en een in [plaats 2].



2.2.

[werknemer] , die is geboren op [datum] 1995, is op 1 januari 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar bij [werkgever] in dienst getreden. Na dat jaar zijn partijen met elkaar een nieuwe arbeidsovereenkomst voor een jaar aangegaan.



2.3.
In dat tweede jaar was [werknemer] gedurende 24 uur per week werkzaam in de functie van medewerker commerciële binnendienst met een brutoloon van € 1.950,00 per maand, exclusief vakantiebijslag.



2.4.
Op 10 februari 2026 heeft [werknemer] zich ziekgemeld.


2.5.
Op 3 april 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen.





3De verzoeken


3.1.

[werknemer] verzoekt - samengevat- de kantonrechter om aan haar een billijke vergoeding toe te kennen en [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Zij maakt daarnaast aanspraak op loon en enkele daarmee samenhangende geldbedragen.



3.2.

[werkgever] voert verweer en betoogt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Tevens verzoekt zij om [werknemer] te veroordelen tot terugbetaling van loon.



3.3.
In een separaat van het verweerschrift ingediend zelfstandig verzoek vraagt [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling aan haar van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. [werknemer] voert daartegen verweer.



3.4.
Op hetgeen partijen aanvoeren wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.





4De beoordeling van het verzoek van [werknemer]


4.1.
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of het aan [werknemer] verleende ontslag rechtsgeldig is. In vervolg daarop ligt ter beantwoording voor de vraag of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitie-vergoeding.



Ontslag op staande voet





4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.



4.3.

Uit de stellingen van [werkgever] volgt dat zij indertijd een vacature had voor de functie medewerker commerciële binnendienst gedurende 32 tot 40 uur per week. Met [werknemer] is uiteindelijk een dienstverband van 28 uur per week overeengekomen waarbij zij op vaste dagen in de verschillende vestigingen van [werkgever] werkzaam zou zijn. In dat eerste jaar is de arbeidsrelatie gaandeweg onder druk komen te staan, aldus [werkgever]. Door privéomstandig-heden kon [werknemer] moeilijk invulling geven aan de bij aanvang gemaakte afspraak inzake de hoeveelheid te werken uren. Om haar tegemoet te komen heeft [werkgever] [werknemer] gelegen-heid geboden om op maandagen thuis te blijven om voor haar dochter te zorgen. De niet gewerkte uren zouden later worden ingehaald. In november vroeg [werknemer] opnieuw om aanpassing van de arbeidsomvang, dit keer tot 20 à 22 uur per week, met nog slechts een dag in de [plaats 3]. Verder meldde zij zich regelmatig af, en wilde zij geregeld werkdagen en vrije dagen wisselen, verscheen zij frequent te laat op het werk en moest zij op dinsdagen eerder weg om haar dochter van school te halen, en verliet zij ook op andere dagen regelmatig het werk eerder, hetgeen voor onduidelijkheid en onbegrip bij collega’s zorgde, aldus [werkgever]. Desondanks heeft [werkgever] het dienstverband met een tweede jaar verlengd. Tijdens een gesprek over die verlenging is gesproken over herstel van het wederzijdse vertrouwen. [werknemer] zou toen hebben toegezegd dat haar privéomstandig-heden haar werk en beschikbaarheid niet langer zouden beïnvloeden.

[werknemer] heeft niet bestreden dat de invulling van de overeengekomen uren in dat eerste jaar niet vlekkeloos ging. En ook zij erkent in haar verzoekschrift dat er spanningen waren in de arbeidsrelatie.




4.4.

Op 10 februari 2026 heeft [werknemer] zich ziek gemeld. De reden daarvan zou zijn dat zij spanningen in de arbeidsrelatie ervaarde. De bedrijfsarts heeft zij pas op 17 maart 2026 voor het eerst gezien. Enkele dagen daarvoor, op 13 maart 2026, stuurde [werknemer] een WhatsAppbericht naar haar leidinggevende waarin zij ondermeer schreef:
”Ik wil je even laten weten dat ik de ziekte van Pfeiffer heb en een zware keelontsteking. Ik ben op dit moment niet in staat om te werken (…). De huisarts heeft aangegeven dat hier niets aan te doen is en ik moet luisteren naar mijn lichaam wat ik wel of niet aan kan. Door kleine inspanningen ben ik al moe en slaap ik overdag veel. Ik ging naar de huisarts voor een afspraak vanwege alle stress afgelopen tijd omdat ik dacht dat de vermoeidheid daardoor kwam maar dat heeft dus een andere oorzaak.”.

[werkgever] heeft ontdekt dat [werknemer] ondanks de omstandigheid dat zij Pfeiffer onder de leden zou hebben en van kleine inspanningen al moe werd zoals zij zelf aangaf, op 27 maart 2026 heeft deelgenomen aan een Hyrox, een fitnesscompetitie waarbij deelnemers 8 keer na elkaar een kilometer hardlopen en vervolgens een fitnessoefening doen. [werkgever] heeft [werknemer] hiermee geconfronteerd. Haar enige reactie was dat sporten gezond is. Dat vond [werkgever] geen afdoende verklaring voor de discrepantie tussen het door [werknemer] aan haar voorgehouden ziektebeeld en de fysieke inspanning die bij een Hyrox moet worden geleverd.




4.5.

[werknemer] betwist dat sprake was van een dringende reden voor het ontslag. Zij heeft niet gelogen over haar medische situatie. Zij heeft zich ziek gemeld omdat zij spanningen ervaarde in de arbeidsrelatie, niet omdat zij (mogelijk) de ziekte van Pfeiffer had. De ziek-melding kan daarom niet aan het ontslag ten grondslag liggen. Zij heeft ook niet gelogen tegen [werkgever]. Eerder had zij een vrije dag aangevraagd om te kunnen deelnemen aan de Hyrox. [werkgever] wist dus dat zij daaraan zou deelnemen. Bovendien staat de vraag of een werk-nemer arbeidsongeschikt is ter beoordeling van een (bedrijfs)arts en niet ter beoordeling van [werkgever]. De bedrijfsarts schreef echter in haar periodieke evaluatie van 9 april 2026 dat het voor herstel belangrijk is om activiteiten te ondernemen die energie geven. [werkgever] heeft aan de bedrijfsarts niet gevraagd of deelname aan de Hyrox paste bij haar medische situatie. Er was dan ook geen sprake van een dringende reden, aldus [werknemer] .



4.6.

Overwogen wordt dat [werknemer] uit het oog verliest dat aan het ontslag niet ten grondslag ligt de door haar ervaren spanningen in de arbeidsrelatie waardoor zij zich heeft ziekgemeld, noch het antwoord op de vraag of zij feitelijk aan een Hyrox kon deelnemen, maar veeleer de schending door haar van het vertrouwen van [werkgever]. Partijen hebben eerder met elkaar gesproken over het herstel van vertrouwen teneinde de door [werknemer] ervaren spanningen in de arbeidsrelatie weg te nemen. Op 1 april 2026 raakte [werkgever] ermee bekend dat [werknemer] had deelgenomen naar een Hyrox, terwijl zij circa twee weken daarvoor had gemeld dat zij de ziekte van Pfeiffer had, van kleine inspanningen al moe werd, overdag veel sliep en niet in staat was om te werken. In een gesprek met [werknemer] op 2 april 2026 heeft [werkgever] gevraagd hoe deelname aan de Hyrox zich verhield tot de eerdere mededelingen omtrent haar gezondheid. [werknemer] reageerde slechts met de opmerking dat sporten gezond is. [werkgever] heeft daarop geconcludeerd dat [werknemer] een onjuist beeld heeft gegeven van haar belastbaarheid en arbeidsongeschiktheid, dat zij [werkgever] heeft misleid en haar verplichtingen als goed werknemer heeft veronachtzaamd. Te meer nu partijen meermaals hebben gesproken over herstel van vertrouwen is nu juist het wegvallen van dat vertrouwen, als gevolg van de onjuiste mededelingen van [werknemer] omtrent haar belastbaarheid, reden geweest om de arbeidsrelatie onmiddellijk te beëindigen. In het licht van de door [werkgever] geschetste bereidheid, op diverse momenten sinds de aanvang van de arbeidsrelatie, om

[werknemer] ter wille te zijn bij het combineren van haar werkrooster met haar privé-omstandigheden, is niet onbegrijpelijk dat [werkgever] alle vertrouwen in verdere samenwerking met [werknemer] verloor toen zij kennis kreeg van [werknemer] deelname aan een Hyrox, korte tijd na haar mededeling dat zij de ziekte van Pfeiffer had en feitelijk te moe was om iets te doen.




4.7.
Geoordeeld wordt daarom dat [werkgever] voldoende gronden had om aan [werknemer] met onmiddellijke ingang ontslag te verlenen. En aangezien zij het ontslag de dag na het gesprek met [werknemer] schriftelijk aan [werknemer] heeft meegedeeld is voldaan aan het vereiste dat het ontslag onverwijld is verleend. Ook heeft zij op voorhand [werknemer] in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Daarnaast stond de reden van het ontslag duidelijk in de ontslagbrief vermeld. Het verzoek van [werknemer] om een andersluidende verklaring voor recht te geven wordt dan ook afgewezen.



Billijke vergoeding





4.8.
Het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt eveneens afgewezen. Een billijke vergoeding kan worden toegewezen wanneer de arbeids-overeenkomst is opgezegd zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij die opzegging om een dringende reden is geschied. Aangezien hierboven is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking.



Transitievergoeding





4.9.

[werkgever] wordt wel veroordeeld tot het betalen van een transitievergoeding. Weliswaar is hierboven geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet, maar die feiten en omstandigheden brengen, anders dan [werkgever] betoogt, in dit geval niet mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Met het vaststellen van de dringende reden is immers niet gegeven dat het ontslag te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Niet snel mag worden aangenomen dat geen transitievergoeding verschuldigd is. Hoewel het handelen van [werknemer] naar het oordeel van de kantonrechter verwijtbaar is acht zij dit niet “ernstig” verwijtbaar.



4.10.
De toe te wijzen transitievergoeding bedraagt 1/3e deel van het maandloon voor ieder jaar dat [werknemer] bij [werkgever] in dienst is geweest plus een evenredig deel daarvan dat de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd. Dat is 1/3e x (1 + 3/12e) x (€ 1.950,00 x 1,08) = € 877,50 bruto. Op het verzoek van [werknemer] wordt over dit bedrag de wettelijke rente toegewezen vanaf 4 mei 2026.



4.11.
De door [werknemer] verzochte verklaring voor recht, inhoudende dat zij recht heeft op de transitievergoeding wordt afgewezen. Gezien de uit te spreken veroordeling van [werkgever] om de vastgestelde vergoeding te betalen wordt geoordeeld dat een belang van [werknemer] bij de verzochte verklaring ontbreekt.



Loon tot aan het ontslag





4.12.

[werkgever] heeft een eindafrekening opgemaakt. Volgens deze komt aan [werknemer] nog een bedrag van € 2.517,17 bruto aan loon plus vakantiebijslag toe, alsmede een vergoeding voor woon-werkverkeer van € 79,65 netto. [werknemer] vordert uitbetaling van die bedragen.



4.13.

[werkgever] erkent dat zij niet tot uitbetaling van de eindafrekening is overgegaan. Zij houdt die uitbetaling aan omdat zij een tegenvordering heeft die groter is dan de bedragen van de eindafrekening, aldus [werkgever].



4.14.
Overwogen wordt dat [werkgever] onvoldoende duidelijk maakt welke vordering zij bedoelt. In haar verweerschrift verzoekt zij [werknemer] te veroordelen om aan haar de waarde van 120 niet gewerkte uren en 0,95 teveel genoten vakantiedagen te betalen. En in het later door haar ingediende verzoekschrift vraagt zij om [werknemer] te veroordelen tot het betalen van een gefixeerde schadevergoeding. Bij geen van die verzoeken maakt zij gewag van een verrekening met de uit hoofde van de eindafrekening verschuldigde bedragen. Wel heeft zij in de ontslagbrief van 3 april 2026 een (voorwaardelijke) verrekeningsverklaring opgenomen ten aanzien van de “verschuldigde schadevergoeding” in verband met de voortijdige beëindiging van het dienstverband (de gefixeerde schadevergoeding). Gelet hierop wordt in deze, door [werknemer] aanhangig gemaakte procedure aan het verweer van [werkgever] voorbij gegaan. Of in de andere procedure die door [werkgever] is geïnitieerd verrekening van enig bedrag mogelijk wordt geoordeeld zal hierna bij de beoordeling van het door [werkgever] ingediende verzoek aan de orde komen. Deze vordering van [werknemer] zal derhalve worden toegewezen.



4.15.
De wettelijke verhoging die [werknemer] over het onbetaalde loon vordert wordt niet toegewezen. Een dergelijke verhoging is niet een boete die bij te late betaling van het loon moet worden voldaan maar dient als prikkel voor een werkgever om het loon tijdig te betalen. Hier speelt in het bijzonder dat [werkgever] aanspraak maakt op terugbetaling van het loon voor 120 uren die [werknemer] niet heeft gewerkt en de waarde van 0,95 teveel genoten vakantiedagen. Hoewel [werknemer] betwist dat zij terzake nog een vergoeding verschuldigd is weerspreekt zij niet dat zij de betreffende uren heeft genoten. In dat licht wordt een verhoging van het nog niet betaalde loon in strijd met de redelijkheid en billijkheid geoordeeld nu er een reden aan het niet betalen ten grondslag lag die niet onbegrijpelijk is.



4.16.
Over de in 4.12 genoemde bedragen zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 4 april 2026.



Overig loon april 2026





4.17.

[werknemer] vordering tot betaling van loon over de resterende periode in de maand april 2026 is niet toewijsbaar. De arbeidsovereenkomst is met het ontslag op 3 april van dat jaar beëindigd. [werknemer] heeft in die beëindiging berust. Zij heeft daardoor geen aanspraak op loon over enige periode na die datum.



Gefixeerde schadevergoeding





4.18.
Hierboven is geoordeeld dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Een vergoeding wegens onregelmatige opzegging komt [werknemer] daarom evenmin toe.



Eindafrekening





4.19.
Voor het opmaken van een andere eindafrekening dan die reeds aan [werknemer] is verstrekt bestaat geen grond. Ook deze vordering wordt afgewezen.





5De beoordeling van het tegenverzoek van [werkgever]



Verklaring voor recht




5.1.
In haar verweerschrift dient [werkgever] enkele tegenverzoek in. Een daarvan is om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst op 3 april 2026 rechtsgeldig tot een einde is gekomen. Dit verzoek zal worden toegewezen.



Terugbetaling loon





5.2.
Verder verzoekt [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 2.430,00 bruto. Het betreft volgens [werkgever] onverschuldigd betaald loon. In 2025 heeft zij aan [werknemer] toegestaan dat zij op maandagen thuis bleef in verband met de zorg voor haar dochter. Zij zou deze uren op een ander moment inhalen. Dit heeft zij niet gedaan. [werknemer] heeft 120 uren niet gewerkt maar daarvoor wel loon betaald gekregen.



5.3.
Geoordeeld wordt dat van onverschuldigd betaald loon geen sprake is. Immers bestond tussen partijen een arbeidsovereenkomst op grond waarvan [werkgever] (ook) dit loon verschuldigd was. [werkgever] was dus verplicht het loon te voldoen, ook wanneer [werknemer] in de betreffende uren haar werkzaamheden niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten daarvan in redelijkheid voor rekening van [werknemer] behoort te komen. Van dat laatste is geen sprake. Weliswaar is de oorzaak van het niet werken gelegen in de privéomstandigheden van [werknemer] , partijen hebben volgens [werkgever] afgesproken dat [werknemer] de gemiste uren zou inhalen. Niet blijkt dat [werkgever] die afspraak heeft ingevuld. Met [werknemer] is althans niet meer besproken wanneer of op welke wijze zij de betreffende uren alsnog zou werken. Als goed werkgever lag het op de weg van [werkgever] om, ter bescherming van [werknemer] , hier tijdig actief mee aan de slag te gaan. [werkgever] heeft het daarentegen op zijn beloop gelaten, ook nadat [werknemer] op 23 februari 2026 via WhatsApp liet weten dat zij geen salaris had ontvangen en [werkgever] daarop opperde dat de betreffende uren in drie maanden met het loon zouden kunnen worden verrekend. Dat het uiteindelijk niet meer tot een afspraak hierover is gekomen is het gevolg van de plotselinge beëindiging van het dienstverband door [werkgever]. Dat [werknemer] daardoor de uren niet meer kan inhalen betekent niet dat het niet verrichten van het werk in redelijkheid voor haar rekening behoort te komen. De vordering van [werkgever] wordt dan ook afgewezen.



5.4.
De vordering om de tegenwaarde van 0,95 vakantiedag, ofwel 7,6 uren, die door [werkgever] is berekend op € 153,90 bruto, is wel toewijsbaar. Ter onderbouwing daarvan stelt [werkgever] dat [werknemer] in 2026 minimaal 5 verlofdagen heeft genoten, hetgeen volgens haar teveel is geweest. [werknemer] heeft deze vordering niet bestreden.





6De beoordeling van het verzoek van [werkgever]


6.1.

In een na het verzoek van [werknemer] door [werkgever] ingediend verzoekschrift vraagt [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde vergoeding ter grootte van
€ 18.804,60 bruto, alsmede de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 april 2026. Het bedrag is gelijk aan het overeengekomen loon plus vakantiebijslag over de periode vanaf die datum tot aan het einde van de overgekomen duur van het dienstverband op 31 december 2026.




6.2.
In haar verweer tegen deze vordering voert [werknemer] kort gezegd aan dat [werkgever] onvoldoende feiten en bewijzen naar voren brengt waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten voor toekenning van een gefixeerde schadevergoeding.



6.3.

[werknemer] wordt in dat verweer niet gevolgd. [werkgever] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd toen haar was gebleken dat [werknemer] aan een Hyrox had deelgenomen, terwijl zij korte tijd daarvoor had gemeld dat zij Pfeiffer had en niet in staat was om te werken. De door [werkgever] gevoelde vertrouwensbreuk als gevolg daarvan is [werknemer] aan te rekenen. [werknemer] heeft aan [werkgever] een dringende reden gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Nu [werkgever] van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is [werknemer] aan [werkgever] een vergoeding verschuldigd.



6.4.
In beginsel is in dit geval de vergoeding gelijk aan het loon tot en met 31 december 2026. Met het oog op de omstandigheden van het geval zal evenwel de vergoeding worden gematigd tot een bedrag gelijk aan het loon voor een maand, plus de vakantiebijslag daarover, ofwel tot (€ 1.950,00 x 1,08 =) € 2.106,00 bruto. In haar overweging neemt de kantonrechter mee dat de vergoeding weliswaar gefixeerd is en dus niet afhankelijk van daadwerkelijk geleden nadeel, maar dat zij wel strekt ter compensatie van nadeel en dat niet is gebleken dat hiervan aan de zijde van [werkgever] sprake is. [werkgever] heeft de hoogte van het gevorderde bedrag ook niet onderbouwd, anders dan met een verwijzing naar de (maximale) wettelijke termijn.


6.5.
De wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag is verschuldigd vanaf 3 april 2026.



6.6.
In aansluiting op hetgeen bij 4.14 hierboven werd overwogen merkt de kantonrechter op dat [werkgever] in haar verzoekschrift, noch [werknemer] in haar verweer, melding maakt van een eventueel te verrekenen vordering van [werknemer] uit hoofde van niet uitbetaald loon met het bedrag van de gefixeerde schadevergoeding. Om die reden zal daarmee in deze beschikking geen rekening worden gehouden. Partijen zullen daarom buiten deze procedure, met inachtneming van de hieronder gegeven beslissing, hun vorderingen kunnen verrekenen.





7De proceskosten


7.1.
In beide procedures vragen partijen om de wederpartij te veroordelen in de kosten daarvan.



7.2.
Geoordeeld wordt dat nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, het redelijk is dat zij in beide procedures de eigen proceskosten dragen.





8De beslissing


De kantonrechter




op het verzoek van [werknemer]




8.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 877,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



8.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het bedrag van € 2.517,17 bruto ter zake van loon plus vakantiebijslag over de periode tot en met 3 april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



8.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding van € 79,65 voor woon-werk-verkeer te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



op het tegenverzoek van [werkgever]





8.4.
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 3 april 2026 rechtsgeldig is beëindigd;



8.5.
veroordeelt [werknemer] om ter zake van teveel genoten vakantiedagen aan [werkgever] het bedrag van € 153,90 bruto te betalen;





op het verzoek van [werkgever]





8.6

veroordeelt [werknemer] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van
€ 2.106,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;




op het verzoek van [werknemer] , het tegenverzoek van [werkgever] en het verzoek van [werkgever]





8.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



8.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;



8.9.
wijst het meer of anders verzochte af.









Deze beschikking is gegeven door mr. Van Sprundel-Jansen en is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.















































Artikel 7:681 lid 1, onder a BW, in verbinding met artikelen 7:671 lid 1, onder c BW en 7:677 lid 1 BW.


Zie ook Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484.


Artikel 7:673 lid 2 BW.


Hiermee wordt voorbijgegaan aan het in het verweerschrift van [werkgever] (§ 75 en §76) subsidiair aangevoerde hogere bedrag
aangezien dit klaarblijkelijk berust op de vergissing dat de ontslagdatum 6 mei 2026 was.


Artikel 7:686a lid 1 BW.


Artikel 6:303 BW.


Artikel 6:127 lid 1 BW.


Artikel 7:625 BW.


Artikel 7:677 lid 4 BW.


Artikel 7:628 lid 1 BW.


Vgl. kantonrechter Almere 26 juni 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2859, rov. 4.2.


Artikel 7:677 lid 2 BW.


Artikel 7:677 lid 3, onder b BW.


Artikel 7:677 lid 5, onder a BW.


Artikel 7:686a lid 1 BW.


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in
hoger beroep wordt gegaan.